Conclusie
Nummer24/01399
Inleiding
mishandeling" en “
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren (indien niet naar behoren verricht te vervangen door zestig dagen hechtenis). Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de [benadeelde] , een en ander als nader in het arrest bepaald.
Het middel
Het oordeel van het hof
op 17 september 2022 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld door hem een kopstoot en vuistslagen op het jukbeen en/of voorhoofd, althans gezicht, van die [benadeelde] te hebben gegeven”.
Met betrekking tot feit 1 lijken de getuigen bij de politie niet vakkundig te zijn gehoord. Eén getuige heeft verklaard bij de RHC. Cliënt heeft erkend fout te zijn geweest. Ik kan mij voorstellen dat aangever achter cliënt aangaat. Maar is het dan ook normaal dat mijn cliënt agressief bejegend wordt? Aangever pakte cliënt bij zijn kraag en hief zijn vuist. Het is wel duidelijk dat cliënt aangevallen werd. Cliënt is fysiek ondergeschikt, hij wordt beetgepakt en hij probeert uit die greep te komen. Hij heeft geen kopstoot gegeven, in ieder geval geen opzettelijke kopstoot gegeven. Het letsel is er. Er was een bepaalde dynamiek tussen cliënt en aangever. [getuige 1] heeft het duidelijk beschreven. Cliënt werd vastgepakt en hij probeerde zich daaraan te onttrekken. Misschien is hij omhoog gekomen waardoor letsel is ontstaan. Doordat de opzet ontbreekt dient cliënt te worden vrijgesproken van feit 1.
Noodweer
De toelichting op het middel
Het beoordelingskader: noodweer en proportionaliteit
in beginselniet in verhouding staat tot een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist, [4] maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel kan dwingen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en ernstig geweld, [5] de aanranding – naast slaan met blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel [6] of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij. [7]
“Uit verschillende van die zaken blijkt dat zelfs wanneer het verdedigingsmiddel als zodanig wezenlijk zwaarder is dan het aanrandingsmiddel, dat op zichzelf nog niet hoeft te betekenen dat het proportionaliteitsvereiste een succesvol beroep op noodweer in de weg staat.” [8] Bij de toepassing van het proportionaliteitsvereiste gaat het, aldus Van Kempen, dan ook niet “
om een pure evenredigheidsbeoordeling, maar om een redelijkheidsoordeel waarvoor de bredere context van de gebeurtenis van belang kan zijn en waarbij geldt dat de precieze manier van verdedigen zeker niet optimaal hoeft te zijn”. [9]
De beoordeling van het middel
zoals waargenomen door [getuige 1] ”, aldus het hof. Deze getuige heeft volgens het hof verklaard dat “
de grote vent (het hof begrijpt: aangever) de ander bij zijn kraag greep en hem met een vuist probeerde te slaan. Het was geen harde klap.” Dit oordeel en de motivering ervan worden in cassatie niet weersproken, zodat hiervan thans moet worden uitgegaan.
niet in verhouding staat tot het vastgrijpen van verdachte door aangever” en heeft het beroep op noodweer verworpen op de grond dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Daaraan voegt het hof toe (ik herhaal en ben volledig):
Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard - onverhoeds en met kracht in het gezicht - naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden - en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf - en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag.”
tot terughoudendheid nopende” – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, heeft het hof uitsluitend betrokken dat de aangever de verdachte bij zijn kraag had vastgegrepen en vastgehouden (zodat de verdachte niet in staat is geweest weg te lopen). Het hof heeft bij de beoordeling van de proportionaliteit echter niet uitdrukkelijk in aanmerking genomen (i) dat de aangever de verdachte direct voorafgaande aan de kopstoot met zijn vuist sloeg en (ii) dat de aangever kennelijk (aanzienlijk) groter is dan de verdachte. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de kopstoot als middel van verdediging had het hof deze omstandigheden niet onbesproken mogen laten.
verderging dan ‘het aanspreken van de verdachte op zijn gedrag’, namelijk door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen deze zich – volgens het hof –
mochtverdedigen. Niet valt in te zien waarom de aanleiding voor het handgemeen van invloed is op de beoordeling van de proportionaliteit van de door het hof noodzakelijk geachte verdediging.