Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:462

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/02858
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 WvggzArt. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt verlenging zorgmachtiging wegens ontbrekende actuele medische verklaring

In deze zaak ging het om de verlenging van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. De rechtbank Limburg had bij beschikking van 21 juni 2024 de zorgmachtiging voor zes maanden verlengd zonder dat een actuele medische verklaring van een onafhankelijke psychiater was overgelegd. Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad vernietigde bij beschikking van 9 mei 2025 de beslissing van de rechtbank en verwees de zaak terug vanwege het ontbreken van een actuele medische verklaring. Na terugwijzing beoordeelde de rechtbank opnieuw of de medische verklaring van 6 december 2023 nog actueel was en concludeerde dat dit het geval was, mede op basis van een verklaring van de behandelend psychiater. Betrokkene stelde opnieuw cassatieberoep in.

De Procureur-Generaal concludeert dat de rechtbank na terugwijzing had moeten uitgaan van het oordeel van de Hoge Raad dat de medische verklaring niet actueel was en dat de rechtbank ten onrechte alsnog heeft geoordeeld dat de verklaring actueel was. Hierdoor had de rechtbank het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging moeten afwijzen. De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 11 juni 2025 en tot afdoening door de Hoge Raad zelf door afwijzing van het verzoek tot verlenging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot verlenging van de zorgmachtiging af wegens het ontbreken van een actuele medische verklaring van een onafhankelijke psychiater.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02858
Zitting8 mei 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Limburg,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank bij deelbeschikking van 29 december 2023 een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van zes maanden tot en met uiterlijk 29 juni 2024 en de beslissing over de resterende zes maanden aangehouden. De rechtbank heeft die beslissing gebaseerd op een medische verklaring van 6 december 2023.
1.2
Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de rechtbank de zorgmachtiging verleend voor de resterende termijn van zes maanden tot en met uiterlijk 29 december 2024. De rechtbank achtte een actuele medische verklaring niet nodig gelet op het doel van de aanhouding. Betrokkene heeft destijds tegen deze eindbeschikking cassatieberoep ingesteld.
1.3
Bij beschikking van 9 mei 2025 heeft de Hoge Raad de beschikking van 21 juni 2024 vernietigd en teruggewezen naar de rechtbank. De Hoge Raad is van oordeel dat de klacht dat de beslissing van de rechtbank in de tweede beschikking om een zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden te verlenen onjuist dan wel onbegrijpelijk is
omdat actuele medische informatie van een onafhankelijk psychiater ontbrak, slaagt.
1.4
De rechtbank beoordeelt na terugwijzing of de medische verklaring van 6 december 2023 actualisering behoeft en komt onder meer op grond van de verklaring van de behandelend psychiater ter zitting tot het oordeel dat de medische verklaring op 21 juni 2024 nog actueel en toereikend was. Bij beschikking van 11 juni 2025 verleent de rechtbank de zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden.
1.5
Tegen deze beschikking na terugwijzing wordt in de onderhavige cassatieprocedure opgekomen. Mijns inziens wordt terecht in de kern geklaagd dat de medische verklaring op 21 juni 2024 niet meer actueel was. Uit het hiervoor onder 1.3 genoemde oordeel van de Hoge Raad vloeit voort dat de rechtbank na terugwijzing ervan moest uitgaan dat de medische verklaring van 6 december 2023 ten tijde van de beslissing van de rechtbank op 21 juni 2024 niet actueel was. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit miskend door alsnog te beoordelen of de medische verklaring op 21 juni 2024 actueel was. Een dergelijke beoordeling was na cassatie en terugwijzing gelet op voornoemd oordeel van de Hoge Raad echter een gepasseerd station.
1.6
Mijn conclusie strekt tot vernietiging. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door het verzoek voor de resterende duur van zes maanden af te wijzen.
2.Feiten en procesverloop [1]
Procedure bij de rechtbank voor terugwijzing
2.1
De officier van justitie heeft op 11 december 2023 de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) verzocht een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.2
Bij deelbeschikking van 29 december 2023 [2] heeft de rechtbank een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van zes maanden tot en met uiterlijk 29 juni 2024 en de beslissing over de resterende zes maanden aangehouden. Voor zover relevant heeft de rechtbank het volgende overwogen (onderstreping van mij; A-G):
“1.1. Het verzoekschrift is ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 11 december 2023. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- (…)
-
de medische verklaring van 6 december 2023;
- (…).
3.9.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.
De rechtbank zal de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verlenen, en geldt aldus tot en met 29 juni 2024 en voor het overige aanhouden om te kunnen bezien hoe het dan gaat en of er een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
De rechtbank zal op een volgende zitting bespreken hoe het toestandsbeeld van betrokkene zich heeft ontwikkeld en hoe de medewerking van betrokkene in de behandeling en het nemen van de medicatie is verlopen.”
2.3
De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 juni 2024. Gehoord zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, en een verpleegkundig specialist. [3] Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. [4]
2.4
Bij beschikking van 21 juni 2024 [5] heeft de rechtbank de zorgmachtiging verleend voor de resterende termijn van zes maanden tot en met uiterlijk 29 december 2024. Voor zover in cassatie relevant heeft de rechtbank daartoe het volgende overwogen (onderstreping van mij; A-G):
“2.3. De advocaat verzoekt om de resterende termijn van de zorgmachtiging af te wijzen.
De raadsman is van mening dat er een nieuw verzoek en een nieuwe medische verklaring had dienen te worden overlegd nu de tussenbeschikking reeds een half jaar geleden is gegeven.
(…)
2.7.
De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat de zorgmachtiging voor de resterende termijn nog noodzakelijk is.
Het toestandsbeeld van betrokkene is inmiddels verbeterd dankzij de medicatie. Deze medicatie is essentieel voor betrokkene om haar toestandsbeeld stabiel te houden en het ernstig nadeel af te wenden. Het risico is groot dat betrokkene zal stoppen met de medicatie indien het juridisch kader wegvalt. Ze is het immers niet eens met de toediening van de verplichte medicatie.
Betrokkene moet nog één operatie ondergaan. Indien betrokkene hiervan hersteld is, zal een passende woonplek voor haar worden gerealiseerd. Een andere woonvorm dan de huidige afdeling, zoals een beschermde woonvorm is hierbij een optie.
Hierbij is het belangrijk dat betrokkene de medicatie accepteert en de ambulante zorgverleners toelaat.
De zorgmachtiging is noodzakelijk als zijnde een ‘vangnet’ om adequaat de juiste hulp te kunnen bieden en om tijdig te kunnen ingrijpen wanneer blijkt dat er sprake is van een terugval.
Het bovenstaande noodzaakte, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot een actuele medische verklaring. Het doel van het aanhouden van de zorgmachtiging was met name om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
(…).”
De vorige cassatieprocedure [6]
2.5
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank van 21 juni 2024 beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
2.6
Mijn conclusie in die eerdere cassatieprocedure strekte tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing. [7]
2.7
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 9 mei 2025 [8] de beschikking van de rechtbank van 21 juni 2024 vernietigd en het geding teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Voor zover in deze cassatieprocedure van belang, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen en beslist (onderstreping van mij; A-G):

3 Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt in de kern genomen dat de beslissing van de rechtbank in de tweede beschikking om een zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden te verlenen onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat actuele medische informatie van een onafhankelijk psychiater ontbrak.Het middel keert zich aldus tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.7 dat een actuele medische verklaring niet nodig is omdat het doel van het aanhouden met name was om te bezien of inmiddels een passende woonvoorziening is gerealiseerd.
3.2
Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit art. 5:8 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro en art. 6:4 Wvggz Pro, volgt dat een rechter slechts een zorgmachtiging mag verlenen indien uit een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene blijkt dat uit diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis ernstig nadeel voortvloeit. Voor de psychiater die de medische verklaring opstelt, gelden de in art. 5:7 Wvggz Pro genoemde voorwaarden. Die voorwaarden dienen als waarborg voor een onafhankelijke, onpartijdige en behoorlijke besluitvorming over verplichte zorg. Een en ander strookt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM. [9]
3.3
Het hiervoor in 3.2 overwogene geldt eveneens indien de rechter, nadat hij eerst een zorgmachtiging heeft verleend voor een kortere duur dan verzocht met aanhouding voor het overige, beslist over de resterende duur van de verzochte machtiging.
In die situatie dient de rechter na te gaan of de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is (art. 5:8 Wvggz Pro). Is deze verklaring niet meer actueel, dan moet een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijk psychiater worden overgelegd of moet de oorspronkelijke medische verklaring worden geactualiseerd.
Actualisering kan ook tijdens de mondelinge behandeling. Die actualisering moet zodanig concreet zijn dat de rechter daaruit kan afleiden dat de psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene. [10]
3.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, slaagt de hiervoor in 3.1 weergegeven klacht.
Procedure bij de rechtbank na terugwijzing
2.8
Op 5 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling na terugwijzing plaatsgevonden. Gehoord zijn betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de psychiater (hierna: de behandelend psychiater) [11] en een jurist.
2.9
Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Voor zover in deze cassatieprocedure van belang, is daarin vermeld:
“De rechtbank
Mevrouw [naam van de behandelend psychiater
], u was in die tijd bij de behandeling betrokken.
Kent u de medische verklaring van meneer [naam van de rapporterend psychiater] van december 2023?
Kunt u ons zeggen of die medische verklaring in juni 2024 nog actueel was?
[de behandelend psychiater]
Voor mij was niet van te voren duidelijk wat de vraag aan mij is. Ik ben niet onafhankelijk. Ik heb niet naar die verklaring van december 2023 gekeken. Ik heb wel de medische verklaring van de afgelopen keer, toen de machtiging verlengd is, bekeken en het zorgplan.
De rechtbank
Met de verklaring van de laatste verlenging kunnen we niets. We moeten terug naar juni 2024 en de vraag beantwoorden of toen een beslissing genomen kon worden met de medische verklaring van Dhr. [naam van de rapporterend psychiater] van december 2023.
We moeten nu kijken naar wat toen nog actueel was.
[de behandelend psychiater]
Ik lees nu de medische verklaring van december 2023.
Het stukje bij psychiatrisch onderzoek: daar kan ik mij in vinden. Er was sprake van wanen in het verleden. Betrokkene is meerdere keren opgenomen geweest in verband met een psychose. Dat bevestigt betrokkene ook in het gesprek met meneer [naam van de rapporterend psychiater].
Dat toestandsbeeld is niet anders geworden in de afgelopen periode.
Dat geldt voor de hele periode dat ze bij ons opgenomen is. Er was voortdurend sprake van wanen. De wanen zijn door middel van medicatie wel verminderd.
Zonder medicatie is wel de verwachting dat er meer floride wanen zijn en daarmee nadeel.
Ik lees nu het stukje over het ernstig nadeel: Betrokkene is opgenomen omdat het in de thuissituatie niet ging. Er was sprake van verwaarlozing, het weigeren van medicatie en betrokkene wilde geen contact met hulpverleners. Op het moment dat betrokkene opnieuw psychotisch zou worden, verwacht ik dat dat weer opnieuw zal gaan gebeuren. Het is niet mogelijk dat betrokkene zelfstandig gaat wonen op dit moment.
Rechtbank
Hoe was dat in juni 2024?
[de behandelend psychiater]
De situatie is in het afgelopen anderhalf jaar eigenlijk niet veranderd. Tussen wat is opgeschreven in de medische verklaring van december 2023 en wat in de laatste medische verklaring is opgeschreven, zit eigenlijk geen verschil.
Dat is ook zoals het in de behandeling hier bekend is, we zijn uitgegaan van het zorgplan van begin 2024. En daar zijn we op gaan voortborduren in het afgelopen zorgplan van januari van dit jaar. Samenvatting: ik denk dat de medische verklaring van [naam van de rapporterend psychiater] ook in juni 2024 nog actueel was.
(…)
[de advocaat]
We zijn nu een jaar later. En anderhalf jaar later dan de medische verklaring van [naam van de rapporterend psychiater] van 6 december 2023. Misschien is het wat formeel, het feit dat cassatie wordt ingesteld. Het is naar aanleiding van advies van een cassatieadvocaat. Centraal staat de medische verklaring, in hoeverre is die actueel? Ik kan verwijzen naar de beslissing van de Hoge Raad. Die actuele medische informatie moet er zijn. Een onafhankelijke psychiater moet er iets van hebben gevonden. Dat is belangrijk voor een onpartijdige besluitvorming van de rechter. De besluitvorming is niet tot stand gekomen zoals het hoort. Het gebrek is niet te herstellen. De psychiater [naam van de behandelend psychiater] is niet onafhankelijk, ze kan wel vertellen hoe het nu gaat. Er is destijds een beslissing genomen met een gebrek. De zorgmachtiging is afgegeven en verplichte zorg is gegeven zonder geldige titel. Daarna is er wel een nieuwe titel ontstaan. Maar in die periode niet. Er is een lange periode geweest zonder titel. Naar mijn oordeel is het gebrek niet te herstellen, dus zonder titel is de zorgmachtiging uitgevoerd.”
2.1
Bij beschikking van 11 juni 2025 [12] (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de zorgmachtiging verleend tot en met 29 december 2024. Voor zover in deze cassatieprocedure van belang heeft de rechtbank daartoe het volgende overwogen (onderstreping van mij; A-G).
“2.3. Tijdens de zitting op 5 juni 2025 heeft de advocaat (wederom) gesteld dat er in juni 2024 actuele informatie had moeten zijn van een onafhankelijke psychiater. Dit is belangrijk voor de onafhankelijke en onpartijdige besluitvorming door de rechter. Er was en is echter geen actuele informatie van een onafhankelijk psychiater. De besluitvorming is daarmee onjuist geweest. Dit gebrek kan niet hersteld worden door de psychiater, mevrouw [naam van de behandelend psychiater], die bij de hernieuwde behandeling van het aangehouden verzoek op 5 juni 2025 aanwezig is. Deze psychiater was in juni 2024 bij de behandeling betrokken en is dus niet onafhankelijk. Als gevolg van de gebrekkige besluitvorming heeft betrokkene gedurende langere periode zorg ontvangen zonder geldige titel.
2.4.
De rechtbank verstaat de beschikking van de Hoge Raad van 9 mei 2025 in die zin dat nadat een zorgmachtiging is verleend voor een kortere periode dan verzocht, en voor het overige het verzoek wordt aangehouden, voor het verlenen van de zorgmachtiging voor de resterende termijn, nagegaan dient te worden of de oorspronkelijke medische verklaring nog actueel is. De behandelend psychiater, mevrouw
[naam van de behandelend psychiater
], heeft tijdens de zitting op 5 juni 2025 naar voren gebracht dat er in juni 2024 onverminderd sprake was van wanen, dat betrokkene nog steeds tegen het gebruik van medicatie was en tegen het verblijf op de afdeling. Betrokkene heeft dit niet weersproken.
Het toestandsbeeld is sinds december 2023 niet veranderd, zo blijkt uit de verklaring van mevrouw
[naam van de behandelend psychiater
].
Dat er bezwaar tegen de medicatie was en dat betrokkene terug wilde naar haar (inmiddels gedeeltelijk vernielde) onderkomen blijkt ook uit het proces verbaal van de zitting van 21 juni 2024.
De rechtbank komt tot de conclusie dat, mede door hetgeen de behandelend psychiater, mevrouw [naam van de behandelend psychiater], tijdens de zitting op 5 juni 2025 naar voren heeft gebracht en het proces verbaal van de zitting van 21 juni 2024, op 21 juni 2024 de medische verklaring van 6 december 2023 nog actueel en toereikend was.
In cassatie
2.11
Betrokkene heeft op 6 september 2025 – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden beschikking.
2.12
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel dat uiteenvalt in twee subonderdelen. Het middel is gericht tegen r.o. 2.4 van de bestreden beschikking (hierboven onder 2.10 geciteerd). Geklaagd wordt dat deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
3.2
In
subonderdeel 1.1wordt aangevoerd dat het in de vorige cassatieprocedure in deze zaak ging over de vraag of de medische verklaring nog actueel is. Naar ik begrijp, wordt in de kern geklaagd dat de medische verklaring van 6 december 2023 ten tijde van de voortgezette mondelinge behandeling op 21 juni 2024 6,5 maand oud en dus niet meer actueel was.
3.3
In
subonderdeel 1.2wordt samengevat geklaagd dat de rechtbank niet over de resterende periode een zorgmachtiging had mogen verlenen op grond van de verklaring van de behandelend psychiater, omdat de behandelend psychiater niet onafhankelijk is in de zin van artikel 5:7 sub d Wvggz Pro en de verklaring dus niet voldoet aan de eisen die de wet stelt mede gelet op artikel 5 lid 1 aanhef Pro en onder e EVRM.
3.4
Subonderdeel 1.1slaagt, gelet op het volgende.
3.5
Dit subonderdeel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de bestreden uitspraak dat de medische verklaring van 6 december 2023 ten tijde van de voorgezette behandeling van het verzoek op 21 juni 2024 actueel was. Mede onder verwijzing naar de vorige cassatieprocedure wordt geklaagd dat de medische verklaring op 21 juni 2024 niet meer actueel was.
3.6
Na cassatie en terugwijzing diende de rechtbank opnieuw te beoordelen of op het tijdstip waarop de zorgmachtiging voor de resterende termijn van zes maanden tot en met 29 december 2024 werd verleend (21 juni 2024), voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte zorgmachtiging. [13]
3.7
De rechtbank was bij deze beoordeling gebonden aan het oordeel van de Hoge Raad in zijn beschikking van 9 mei 2025 dat de klacht dat de beslissing van de rechtbank van 21 juni 2024 om een zorgmachtiging te verlenen voor de resterende duur van zes maanden onjuist dan wel onbegrijpelijk was
omdat actuele informatie van een onafhankelijk psychiater ontbrak, slaagt (zie r.o. 3.1 en 3.4, hiervoor onder 2.7 geciteerd).
3.8
Uit dit oordeel van de Hoge Raad vloeit mijns inziens voort dat de rechtbank na terugwijzing ervan moest uitgaan dat de medische verklaring van 6 december 2023 ten tijde van de beslissing van de rechtbank op 21 juni 2024 niet actueel was. [14] In de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit miskend door alsnog te beoordelen of de medische verklaring op 21 juni 2024 actueel was. Een dergelijke beoordeling was na cassatie en terugwijzing gelet op voornoemd oordeel van de Hoge Raad echter een gepasseerd station.
3.9
Nu de medische verklaring op 21 juni 2024 niet voldeed aan de wettelijke vereisten kon de rechtbank na terugwijzing mijns inziens niet anders dan afwijzend beslissen op het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging voor de resterende termijn van zes maanden, tot en met 29 december 2024. [15]
3.1
Achteraf beschouwd zou de vraag gesteld kunnen worden of de Hoge Raad deze zaak in de vorige cassatieprocedure wellicht niet beter zelf had kunnen afdoen. [16] Door de terugwijzing heeft de rechtbank haar taak kennelijk ruimer opgevat dan deze mijns inziens was. Daarbij steek ik de hand in eigen boezem, omdat mijn conclusie in de vorige cassatieprocedure ook al had kunnen strekken tot zelf afdoen door de Hoge Raad. Ik ondersteun dan ook de aandacht die mijn ambtsgenoot A-G Drijber heeft gevraagd voor de vraag of de Hoge Raad in zaken als hier aan de orde, waarin sprake is van een niet met terugwerkende kracht voor herstel vatbaar gebrek, de zaak niet beter zelf kan afdoen. [17]
3.11
Bij deze stand van zaken behoeft
subonderdeel 1.2geen bespreking. Dit subonderdeel ziet immers slechts op de situatie waarin de rechtbank na terugwijzing nog wel had kunnen beoordelen of de medische verklaring op 21 juni 2024 actueel was. Van deze situatie is echter geen sprake, zoals hiervoor bleek.
Slotsom
3.12
Nu subonderdeel 1.1 slaagt, kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Mijns inziens kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging voor de resterende duur van zes maanden, tot en met 29 december 2024, af te wijzen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 11 juni 2025 van de rechtbank Limburg en tot afdoening als vermeld onder 3.12.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Feiten en procesverloop zijn ontleend aan de bestreden beschikking van de rechtbank Limburg van 11 juni 2025 (ECLI:NL:RBLIM:2025:5600), tenzij anders aangegeven.
4.Dit proces-verbaal is mij ambtshalve bekend, omdat ik ook de conclusie in de vorige cassatieprocedure in deze zaak heb genomen (conclusie van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1410).
6.Bij de Hoge Raad bekend onder zaaknr. 24/03501.
7.Conclusie van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1410.
8.HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:726,
9.Voetnoot in citaat: “HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.2; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:191, rov. 3.2.1”.
10.Voetnoot in citaat: “Zie ook HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:885, rov. 3.5”.
11.Zo ook aangeduid in de bestreden beschikking, r.o. 2.4.
13.HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1318,
14.Vgl. ook mijn conclusie van 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1410, onder 3.18. Vgl. ook G.J. Baken, ‘Kroniek verplichte zorg’,
15.Zo ook Westenberg in zijn
16.Vgl. HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1318,
17.Zie A-G Drijber in zijn conclusie van 23 mei 2025, ECLI:PHR:2025:581, onder 3.13, gevolgd door HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1318,