Conclusie
Nummer 24/03406
Inleiding
poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest). Ook heeft het hof een in beslag genomen mes verbeurdverklaard, beslist over de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het eerste en het tweede middel
De relevante delen van de processtukken
op 31 maart 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met een mes, in het gezicht (linkerwang) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
“De verdachte verklaart op de vragen van de voorzitter als volgt:
Op de vragen van de voorzitter antwoordt verdachte als volgt:
De raadsman voert het woord tot verdediging:
Feiten en omstandigheden
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
(…)
Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
(…)
Het eerste en het tweede middel nader omschreven
Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit
in beginselniet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, [4] maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, [5] de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel [6] of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij. [7]
“Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.” [8] Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “
om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”
. [9]
De bespreking van het eerste en tweede middel
op dat momenteen riem in de ene hand en een mes in de andere had. Dat betekent volgens het hof dat de verklaring van de verdachte dat hij (tijdens de confrontatie in de [a-straat] ) het mes van de aangever had afgepakt, niet juist is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De verdachte riep volgens diezelfde getuige op dat moment ook: “
Kom dan, ik maak jullie af”. [10]
“verdachte vanaf een korte afstand met een mes in de hand heeft uitgehaald in de richting van het hoofd van aangever en dat hij aangever daarbij met een mes in het gezicht heeft gestoken, bij het oor, op een plaats vlak bij de hals waar zich de luchtpijp bevindt.” Zo’n gedraging creëert een aanmerkelijke kans op de dood, zo overweegt het hof ook nog.
de confrontaties in [café A] en in de [a-straat] niet zodanig zijn geweest dat op grond daarvan het teweegbrengen van een hevige gemoedsbeweging kan worden verondersteld”. Beide oordelen vind ik niet onbegrijpelijk. In het licht van de verklaring van de verdachte en het pleidooi van de raadsman was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. [11]