Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:523

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
24/03406
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep noodweer en noodweerexces bij poging tot doodslag met mes

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag met een mes. Het incident vond plaats op 31 maart 2018 in Groningen, waarbij de verdachte de benadeelde met een mes in het gezicht stak tijdens een confrontatie die volgde op eerdere onenigheid en agressie.

De verdachte voerde in cassatie aan dat hij zich had verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat zijn handelen proportioneel was gezien de dreiging van de aangever en diens vrienden, die hem aanvielen met een mes en een riem. Ook stelde hij subsidiair een beroep op noodweerexces.

Het hof had echter geoordeeld dat hoewel sprake was van een noodweersituatie, het steken met een mes in het gezicht van de aangever niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. De verdediging was disproportioneel en daarmee niet geboden. Ook het beroep op noodweerexces werd verworpen omdat geen hevige gemoedsbeweging bij de verdachte was vastgesteld.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst op het belang van proportionaliteit en subsidiariteit bij noodweer. Het cassatieberoep faalt, en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor poging tot doodslag blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03406

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 5 september 2024 (parketnr. 21-005122-19) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens “
poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden (met aftrek van voorarrest). Ook heeft het hof een in beslag genomen mes verbeurdverklaard, beslist over de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste en het tweede middel

3. De middelen gaan over noodweer en noodweerexces. Het eerste middel ziet op het (primaire) beroep op noodweer en het tweede middel op het (subsidiaire) beroep op de exces-variant.

De relevante delen van de processtukken

4. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:

op 31 maart 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] met een mes, in het gezicht (linkerwang) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt in:

“De verdachte verklaart op de vragen van de voorzitter als volgt:

Het klopt dat aan het tenlastegelegde feit het nodige vooraf is gegaan en dat het begon met een opstootje in [café A] . Als ik [benadeelde] trof was er altijd een stukje agressie en ik probeerde dat te sussen, omdat ik geen problemen wilde. We hadden zeker problemen, want we hadden onenigheid op social media. In [café A] schold [benadeelde] mij uit, waarna ik hem probeerde te kalmeren.
(…)

Op de vragen van de voorzitter antwoordt verdachte als volgt:

Er was al twee jaar onenigheid en agressie van [benadeelde] zijn kant. Ik legde een arm om hem heen, omdat ik geen ruzie wilde. Ik word telkens geïntimideerd en werd ieder weekend onderworpen aan agressie.
Het klopt dat van het incident in de Imparator geen beelden zijn. [benadeelde] moest inderdaad het café verlaten en toen het café ging sluiten ben ik ook naar buiten gegaan. [benadeelde] viel mij aan met een mes en [betrokkene 1] met een riem. Ik heb in een worsteling het mes vastgepakt, ter voorkoming dat ik gestoken werd. In essentie vielen zij mij aan. Ik zag het mes voor het eerst in [café B] . Ze wisten dat ik naar [café B] zou gaan. Toen [benadeelde] en zijn vrienden binnenkwamen heb ik dit gelijk tegen de eigenaar gezegd en hij wist al hoe laat het was, want hij kende de situatie.
[benadeelde] en zijn vrienden stonden buiten op de hoek en toen ik het café uitkwam moest ik daar langs, want ik woonde daar. Ik dacht dat ik het wel kon sussen en dat het breed genoeg was om er normaal langs te lopen, maar toen kwamen ze al op mij af. Ik ben toen achteruit gelopen en er werd wat heen- en weer geschreeuwd. [benadeelde] en [betrokkene 1] kwamen met z’n tweeën op mij af en [benadeelde] had een mes in zijn hand. Het mes zorgde ervoor dat ik mijn riem trok. Ze vielen mij in de [a-straat] al aan en ik lag toen op meerdere momenten voor [café B] op de grond en er is geworsteld. Ik heb me toen uit de voeten gemaakt. Het is absoluut niet waar dat ik kort nadat ik uit [café B] kwam met een mes en riem zwaaide en mij dreigend uitliet tegen [benadeelde] . Ik weet helemaal niets van stekende bewegingen in [benadeelde] zijn hals in de [a-straat] . Hij was degene met het mes, niet ik.
(…)
[benadeelde] en ik zijn bij [café B] gevallen. [benadeelde] kwam op mij af en met één hand greep ik zijn mes. Ik had ook een snijwond in mijn hand, dat is toen gebeurd.
(…)
Ik kreeg zoveel klappen en ik weet nog dat ik in de foetushouding lag. Ik weet niet meer hoe ik het mes vast had, maar ik hield het met alle kracht vast, omdat ik bang was dat ze mij zouden steken. [benadeelde] had dat immers al geprobeerd. Ik weet niet of ik het mes vast had toen ik achteruit liep in de [b-straat] . Ik weet wel dat ik het mes tijdens de worsteling in de [a-straat] heb afgepakt. Het lijkt mij dat als ik een mes vast had gehad toen ik de slaande beweging in de [b-straat] maakte, [benadeelde] er wel erger aan toe was geweest.
(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging:

(…)
Stel dat verdachte wel een mes in handen had, dan heeft hij dat vanwege alles wat er die avond is voorgevallen gehad. Er was al eerder geweld op verdachte uitgeoefend. Niet is vastgesteld dat verdachte een mes in zijn hand had. Het is een feit dat [benadeelde] en zijn vrienden de aanval hebben ingezet. Verdachte wordt eerst met een riem geslagen en daarna door [benadeelde] aangevallen. Hij benadert verdachte tot armlengte, dus wie heeft op welk moment recht op noodweer?
Putatief noodweer is er ook nog. Er is tenminste één geweldsincident in [café A] geweest, waarna het verder gaat bij [café B] en daarna op straat. [betrokkene 1] zegt dat hij verdachte toen al heeft weggeduwd, dus wie wordt nu waar aangevallen? Zelfs al zou het zo zijn dat voor [café B] een licht steekincident heeft plaatsgevonden, noodweer op noodweer bestaat niet.
Dat [benadeelde] en zijn vrienden naar verdachte toelopen, is een tegenaanval van vier personen en met een riem. Verdachte kon zich niet aan deze tegenaanval onttrekken. Uitgaande van het scenario dat verdachte [benadeelde] dan steekt, dan is er toch sprake van een noodweersituatie? Of mag verdachte geen beroep op noodweer toekomen na het vermeende incident? Ik denk dat verdachte wel mag reageren. In het volgende arrest is ook noodweer aangenomen: ECLI:NL:GHARL:2019:9441. Het doet er niet toe hoe ernstig het geweld is, maar of er geweld is toegepast. Als je wordt aangevallen door vier mensen met riemen en een mes, waarna je terugslaat met een riem en eenmalig terug steekt met een mes (verdachte zegt dat dit niet zo is), dan is dat proportioneel. Dat het nodig was om het mes te gebruiken, blijkt ook uit het vervolg van het verhaal. Overmacht in aantal en slagkracht heeft verdachte op de grond doen belanden, waarna hij op zijn hoofd is getrapt.
(…)
De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, inhoudende dat aangever en zijn vrienden de tegenaanval inzetten door op verdachte af te lopen en hem met een riem te slaan. Verdachte kon zich niet onttrekken aan de situatie en handelde proportioneel. De verdediging stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat sprake is van (al dan niet) putatief noodweerexces.
6. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

Feiten en omstandigheden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 31 maart 2018 is er in [café A] een confrontatie tussen verdachte en aangever, waarna zij uit elkaar gaan. Verdachte en aangever komen elkaar vervolgens weer tegen bij [café B] , gelegen aan de [a-straat] . Aldaar volgt wederom een confrontatie, als gevolg waarvan aangever en zijn vrienden, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , het café verlaten. Als verdachte kort daarna [café B] ook verlaat, volgt in de [a-straat] een hernieuwde confrontatie, waarbij verdachte een riem in de ene hand en een mes in de andere hand houdt. Ter plaatse komt het tussen verdachte en aangever tot een handgemeen, waarbij verdachte een stekende bewegingen maakt en aangever in zijn hals raakt. Na dit incident verplaatst het gevecht zich naar de [b-straat] , doordat aangever en zijn vrienden op verdachte aflopen en [betrokkene 1] als eerste met zijn riem naar verdachte uithaalt en hem lijkt te raken. Verdachte loopt dan verder achteruit en als aangever op hem toe blijft lopen haalt hij met zijn rechterhand uit richting het gezicht van aangever, waarna aangever naar zijn linkerwang grijpt. (…)

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

(…)

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
Het hof overweegt dat uit de eerder vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat sprake is geweest van twee verschillende momenten waarop over en weer geweld is toegepast, namelijk het moment in de [a-straat] en het moment in de [b-straat] . Na het eerste moment loopt verdachte richting de [b-straat] , waar aangever en zijn vrienden in dreigend op hem aflopen, terwijl verdachte achteruit blijft lopen. [betrokkene 1] haalt vervolgens als eerste uit en hij lijkt verdachte met zijn riem te raken, waarna verdachte tussen [betrokkene 1] en aangever in komt te staan. Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen gekwalificeerd worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen lijf. In zoverre is het hof van oordeel dat sprake is van een noodweersituatie, waarbij verdachte in beginsel gerechtigd was zich te verdedigen.
Subsidiariteit
Voorts kan onttrekking aan de dreigende aanranding onder de gegeven omstandigheden niet van verdachte worden gevergd. Naar het oordeel van het hof was dit voor verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid, nu verdachte al achteruit liep en op enig moment tussen [betrokkene 1] en aangever stond. Daarmee is voldaan aan de subsidiariteitseis.
Proportionaliteit
Het hof is echter van oordeel dat de door verdachte gekozen wijze van verdedigen, te weten het steken met een mes in het gezicht van aangever, als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Derhalve is niet voldaan aan de proportionaliteitseis, zodat de gedragingen van verdachte niet waren geboden door de noodzakelijke verdediging. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

(…)

Hevige gemoedsbeweging
Het hof overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van het mes heeft verklaard dat aangever een mes heeft getrokken en dat hij het mes van hem heeft afgepakt, volgt uit de wettige bewijsmiddelen dat juist verdachte het mes heeft getrokken. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij verdachte geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Bovendien overweegt het hof dat de confrontaties in [café A] en in de [a-straat] niet zodanig zijn geweest dat op grond daarvan het teweegbrengen van een hevige gemoedsbeweging kan worden verondersteld. Het voorgaande brengt mee dat ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen.
7. Verder heeft het hof de verklaring van de getuige [getuige 1] voor het bewijs gebruikt. Die verklaring houdt in:
“Man 2.
De man die in zijn gezicht is gestoken was kaal.
- blanke huidskleur
- 24 a 25 jaar
Ik stond met de mannen te praten. Ik hoorde toen ineens een man van achter mij zeggen: ‘Kom dan, ik maak jullie af.’ Toen draaide ik mij om, ik zag een man staan op ongeveer 10 meter afstand van mij vandaan. De man had in zijn hand een mes en in de andere hand had hij een bruine riem. Het was zo’n klapmes.
De kale man (man 2), liep naar hem toe. De man met de mes liep toen naar achteren. De man met de mes bleef schreeuwen: “Ik maak jullie af kom dan.” Ik zag dat de kale man schrok van dat hij gestoken was.

Het eerste en het tweede middel nader omschreven

8. Het eerste middel bevat een motiveringsklacht over het oordeel dat de gekozen manier van verdedigen niet voldoet aan het vereiste van proportionaliteit. Geklaagd wordt dat het hof voorbij is gegaan aan de directe aanleiding van het handelen van de verdachte en in dat verband de mate van dreiging die uitging van de groep.
9. Het tweede middel ziet op de verwerping van het beroep op noodweerexces op de grond dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Ten eerste wordt geklaagd over het oordeel dat de verdachte (als enige) een mes heeft getrokken. De tweede deelklacht houdt in dat het hof voorbij is gegaan aan confrontaties in aanloop naar het handelen van de verdachte en in dat verband de mate van dreiging die uitging van de groep.

Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit

10. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. [1] Dit kader veronderstel ik bekend. Wel merk ik ten aanzien van het proportionaliteitsvereiste (waartegen het middel zich in het bijzonder richt) het volgende op.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
11. Een beroep op noodweer komt niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is. [2] Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal. [3]
12. Daarbij laat rechtspraak van de Hoge Raad zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond
in beginselniet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, [4] maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, [5] de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel [6] of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij. [7]
13. Ik wijs in dit verband ook op de conclusie van a-g Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummers 3.11-3.21 en 3.25), waarin hij een aantal van de (hiervoor reeds in de voetnoten aangehaalde) arresten van de Hoge Raad – waarin een discrepantie bestond tussen het aanrandingsmiddel en het verdedigingsmiddel – heeft geanalyseerd, en naar aanleiding daarvan concludeert:
“Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.” [8] Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “
om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn
. [9]

De bespreking van het eerste en tweede middel

14. Het hof stelt in zijn bewijsoverwegingen vast dat op 31 maart 2018 in eerste instantie een confrontatie tussen de aangever en de verdachte plaatsvond in [café A] en dat zij elkaar even later weer tegenkwamen in [café B] , waar nog een confrontatie plaatsvond. De aangever en zijn vrienden, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , verlieten het café eerder dan de verdachte. Toen de verdachte naar buiten kwam, volgde in de [a-straat] (waaraan het café is gelegen) een hernieuwde confrontatie. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] leidt het hof af dat de verdachte
op dat momenteen riem in de ene hand en een mes in de andere had. Dat betekent volgens het hof dat de verklaring van de verdachte dat hij (tijdens de confrontatie in de [a-straat] ) het mes van de aangever had afgepakt, niet juist is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De verdachte riep volgens diezelfde getuige op dat moment ook: “
Kom dan, ik maak jullie af”. [10]
15. Het hof overweegt dat het in de [a-straat] eerst tot een handgemeen kwam, waarbij de verdachte de aangever met het mes in de hals raakt. Daarna verplaatste het gevecht zich naar de [b-straat] , doordat de aangever en zijn vrienden (ik begrijp: nog steeds [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ) dreigend op de verdachte kwamen aflopen. De verdachte liep achteruit. Een van de vrienden van de aangever ( [betrokkene 1] ) haalde uit met een riem en het lijkt erop dat hij de verdachte toen raakte. Daarna kwam de verdachte tussen [betrokkene 1] en de aangever in te staan. Op dat moment bevond de verdachte zich in een noodweersituatie en heeft hij zichzelf verdedigd, door met een mes in het gezicht van de aangever te steken. Over die gedraging merkt het hof op dat de
“verdachte vanaf een korte afstand met een mes in de hand heeft uitgehaald in de richting van het hoofd van aangever en dat hij aangever daarbij met een mes in het gezicht heeft gestoken, bij het oor, op een plaats vlak bij de hals waar zich de luchtpijp bevindt.” Zo’n gedraging creëert een aanmerkelijke kans op de dood, zo overweegt het hof ook nog.
16. Op grond hiervan oordeelt het hof dat de verdediging van de verdachte disproportioneel was ten opzichte van de ernst van de aanranding en dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen, omdat “
de confrontaties in [café A] en in de [a-straat] niet zodanig zijn geweest dat op grond daarvan het teweegbrengen van een hevige gemoedsbeweging kan worden verondersteld”. Beide oordelen vind ik niet onbegrijpelijk. In het licht van de verklaring van de verdachte en het pleidooi van de raadsman was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. [11]

Slotsom

17. Het eerste en het tweede middel falen. De Hoge Raad kan beide afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
2.Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177,
3.Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973,
4.Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982,
5.Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13).
6.Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog:
7.Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512,
8.Zie de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (in het bijzonder onder randnummer 3.18), voorafgaand aan HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245.
9.Zie wederom de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (in het bijzonder onder randnummer 3.25), voorafgaand aan HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245.
10.Zie bewijsmiddel 2 op p. 3 van het arrest.
11.Op de terechtzitting in hoger beroep bracht de raadsman naar voren dat de verdachte werd aangevallen door de aangever en zijn vrienden. De directe aanleiding typeerde de raadsman als “