Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
- blijkens de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overwegingen - heeft vastgesteld dat:
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
26 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag door met een mes in de borst van het slachtoffer te steken tijdens een gevecht na een nachtelijke ruzie. Het hof verwierp het beroep op noodweer omdat het steken in de borst niet in redelijke verhouding zou staan tot het slaan met blote handen en omdat de verdachte niet eerst een minder verstrekkend middel had geprobeerd.
De verdediging voerde aan dat de verdachte meermalen werd aangevallen door twee personen, niet kon vluchten en door adrenaline en verwarring niet bewust in de borst stak. Dreigen met het mes was geen reële optie vanwege het numerieke overwicht van de tegenstanders.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel over de proportionaliteit niet zonder meer kon handhaven, gezien de omstandigheden en het feit dat de verdachte niet kon vluchten. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het noodweerberoep.
De zaak betreft de toepassing van de proportionaliteitseis bij noodweer, waarbij het gebruik van een potentieel dodelijk middel tegen een aanval met blote handen zorgvuldig moet worden beoordeeld. De Hoge Raad benadrukte dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke situatie en de verdediging van de verdachte.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van noodweerberoep.