Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:468

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/01148
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddel in zaak deelneming criminele organisatie en openlijke geweldpleging

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot twintig maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en openlijke geweldpleging in vereniging. Het cassatieberoep is ingesteld tegen de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging in vereniging, met de klacht dat de bijdrage van de verdachte niet significant of wezenlijk was en dat het opzet ontbrak.

De advocaat van de verdachte heeft een middel ingediend, maar zonder nadere toelichting, ondanks de mogelijkheid daartoe. De procureur-generaal stelt dat het middel niet voldoet aan de vereisten van art. 437 lid 2 Sv Pro, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevat over de schending van rechtsregels of motiveringsgebreken.

De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is geen sprake van een geldig cassatiemiddel, en zonder nadere toelichting is het middel kansloos. In samenhang met andere zaken wordt eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid waar geen middelen zijn ingediend.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldig cassatiemiddel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01148
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001769-21) wegens 1. “als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 03-702646-17 onder feit 1 bewezen verklaarde feit, welk feit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen, bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van een week.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend [1] , vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. In de toelichting bij het middel staat vermeld dat de toelichting op korte termijn wordt aangevuld. Nadere schriftelijke toelichtingen kunnen ter rolzitting worden overgelegd dan wel tot aan de dag voor de rolzitting worden ingediend (art. 4.3.9.2 Procesreglement). Op 10 februari 2026 heeft de Hoge Raad de steller van het middel bericht dat de eerste zitting (de rechtsdag) in de onderhavige zaak zou plaatsvinden op 24 maart 2026 van dit jaar. Tot op heden is geen toelichting op het cassatiemiddel bij de Hoge Raad binnengekomen.

2.Het middel

2.1
Het middel komt op tegen de in de zaak met parketnummer 03-702616-15 onder 2 bewezen verklaarde openlijke geweldpleging in vereniging en bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat het geweld ‘in vereniging’ is gepleegd als bedoeld in art. 141 Sr Pro, in die zin dat de verdachte daaraan een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd, noch dat het opzet van de verdachte op dat geweld was gericht.
2.2
Onder het kopje “Toelichting” worden de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof geciteerd en is een verwijzing opgenomen naar de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij wordt verder opgemerkt dat het hof:
- aan zijn beslissing het juiste juridisch kader ten grondslag heeft gelegd en het middel daarover niet klaagt;
- heeft vastgesteld dat de verdachte geen feitelijke geweldshandelingen heeft gepleegd.
Vervolgens wordt in de toelichting de kern van het middel herhaald, namelijk dat uit de bewijsvoering niet genoegzaam kan blijken dat de bijdrage van de verdachte aan het door de medeverdachten gepleegde geweld significant of wezenlijk was dat die bijdrage de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte dit geweld ‘in vereniging’ heeft gepleegd. De toelichting houdt tot slot in dat deze op korte termijn zal worden aangevuld. Zoals gezegd is deze nadere toelichting niet binnengekomen.
2.3
Als een cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv Pro kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [2] Dat houdt in dat het cassatiemiddel dient aan te geven waarom de door het hof gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn. [3]
2.4
De in het middel neergelegde klachten dat (i) de significante of wezenlijke bijdrage en (ii) het opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering van het hof kan blijken, worden in de schriftuur niet nader geëxpliciteerd. De opmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen feitelijke geweldshandelingen heeft gepleegd lees ik niet als een specificatie van de klacht dat de verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd, maar lijkt mij een onderdeel van de in de toelichting opgenomen uiteenzetting van het bestreden oordeel van het hof. Daarbij acht ik van belang dat het staande rechtspraak [4] is dat de voor art. 141 Sr Pro vereiste significante of wezenlijke bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn en het middel uitdrukkelijk niet klaagt over (de juistheid van) het juridisch kader dat het hof heeft gehanteerd. Het middel bedoelt dus kennelijk te klagen dat de (niet-gewelddadige) handelingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als een significante of wezenlijke bijdrage, maar daarover houdt de schriftuur verder niets in. Datzelfde geldt voor de klacht dat het opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering volgt.
2.5
Bij gebrek aan een nadere toelichting meen ik dat de voorgestelde klachten niet voldoen aan de vereiste mate van duidelijkheid en dat derhalve geen sprake is van een cassatiemiddel als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv Pro. [5] Mocht de Hoge Raad daar anders over denken dan meen ik dat het middel zonder nadere toelichting evident kansloos is en om die reden geen behandeling in cassatie rechtvaardigt.

3.Slotsom

3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard.
2.Zie o.a. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, HR 19 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1171 en HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2434,
3.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
4.Zie o.a. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
5.Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1451 en de daaraan voorafgaande conclusie van (destijds plv.) A-G Van Wees (ECLI:NL:PHR:2024:653).