Conclusie
verzoeker tot cassatie,
verweersters in cassatie.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [plaats] , België; en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [plaats] ,
hierna: de minderjarigen.
Met betrekking tot het verzoek van de vader om te bepalen dat de minderjarigen bij hem worden teruggeplaatst heeft het hof in r.o. 5.1 van zijn beschikking het volgende overwogen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klacht(procesinleiding onder 1) gaat ervan uit dat zowel de rechtbank als het hof heeft overwogen en beslist dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om te bepalen dat de minderjarigen bij hem moeten worden teruggeplaatst, omdat in deze procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats. Het hof en de rechtbank zijn ten onrechte van oordeel dat een beslissing over deze hoofdverblijfplaats alleen kan worden genomen in de lopende procedure tussen de vader en de moeder over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, aldus de eerste klacht.
tweede klacht(procesinleiding onder 2) wordt geklaagd dat de overwegingen en beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn zelfstandige verzoek tot terugplaatsing van de kinderen bij hem rechtens onjuist zijn en dat het hof dit verzoek ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Daartoe wordt aangevoerd dat in de procedure die gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl geen verlenging van de eerder verleende machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht, een gezaghebbende ouder wel ontvankelijk is in een verzoek tot terugplaatsing van de uithuisgeplaatste kinderen, welk verzoek daarom inhoudelijk moet worden beoordeeld en beslist door de rechter. Althans, aldus de klacht, een ouder is ontvankelijk in een dergelijk verzoek mits de andere gezaghebbende ouder in de procedure is opgeroepen als belanghebbende en daarom in de gelegenheid was om tegen een dergelijk verzoek verweer te voeren, zoals in deze zaak het geval is.
derde klacht(procesinleiding onder 3).
Deze klacht gaat er, net als de eerste klacht, van uit dat aan het hof een verzoek over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen op grond van artikel 1:253a lid 1 en lid 2, aanhef en onder b, BW voorlag. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet aan de uit deze bepaling voortvloeiende maatstaf van het belang van het kind heeft getoetst, althans dat het hof een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen gelet op de stellingen van de vader over het belang van de minderjarigen.
eerste klachtervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige procedure over de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, faalt deze mijns inziens bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een zodanig oordeel valt in de bestreden beschikking niet te lezen. Nu er geen reden is om aan te nemen dat het hof ervan is uitgegaan dat in de onderhavige procedure een verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats voorlag waarop het moest beslissen (zie hiervoor onder 3.29), kan in de bestreden beschikking ook niet worden gelezen dat het hof van oordeel is dat in deze procedure geen beslissing door de rechter kan worden genomen over de hoofdverblijfplaats en dat een beslissing daarover alleen kan worden genomen in de lopende procedure over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De overweging van het hof dat de beslissing over het hoofdverblijf moet worden genomen in de lopende procedure inzake de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, moet mijns inziens integendeel zo worden verstaan dat, nu in die ontbindingsprocedure de kwestie van de hoofdverblijfplaats voorligt, aldaar daarover moet worden beslist.
tweede klachtfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klacht betoogt dat in een procedure als de onderhavige een verzoek van een gezaghebbende ouder tot terugplaatsing van de uithuisgeplaatste kinderen inhoudelijk beoordeeld moet worden en klaagt dat het hof dit (net de rechtbank) zou hebben miskend. Het hof heeft echter wel degelijk het verzoek tot terugplaatsing inhoudelijk beoordeeld en daarop beslist. Dat het hof de beschikking van de rechtbank, waarin de rechtbank de vader niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek, heeft bekrachtigd, noopt niet tot een andere conclusie (zie hiervoor onder 3.28).
derde klachtwordt geklaagd dat het hof niet kenbaar aan de uit artikel 1:253a BW voortvloeiende maatstaf van het belang van het kind heeft getoetst althans een onbegrijpelijke beslissing heeft genomen gelet op de stellingen van de vader over het belang van de minderjarigen. Deze klacht faalt. De klacht ziet er immers aan voorbij dat het hof het zelfstandig verzoek van de vader klaarblijkelijk niet heeft opgevat en ook niet heeft hoeven opvatten als een verzoek op grond van artikel 1:253a lid 1 en lid 2, aanhef en onder b, BW met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen (zie hiervoor onder 3.29).