Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:467

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/01146
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 sub a EVRMArt. 65 SvArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen inzake medeplegen poging doodslag en poging afpersing

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens deelneming aan een criminele organisatie, poging tot afpersing in vereniging, medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van poging tot zware mishandeling. Het hof heeft tevens de gevangenneming van de verdachte bevolen met ingang van de datum van het arrest.

In het cassatieberoep klaagt de verdediging dat het hof de tenlastelegging heeft verlaten door de poging tot medeplegen van doodslag te kwalificeren als medeplegen van poging tot doodslag, en dat het hof bij de poging tot afpersing gedragingen van medeverdachten heeft betrokken die niet in de tenlastelegging stonden. Tevens wordt geklaagd over de motivering en het horen van de verdachte bij het bevel tot gevangenneming.

De procureur-generaal stelt dat de middelen falen. Het hof heeft de tenlastelegging niet onrechtmatig verlaten, maar deze juist in lijn met de inhoud en strekking daarvan uitgelegd. De kwalificaties en bewijsvoering zijn voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. Het bevel tot gevangenneming is gegrond en de verdachte heeft geen belang bij nadere bespreking van de klachten daarover. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; zes jaar gevangenisstraf en gevangenneming gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01146
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001808-21) wegens
- het in de zaak met parketnummer 03-702610-15 onder 1 bewezen verklaarde feit: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”,
- het in de zaak met parketnummer 03-702610-15 onder 2 bewezen verklaarde feit: “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”,
- het in de zaak met parketnummer 03-702610-15 onder 3 bewezen verklaarde feit: “medeplegen van poging tot doodslag” en
- het in de zaak met parketnummer 03-702639-17 onder 1 bewezenverklaarde feit: “medeplegen van poging tot zware mishandeling”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de gevangenneming van de verdachte bevolen met ingang van de datum van het arrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280 en 25/01148. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend [1] , vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, doordat het hof ten onrechte de (in de zaak met parketnummer 03-702610-15) onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde poging tot medeplegen van doodslag heeft gekwalificeerd als medeplegen van poging tot doodslag en daarop de strafoplegging heeft gebaseerd.
2.2
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-702610 onder 3 primair ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 7 mei 2015 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, door (met geschoeide voet) (met kracht) die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (telkens) op en/of tegen het hoofd te schoppen en/of trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(…)”
2.3
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 7 mei 2015 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, door met geschoeide voet met kracht die [slachtoffer 1] meermalen op en/of tegen het hoofd te schoppen en/of trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
2.4
Het hof heeft ten aanzien van dit feit verder overwogen:
“Aan de verdachte is ter zake van het gepleegde feit bij de ‘ [café A] ’ – anders dan aan de meerderheid van de daarbij betrokken medeverdachten – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] . Dat medeplegen van die poging tot doodslag zou eruit hebben bestaan dat de verdachte, nadat [slachtoffer 1] reeds meerdere malen door [medeverdachte 1] tegen onder meer het hoofd is geslagen, op het hoofd van [slachtoffer 1] is gesprongen en geland met zijn voeten.
Het hof zal de feiten vaststellen, mede gebaseerd op de waarnemingen die het hof ter terechtzitting heeft gedaan van de camerabeelden en die gelijkluidend zijn aan de waarnemingen van de rechtbank.
[medeverdachte 1] nodigt op sarcastische wijze [slachtoffer 1] uit om zijn brother [betrokkene 1] te hulp te komen, terwijl hij de weg voor [slachtoffer 1] blokkeert. Nog voor [slachtoffer 1] bij [betrokkene 1] in de buurt is, start [medeverdachte 1] het geweld tegen [slachtoffer 1] door hem meerdere keren tegen het hoofd te slaan. [slachtoffer 1] wijkt daarop in gebogen houding achteruit, duidelijk aangeslagen. Vervolgens wordt [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] in de nek geslagen, waarbij ook [medeverdachte 2] zich niet onbetuigd laat. Hierdoor valt [slachtoffer 1] over de terrasafscheiding op de grond, tussen een motor en het café. [medeverdachte 1] slaat nog een keer en trapt vervolgens meerdere keren, over de terrasafscheiding heen, op de benen van [slachtoffer 1] . Op dat moment komt de verdachte aangerend. Hij springt en landt op het hoofd van [slachtoffer 1] , dat naar de grond beweegt en weer omhoog komt. [medeverdachte 2] duwt vervolgens de motor die naast [slachtoffer 1] staat om richting [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] is inmiddels met een been over de terrasafscheiding heen gestapt en stampt meerdere malen met zijn voet op [slachtoffer 1] .
Aangezien [slachtoffer 1] op een bepaald moment deels buiten zicht van de camerabeelden ligt, is niet te zien hoe en waar [medeverdachte 1] en de verdachte [slachtoffer 1] raken, nadat de verdachte boven op het hoofd van [slachtoffer 1] is gesprongen. Echter, wel is duidelijk dat zowel [medeverdachte 1] als de verdachte nog steeds trappende/stampende bewegingen maken. Het hof ziet, met de rechtbank, geen aanleiding om te veronderstellen dat die bewegingen niet tegen [slachtoffer 1] waren. Daarvoor ziet zij ook steun in de opgenomen gesprekken in de auto van [medeverdachte 3] na afloop. Zo vertelde de verdachte zelf dat hij de persoon die door [medeverdachte 1] over het terrasschot werd geslagen ‘flink te pakken’ heeft gehad en die ‘op zijn kop (heeft) staan stampen.’ [medeverdachte 3] vertelde op verschillende momenten, hoe hij [medeverdachte 1] te keer zag gaan en die persoon schopte, trapte en in het Spaans uitschold.
De verdediging heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen sprake was van medeplegen.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het betreffende gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma; Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973 en HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2855). Voorwaardelijk opzet kan uit omstandigheden waaronder het gedrag plaatsvond worden afgeleid. Het opzet op de dood kan tevens besloten liggen in de aard van de gedraging (vgl. HR 23 juli 1937, NJ 1938/869).
Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is en dat het uitoefenen van geweld op het hoofd levensbedreigende situaties c.q. de dood tot gevolg kan hebben. Naar het oordeel van het hof levert het springen danwel stampen op het hoofd van een persoon een aanmerkelijke kans op de dood op. Dat geldt te meer in een geval als dit waarin aangever met zijn hoofd bijna op de straat lag op het moment dat de verdachte met een geschoeide voet op het hoofd van aangever sprong, waardoor het hoofd op de straat stuiterde. Bij een dergelijke geweldsinwerking op het hoofd, die ook nog voorafgegaan en gevolgd werd van meerdere klappen danwel trappen op het hoofd, is de aanmerkelijke kans enkel groter dat het slachtoffer hersenletsel oploopt waardoor hij komt te overlijden. Naar het oordeel van het hof is de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte zodanig gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat de verdachte het gevolg bewust heeft aanvaard. Het hof overweegt daarenboven dat de verdachte heeft gezegd dat het schot dat de vechtpartij eindigde net op tijd kwam, omdat je hem ‘anders (...) dood stampt’. Gezien het tot dat moment uitgeoefende geweld, acht het hof deze uitspraak van de verdachte alles behalve grootspraak.
Met betrekking tot het medeplegen van de poging tot doodslag stelt het hof voorop dat de kwalificatie medeplegen alleen gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen is van belang dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193). Met betrekking tot het medeplegen dient uit de bewijsvoering te volgen dat er zodanig bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het hof heeft reeds vastgesteld dat aangever reeds meerdere klappen en trappen had gekregen van [medeverdachte 1] , op het moment dat de verdachte op het hoofd van [slachtoffer 1] sprong danwel stampte waarna hij [slachtoffer 1] meerdere malen op het hoofd heeft getrapt. Hiermee heeft de verdachte zich bij de geweldplegingen jegens [slachtoffer 1] aangesloten, terwijl [medeverdachte 1] na het op het hoofd springen c.q. stampen door de verdachte ook is doorgegaan met het trappen van [slachtoffer 1] . Hiermee is er naar het oordeel van het hof een gezamenlijke uitvoering geweest, althans is minst genomen sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Aldus heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag jegens aangever [slachtoffer 1] .”
2.5
Het hof heeft het bewezen verklaarde als volgt gekwalificeerd:
“medeplegen van poging tot doodslag.”
2.6
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag tijdens de openlijke geweldpleging op 7 mei 2015 bij [café A] . Daarbij nam de verdachte een aanloop en sprong hij met kracht op het hoofd van het slachtoffer, dat daardoor tegen en van de grond stuiterde. Vervolgens trapten de verdachte en zijn medeverdachte nog meermalen op het op de grond liggende slachtoffer. Het slachtoffer had geen mogelijkheid om te vluchten en de verdachte en zijn medeverdachte stopten pas met trappen nadat er vanuit [café A] een schot werd gelost. Dat het slachtoffer geen ernstiger letsel heeft opgelopen, is niet aan de verdachte en zijn medeverdachte te danken. De poging tot doodslag vond plaats in het kader van de territoriumdrift van het [plaats] chapter van Bandidos en hun vijandigheid tegen de Hells Angels . Bovendien was er sprake van slachtoffers die zonder enige aanleiding daartoe werden mishandeld door een veel grotere groep
in colorsgeklede leden van de [plaats] Bandidos .”
2.7
Het ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2025 voorgedragen requisitoir van de advocaat-generaal houdt over dit feit – voor zover hier van belang en met weglating van voetnoten – in:
“Dan is nog de vraag of het gedrag van [verdachte] een poging doodslag of poging zware mishandeling oplevert. Net als de rechtbank meen ik dat sprake is van een in vereniging gepleegde poging doodslag. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 1] op [slachtoffer 1] gestampt en daarbij in ieder geval zijn hoofd geraakt. Dat niet alles op de beelden is te zien vanwege het feit dat [slachtoffer 1] op enig moment buiten het beeld van de camerabeelden ligt maakt niet uit. Op de beelden was te zien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] nog steeds trappende/stampende bewegingen maakten en uit de OVC-gesprekken leid ik af dat die kennelijk gericht zijn geweest op het hoofd van [slachtoffer 1] .
(…)
[verdachte] heeft tijdens het incident bij [café A] het meest ernstige feit gepleegd: een in vereniging gepleegde poging doodslag.”
2.8
Tijdens diezelfde terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die – voor zover hier van belang – inhoudt:

(parketnummer 03/702610-15, feit 3.primair/subsidiair/meer subsidiair:)
Zaakdossier 9: ‘ [café A] ’
Primair poging doodslag: verzoek tot vrijspraak
(…)
Medeplegen? Nee
Maar allereerst wordt verzocht cliënt partieel vrij te spreken ten aanzien van het verweten medeplegen (zowel in de primaire als subsidiair tenlastegelegde variant).
In de verfeitelijking van de tenlastelegging is opgenomen dat er meermalen of eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] zou zijn getrapt. Kortom: enkel het (vermeende) handelen van cliënt (en niet van anderen) wordt hier beschreven.
Er was echter géén nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] ten aanzien van die bedoelde handelingen (de enkele trap of meerdere trappen), waardoor medeplegen niet kan worden aangenomen. En er was géén gezamenlijke uitvoering.”
2.9
Blijkens voormeld proces-verbaal van de terechtzitting heeft zich verder het volgende voorgedaan – voor zover hier relevant:
“De advocaat-generaal voert andermaal het woord:
(…)
Ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot doodslag is onder andere aangevoerd dat er geen sprake zou zijn van medeplegen, omdat het schoppen/trappen door [medeverdachte 1] niet in de tenlastelegging zou staan. Ik begrijp de tenlastelegging op een andere manier. Ik denk wel dat het schoppen/trappen door [medeverdachte 1] in de tenlastelegging is opgenomen. Zij wisten van elkaar dat ze los aan het gaan waren op het slachtoffer. Dat deden zij tegelijkertijd en wat mij betreft ook met elkaar. Van belang is wat er op de randen van de camerabeelden is te zien. Er is gesproken over springen, maar ik heb aangegeven dat het gaat om springend trappen. Pas daarna is [medeverdachte 1] losgegaan. Wanneer de bijdrage van de verdachte tot dat handelen beperkt zou zijn, is het lastig om te spreken van medeplegen. De verdachte is echter gewoon doorgegaan met trappen, tegelijkertijd met [medeverdachte 1] . Daarom is er sprake van medeplegen.
(…)
De raadsman voert andermaal het woord:
(…)
Met betrekking tot het medeplegen met [medeverdachte 1] ten aanzien van de poging tot doodslag is het van belang dat wat er niet is, er ook niet is. Het letsel ontbreekt. (…)
Zelfs wanneer het hof oordeelt dat er sprake zou zijn van een poging tot doodslag, dan moet daar een andere en lagere straf voor volgen.”
2.1
Het middel stoelt op het standpunt dat ten laste is gelegd een poging tot het medeplegen van doodslag, dat het hof dit feit ook zo heeft bewezen verklaard maar vervolgens ten onrechte heeft gekwalificeerd als het medeplegen van een poging tot doodslag. Door het feit als zodanig te kwalificeren en ook van die kwalificatie uit te gaan in diens bewijsoverwegingen en strafmaatoverwegingen, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten, zo voert het middel aan. De verdachte heeft belang bij deze klacht, omdat deze onjuiste kwalificatie in strafverzwarende zin zal hebben doorgewerkt in de straftoemeting, aldus de steller van het middel. Daartoe wordt betoogd dat “poging tot medeplegen minder strafwaardig is dan poging tot medeplegen” (ik neem aan dat wordt bedoeld dat een poging tot medeplegen minder strafwaardig is dan het medeplegen van een poging), omdat een poging tot medeplegen in de regel in een verder verwijderd verband staat tot het voltooide delict dan het medeplegen van een poging.
2.11
Daarin volg ik de steller van het middel niet. Zoals De Hullu en Van Kempen schrijven, zal een poging tot medeplegen in de regel neerkomen op het medeplegen van de poging, omdat het medeplegen dicht bij het plegen staat. Zij noemen als voorbeeld de inbraak in vereniging die in de pogingsfase blijft steken: dan is zowel sprake van een poging tot medeplegen als van het medeplegen van een poging. In bepaalde gevallen kan dat anders zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin degene die wil medeplegen te laat komt of niet meer mee mag doen en wordt weggestuurd bij de uitvoering van het strafbare feit dat uiteindelijk niet wordt voltooid. Dan kan bezwaarlijk worden gesproken van het medeplegen van een poging. [2]
2.12
In de voorliggende zaak heeft het hof over het geweldsincident bij [café A] vastgesteld dat de aangever eerst meerdere klappen en trappen kreeg van de [medeverdachte 1] , waarna de verdachte kwam aanrennen en op het hoofd van de aangever sprong en aansluitend nog meerdere malen tegen de verdachte trapte, samen met de [medeverdachte 1] . Het hof heeft daaruit afgeleid dat minst genomen sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Tegen deze achtergrond meen ik dat het hof het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit heeft kunnen uitleggen als het medeplegen van een poging tot doodslag, zonder daarmee de grondslag van de tenlastelegging te verlaten. [3] De grondslagleer staat de rechter toe aan de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg te geven die met de bewoording ervan niet letterlijk overeenstemt, mits die uitleg met die bewoording niet onverenigbaar en ook overigens niet onbegrijpelijk is alsmede ook voor de andere procesdeelnemers duidelijk is. [4] In dat verband merk ik op dat het in de onderhavige zaak voor de verdachte, gelet op hetgeen door zowel de advocaat-generaal als zijn eigen raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, duidelijk moet zijn geweest dat de ten laste gelegde poging betrekking had op de doodslag en niet op het medeplegen en het aldus ging om het medeplegen van een poging doodslag. [5] Dat lag ook voor de hand gelet op hetgeen de verdachte subsidiair en meer subsidiair ten laste was gelegd, namelijk het medeplegen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en openlijke geweldpleging.
2.13
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, doordat het hof ten onrechte bij de (in de zaak met parketnummer 03-702610-15) onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde poging tot afpersing in vereniging ook gedragingen van medeverdachten heeft betrokken en daarop de strafoplegging heeft gebaseerd.
3.2
Aan de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-702610-15 onder 2 ten laste gelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2014 tot en met 23 maart 2015, in elk geval op 23 maart 2015 in de gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van 350.000 euro en/of 50.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) (-zakelijk weergegeven-) in de periode van 8 juli 2014 tot 23 maart 2015 - meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] en/of [betrokkene 2] gebeld en/of gezegd dat die [slachtoffer 2] en/of [betrokkene 2] een geldbedrag moest(en) betalen en/of
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte, bij de Bandidos zou zitten en wel langs zouden komen en/of
- die [slachtoffer 2] een boete van 50.000 euro opgelegd en/of tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij een groot probleem had en/of
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: “Dan kom ik jou wel zoeken vriend. Goed? Dan doen we het zo. Als jij niet wilt praten. Als jij niet gewoon netjes met mij aan tafel wil gaan zitten dan gaan we het op een andere manier doen” en/of
- met die [slachtoffer 2] een afspraak gemaakt bij de McDonald’s te [plaats] en/of
(vervolgens)
op 23 maart 2015 aldaar
- zich in het zichtveld van die [slachtoffer 2] gesitueerd en/of gezeten en/of (vervolgens) met zijn (verdachtes) gezicht dicht bij het gezicht van die [slachtoffer 2] gezeten en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 2] gezegd (-zakelijk weergegeven-):
- “ik kom uit Zuid-Amerika, normaal zou ik je hele familie afknallen voor deze shit” en/of
- “ik wil jouw toko met alles en iedereen in de fik steken”,
althans (telkens) woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
3.3
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 8 juli 2014 tot en met 23 maart 2015 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n),
hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachten (-zakelijk weergegeven-) in de periode van 8 juli 2014 tot 23 maart 2015
- die [slachtoffer 2] en/of [betrokkene 2] gebeld en gezegd dat die [slachtoffer 2] en een geldbedrag moest betalen en
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij bij de Bandidos zou zitten en wel langs zouden komen en
- die [slachtoffer 2] een boete van 50.000 euro opgelegd en tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij een groot probleem had en
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: “Dan kom ik jou wel zoeken vriend. Goed? Dan doen we het zo. Als jij niet wilt praten. Als jij niet gewoon netjes met mij aan tafel wil gaan zitten dan gaan we het op een andere manier doen” en
- met die [slachtoffer 2] een afspraak gemaakt bij de McDonald’s te [plaats] en
(vervolgens)
op 23 maart 2015 aldaar
- zich in het zichtveld van die [slachtoffer 2] gesitueerd en gezeten en (vervolgens) met zijn (verdachtes) gezicht dicht bij het gezicht van die [slachtoffer 2] gezeten en (vervolgens) tegen die [slachtoffer 2] gezegd (-zakelijk weergegeven-):
- “ik kom uit Zuid-Amerika, normaal zou ik je hele familie afknallen voor deze shit” en
- “ik wil jouw toko met alles en iedereen in de fik steken”,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
3.4
Het hof heeft ten aanzien van dit feit verder overwogen:
“De verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] af te persen.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof, grotendeels met de rechtbank, het volgende vast.
Op 8 juli 2014 werd [slachtoffer 2] gebeld door [medeverdachte 3] . Zijn vriendin [betrokkene 2] nam op. [medeverdachte 3] heeft tegen haar gezegd dat [slachtoffer 2] hen bedreigd zou hebben en dat hij daarom een bedrag van € 10.000,00 moet betalen. In de zomer van 2014 heeft ook de verdachte contact opgenomen met [slachtoffer 2] . Hij heeft aan [slachtoffer 2] medegedeeld dat hij lid is van motorclub Bandidos , dat hij boos is omdat [slachtoffer 2] tegen zijn vrouw heeft gescholden en [slachtoffer 2] een boete opgelegd krijgt van € 50.000,00. [slachtoffer 2] zou een groot probleem hebben. Op 11 juli 2014 heeft [slachtoffer 2] een melding gemaakt in verband met een bedreiging door [medeverdachte 3] . Vervolgens bleef het – kennelijk op advies van [medeverdachte 1] – een half jaar stil.
Op 9 maart 2015 heeft [medeverdachte 3] met de verdachte besproken dat hij gaat proberen om de man van de schuttingen (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) te bereiken. Op 20 maart 2015 vond er in de auto van [medeverdachte 3] een telefoongesprek plaats waarin deze zei dat hij wilde praten over de bedreigingen van zijn familie. Hij zei daarbij onder andere: ‘Nee, dan kom ik jou wel zoeken vriend. Goed? Dan doen we het zo. Als jij niet wilt pra ... Als jij niet gewoon netjes met mij aan de tafel wil gaan zitten dan gaan we het op een andere manier doen.' Uiteindelijk werd een afspraak gemaakt met [slachtoffer 2] om elkaar op maandagavond 23 maart 2015 om 20.00 uur te ontmoeten bij de McDonald’s in [plaats] .
Op 23 maart 2015 omstreeks 19.45 uur reed [medeverdachte 3] met [medeverdachte 4] – via [plaats] om de verdachte op te halen – naar [plaats] . In de auto praatte [medeverdachte 3] [medeverdachte 4] bij over het conflict met [slachtoffer 2] , de schuttingbouwer en de bedoeling van de ontmoeting, namelijk de betaling van € 25.000.00 binnen 48 uur. In hetzelfde gesprek werd – nadat de verdachte was opgehaald – ook besproken hoe [slachtoffer 2] zal worden benaderd. Op de camerabeelden van de McDonald's is vervolgens gezien dat tijdens de betreffende ontmoeting [slachtoffer 2] eerst werd toegesproken door de verdachte en [medeverdachte 3] , waarbij zij veelvuldig in [slachtoffer 2] zijn richting hebben gewezen. [medeverdachte 4] zat aanvankelijk bij een tafeltje gesitueerd in het gezichtsveld van [slachtoffer 2] en voegde zich op enig moment ook in het gesprek, waarbij hij zeer dicht bij het gezicht van [slachtoffer 2] is gekomen. Uit de OVC-gesprekken die na de ontmoeting hebben plaatsgevonden, kan worden afgeleid dat [medeverdachte 4] tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd: ‘Ik kom uit Zuid-Amerika, normaal zou ik je hele familie afknallen voor deze shit’ en ‘Ik wil jouw toko met alles en iedereen in de fik steken.’ Dat deze bewoordingen zijn geuit, wordt naar oordeel van het hof bevestigd door de verklaring van getuige [betrokkene 2] dat [slachtoffer 2] die avond tegen haar heeft gezegd dat hij moest gaan betalen en er anders een huurmoordenaar kwam en dat deze huurmoordenaar ook binnen bij de McDonald’s was.
Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] , de verdachte en [medeverdachte 4] in de periode van 8 juli 2014 tot en met 23 maart 2015 tezamen en in vereniging – te weten in een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering – hebben geprobeerd om [slachtoffer 2] af te persen.”
3.5
Het hof heeft het bewezen verklaarde feit als volgt gekwalificeerd:
“poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.”
3.6
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“Verder heeft de verdachte samen met anderen een schuttingbouwer proberen af te persen voor duizenden euro’s. Na een conflict over een geplaatste schutting en vermeende bedreigingen van de schuttingbouwer tegen de vrouw van [medeverdachte 3] toen de betaling van de schutting uitbleef, werd een afspraak gemaakt bij de McDonald’s in [plaats] . Daar werd aan de schuttingbouwer op zeer intimiderende wijze een zogenaamde boete opgelegd voor veronderstelde bedreigingen aan het adres van de vrouw en kinderen van [medeverdachte 3] . Uit de verklaringen van de schuttingbouwer en zijn partner blijkt dat zij grote angsten hebben uitgestaan en oprecht gedacht hebben dat de schuttingbouwer oog in oog had gestaan met zijn huurmoordenaar.”
3.7
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft ter terechtzitting van 27 januari 2025 zich – voor zover hier relevant – het volgende voorgedaan:
“De voorzitter deelt het volgende mede:
De verdachte heeft zich ten aanzien van zaakdossier 3 op zijn zwijgrecht beroepen. In eerste aanleg heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de poging tot afpersing van [slachtoffer 2] , niet [betrokkene 2] , tot een bedrag van € 25.000,00.
Wat zijn de bezwaren van de verdachte ten aanzien van zaakdossier 3?
De raadsman deelt desgevraagd mede dat de verdachte het niet eens is met de strafmaat en de verdediging geen behoefte heeft aan bespreking van de feiten met betrekking tot zaakdossier 3.
De voorzitter deelt mede:
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] in de periode van 8 juli 2014 tot en met 23 maart 2015. Gelet op het standpunt van de verdediging zal ik de bewijsmiddelen van de rechtbank niet bespreken.
Desgevraagd delen de advocaat-generaal en de raadsman mede dat zaakdossier 3 voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd.”
3.8
De tijdens deze terechtzitting voorgedragen pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt – voor zover hier van belang – in:
“Voor wat betreft de
poging tot afpersingvan [slachtoffer 2] (
feit 2.), zou de verdediging zich een bewezenverklaring door uw Hof van het betreffende feitencomplex nog wel voor kunnen stellen. Alsook dat uw College tot een bewezenverklaring van het door client medeplegen hiervan zult kunnen komen.
(…)
(parketnummer 03/702610-15, feit 2.): medeplegen poging afpersing ‘ [slachtoffer 2] ’ en/of ‘ [betrokkene 2] ’
In de periode 8 juli 2014 tot en met 23 maart 2015 zou client gepoogd hebben om [slachtoffer 2] en [betrokkene 2] af te persen door hen te dwingen een bedrag ad
‘€ 350.000 en/of € 50.000’te betalen.
De rechtbank heeft cliënt hiervoor destijds, als medepleger van, veroordeeld.
(…)”
3.9
Het middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Daartoe wordt aangevoerd dat een poging van afpersing in vereniging ten laste is gelegd en het hof dit ook zo heeft bewezen verklaard en gekwalificeerd, maar bij de bewijsvoering en de straftoemeting ten onrechte het feit van medeplegen van poging tot afpersing voor ogen heeft gehad. De steller van het middel wijst in dat kader op:
- de uitvoeringshandelingen van de [medeverdachte 3] en de [medeverdachte 4] die in de bewezenverklaring expliciet onder de door de verdachte zelfstandig gepleegde poging zijn gebracht,
- de bewijsoverweging dat “ [medeverdachte 3] , de verdachte en [medeverdachte 4] (…) tezamen en in vereniging – te weten in een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering – hebben geprobeerd om [slachtoffer 2] af te persen”, en
- de strafmaatoverweging van het hof dat “de verdachte samen met anderen een schuttingbouwer [heeft] proberen af te persen”.
De steller van het middel betoogt dat het hof tot de oplegging van een lagere straf zou zijn gekomen als de grondslag van de tenlastelegging zou zijn gevolgd.
3.1
Vooropgesteld zij dat het uit het bestreden arrest – anders dan het middel stelt – niet met zoveel woorden volgt dat het hof bij de kwalificatie is uitgegaan van poging tot medeplegen van afpersing. Het hof heeft het feit gekwalificeerd als “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”. Deze wijze van kwalificatie houdt verband met de strafverzwarende omstandigheid “indien het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” als bedoeld in art. 317 lid 3 Sr Pro jo. art. art. 312 lid Pro 2, onder 2, Sr en kan mijns inziens zowel een poging tot medeplegen van afpersing omvatten als het medeplegen van een poging tot afpersing.
3.11
Uit de hiervoor bedoelde bewijs- en strafmaatoverwegingen van het hof leid ik af dat het hof in dit geval het ten laste gelegde heeft geïnterpreteerd als het medeplegen van poging tot afpersing. Dat het hof de tenlastelegging als zodanig heeft verstaan komt mij allerminst onbegrijpelijk voor. De vaststellingen van het hof houden immers (onder meer) in dat de verdachte samen met twee medeverdachten naar een afspraak met de aangever is gegaan en samen met hen heeft geprobeerd de aangever te overreden om geld te betalen. Deze door het hof voorgestane uitleg van de tenlastelegging kan de procespartijen niet hebben verrast. Blijkens het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de voorzitter namelijk medegedeeld dat de rechtbank in eerste aanleg heeft bewezenverklaard dat de verdachte “zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing”. Voorts wijs ik op de pleitnota van de raadsman van de verdachte, waarin het feit ook wordt omschreven als “medeplegen poging afpersing”. Van grondslagverlating is, kortom, geen sprake. Ik verwijs in dat kader naar mijn overwegingen bij de bespreking van het eerste middel (randnummer 2.12).
3.12
Nu het hof de verdachte als medepleger heeft aangemerkt, kan hij ook aansprakelijk worden gehouden voor de gedragingen van de medeplegers. Het stond het hof dus vrij om de bedoelde uitvoeringshandelingen van de [medeverdachte 3] en de [medeverdachte 4] in de bewezenverklaring te betrekken.
3.13
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het middel klaagt dat het hof (i) ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen bij einduitspraak en (ii) de verdachte niet heeft gehoord alvorens de gevangenneming te bevelen.
4.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2025 en het bestreden arrest van die datum blijkt dat het hof op die zitting de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd in een bevel gevangenneming [6] , dat als volgt luidt:
“Bij arrest van heden, 28 maart 2025, onder voormeld parketnummer, wordt de verdachte veroordeeld ter zake van – kort weergegeven – deelneming aan een criminele organisatie, het medeplegen van een poging tot afpersing, het medeplegen van een poging tot doodslag en het medeplegen van een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.
Het is voor de samenleving onacceptabel indien de verdachte jegens wie ter zake de bewezenverklaarde feiten aldus ernstige bezwaren bestaan alsmede aan wie een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren is opgelegd, niet onverwijld in voorlopige hechtenis zou worden genomen en gehouden. Wanneer dat niet zou gebeuren zou dat tot maatschappelijke onrust kunnen leiden. Het hof oordeelt dat er ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachte ter zake van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door deze feiten is geschokt.
De vrijheidsbeneming van de verdachte komt behalve ter afwending van een ernstig geschokte rechtsorde te rusten op artikel 5 lid 1 sub a van Pro het EVRM. Dat betekent dat niet zonder meer van kracht is het recht van de verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu die berechting door een daartoe bevoegde rechter heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft ambtshalve de persoonlijke belangen van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, gewogen tegen de strafvorderlijke belangen. Gezien het vorenstaande en de duur van de op te leggen straf, acht het hof de strafvorderlijke belangen van zwaarder gewicht.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de gevangenneming van de verdachte bevelen met ingang van heden.
Het hof heeft daarbij gelet op de artikelen 65, 66, 67, 67a en 75 van het Wetboek van Strafvordering.”
4.3
Ik meen dat een bespreking van deze klachten achterwege kan blijven, nu het daartoe vereiste belang ontbreekt. Indien de Hoge Raad mijn conclusie dat de overige voorgestelde middelen niet slagen volgt en het cassatieberoep verwerpt, zal op grond van art. 6:2:2, aanhef en onder a, Sv de door het hof opgelegde gevangenisstraf ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. [7]

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard.
2.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
3.Zie ook de conclusie van A-G Knigge van 29 mei 2012 vóór HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4293,
4.HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095,
5.Vgl. randnr. 6 van de conclusie van A-G Machielse van 20 oktober 1998, ECLI:NL:PHR:1998:ZD3926 (niet-gepubliceerd) (vóór HR 8 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD3926: art. 81 lid 1 RO Pro (niet-gepubliceerd)) en randnr. 4.5 van de conclusie van A-G Knigge van 3 september 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1579 (niet-gepubliceerd) (vóór HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1935: art. 81 lid 1 RO Pro (niet-gepubliceerd)).
6.Blijkens de ‘akte cassatie’ is op 31 maart 2025 beroep in cassatie ingesteld tegen “het arrest van 28 maart 2025, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen”. Daaruit vloeit voort dat ook cassatieberoep is ingesteld tegen het bevel gevangenneming.
7.Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369, HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1662,