Conclusie
[verzoeker]respectievelijk
Korpodeko.
1.Inleiding en samenvatting
het verwijzingsarrest) staat vast dat [verzoeker] een beding in een tussen partijen gesloten overeenkomst heeft geschonden en dat hij op grond daarvan een boete is verschuldigd aan Korpodeko. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna:
het hof) heeft
vóórverwijzing de contractueel verschuldigde boete reeds gematigd tot afgerond NAF 6,9 miljoen. Het hof heeft de boete toen niet verder gematigd omdat het oordeelde dat [verzoeker] een door Korpodeko aan Dutch Antilles Express B.V. (hierna:
DAE) verstrekte lening in eigen zak heeft gestoken en aan DAE heeft onthouden. [1] Dat oordeel is in het verwijzingsarrest wegens schending van hoor en wederhoor gecasseerd.
2.Feiten
de Kredietovereenkomst). Deze overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:
BBPM) is op of omstreeks 7 september 2010 een overeenkomst tot stand gekomen (hierna:
Achterstellingsovereenkomst). BBPM houdt alle aandelen in het kapitaal van DAE. De Achterstellingsovereenkomst, waarin [verzoeker] is aangeduid als “NS”, bepaalt onder meer het volgende (
onderstrepingen in de citaten hier en hierna door mij toegevoegd; AG):
alle bestaande vorderingen uit de bovenstaande tussen enerzijds DAE en anderzijds NS en BBPM aangegane geldleningsovereenkomsten, zoals gespecificeerd in de kredietbrief van 07 september 2010, is overeengekomen dat deze
zullen zijn achtergesteld bij alle bestaande en toekomstige vorderingen die KORPODEKO heeft op DAEuit hoofde van de tussen DAE en KORPODEKO aangegane geldlening, waarvan blijkt uit voormelde kredietbrief d.d. 7 september 2010 dat aan deze akte is gehecht.
NS zal zonder schriftelijke toestemming van KORPODEKO geen handelingen verrichten, waardoor zijn of haar genoemde vordering op DAE geheel of gedeeltelijk tenietgaat, uit het vermogen van NS verdwijnt of met een beperkt recht wordt bezwaard, en zal alles nalaten wat tot voormelde gevolgen zou kunnen leiden.
Indien NS zich door handelen of nalaten gedraagt in strijd met hetgeen hier is overeengekomen, verbeurt NS ten behoeve van KORPODEKO een direct opeisbare boete ten belope van het bedrag van de hoofdsom van de achtergestelde vorderingen.”
SPA)tot stand gekomen, waarbij [verzoeker] de aandelen in het kapitaal van BBPM verkoopt voor één euro. De SPA bepaalt voorts onder meer het navolgende:
Gerecht) heeft de vordering van Korpodeko afgewezen. In hoger beroep heeft het hof, na een tussenvonnis, de vordering van Korpodeko bij eindvonnis toegewezen.
tot terugbetaling van hetgeen waartoe [verzoeker] door hof in hoger beroep is veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van zijn betaling”, afgewezen.
Omdat tussen partijen vaststaat dat [verzoeker] na het verstrekken van het krediet geen geld meer in DAE heeft gestoken, kan niet worden ontkomen aan de conclusie dat [verzoeker] het geld van Korpodeko zelf heeft gehouden. Dat zou ook een (gedeeltelijke) verklaring kunnen zijn voor de soms wat moeizame en niet geheel eenduidige wijze waarop de getuigen antwoord gaven op de vragen waarvoor de lening was aangevraagd, waaraan deze was besteed en hoe het kan dat DAE er twee à drie maanden na het krediet zoveel slechter voorstond en alweer nieuwe financiële injecties nodig had, iets wat [verzoeker] steeds volledig heeft toegeschreven aan bedrog en wanbeleid zijdens [betrokkene 2] . Omdat het citaat in rov. 2.5 impliceert dat het volledige bedrag van de lening door [verzoeker] is achtergehouden, en dat - naar het Hof begrijpt - dat ook is wat Korpodeko (mede) stelt, leidt het ontbreken van iedere uitleg of inhoudelijk weerwoord van [verzoeker] of een andere contra-indicatie in het dossier, ertoe dat ervan wordt uitgegaan dat [verzoeker] nagenoeg het volledige leenbedrag aan DAE heeft onthouden.
het bestreden vonnis) het vonnis van het Gerecht van 15 april 2013 vernietigd en [verzoeker] veroordeeld tot betaling aan Korpodeko van een bedrag van NAF 6.911.820,--, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2011 en [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten. [11]
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onderdeel 6geheel of gedeeltelijk slaagt, of buiten behandeling wordt gelaten.
nietheeft toegeëigend. Het subonderdeel klaagt verder dat het oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat geschaad worden in verweer- en bewijsmogelijkheden door het verstrijken van tijd een rechtens relevant belang oplevert in het kader van een beroep op strijd met de goede procesorde, althans dat zonder nadere motivering het oordeel onbegrijpelijk is dat [verzoeker] geen belang heeft bij dit verweer. Tot slot klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] belang bij dit verweer is gelegen in het feit dat gegrondbevinding ervan betekent dat Korpodeko’s stelling niet aan matiging in de weg kan staan.
Bovendien: dat het verwijt zo laat wordt gemaakt, maakt het voor [verzoeker] extra moeilijk zijn verweer hiertegen te onderbouwen.” Uit die stelling, en de context van die stelling, mocht het hof afleiden dat die betrekking had op [verzoeker]
verweertegen de eisvermeerdering. Dat verweer kon het hof afdoen op gebrek aan belang, omdat die eisvermeerdering na verwijzing niet meer aan de orde was. Dat laatste wordt op zichzelf ook niet bestreden in cassatie.
(a)te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker] en heeft miskend dat de rechter een getuigenverhoor beveelt zo vaak een van de partijen het verzoekt en de te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot beslissing van de zaak kunnen leiden (art. 145 lid 1 Rv Pro-C), meer in het bijzonder dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen niet gevergd kan worden dat zij op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt, hetzij
(b)zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van [verzoeker] zoals vermeld in Procesinleiding, punt 2.0 en voetnoten 15-26. Onder (b) klaagt het subonderdeel bovendien dat voor zover het hof deze stellingen niet bij zijn oordeel heeft betrokken, het dat ten onrechte niet heeft gedaan omdat deze stellingen – indien juist – tot verwerping van het ‘in-eigen-zak-steek-verwijt’ hadden kunnen leiden en daarmee tot een ander oordeel over het beroep op matiging. Het valt niet in te zien wat van [verzoeker] in dit kader nog meer had kunnen worden gevergd, ook niet met betrekking tot de plausibiliteit van de mogelijke alternatieve interpretaties (die er in dit stadium slechts toe dienen [verzoeker] centrale stelling van onderbouwing te voorzien). Temeer niet gelet op (i) het gebrek aan onderbouwing van zowel Korpodeko’s initiële stelling dat [verzoeker] het geld in eigen zak heeft gestoken, als Korpodeko’s weerlegging van [verzoeker] verweer hiertegen; en (ii) het zeer late moment waarop dit verwijt in de procedure is opgebracht. Het hof had [verzoeker] stellingen niet mogen verwerpen zonder hem toe te laten tot het door hem aangeboden getuigenbewijs, aldus het subonderdeel.
Uit de verklaring van [betrokkene 3] kan dat echter niet worden afgeleid” en “
Uit de verklaring van [betrokkene 3] kan echter niet of onvoldoende duidelijk worden afgeleid (…)”). [25] Het subonderdeel lijkt echter niet te klagen over het passeren van dit bewijsaanbod. [26]
is dat moeilijker vol te houden” naarmate een vermelding, zoals in dit geval, meer specifiek en meer gedetailleerd is. Het hof doelt hiermee kennelijk op de passage in de notulen waarin expliciet over de Korpodeko-gelden wordt gesproken (zie rov. 3.17 waarin het hof de betreffende passage citeert). Het hof heeft in rov. 3.15 geoordeeld dat [verzoeker] hierover nadere uitleg had moeten geven, maar dat niet heeft gedaan.
te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verzoeker], althans zijn oordeel op dat punt niet toereikend heeft gemotiveerd. [verzoeker] heeft nu juist gesteld dat de notulen niet betrouwbaar zijn (dat wil zeggen: niet overeenstemmen met wat er op die vergadering werkelijk is besproken). Dat dit ‘moeilijker’ valt volt te houden als de vermelding specifiek en gedetailleerd is, moge in zijn algemeenheid zo zijn, maar lijkt mij niet toereikend om die stelling te verwerpen. [verzoeker] houdt dit nu juist wél vol. Hij hoefde zijn stellingen niet aannemelijk te maken of daartegen gerichte stellingen van de wederpartij te ontzenuwen. Verder valt niet in te zien wat [verzoeker] dan nog meer hierover had moeten stellen. Bovendien heeft Korpodeko, voor zover ik dat kan nagaan, ook niet het verweer gevoerd dat de notulen op dit punt specifiek en gedetailleerd zijn en dus moeilijk valt vol te houden dat de notulen op dit punt niet in overeenstemming zijn met de waarheid, althans lees ik in de cassatiestukken van Korpodeko geen verwijzing naar een dergelijk verweer.
Subonderdeel 3.1klaagt dat het hof in rov. 3.18 t/m 3.20 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden c.q. art. 24 Rv Pro heeft geschonden, door te oordelen dat de in rov. 3.17 geciteerde passage uit de notulen zo moet worden begrepen dat [verzoeker] kennelijk (enige) zeggenschap had over de Korpodeko-gelden en dat deze gelden op dat moment - eind november 2010 - door toedoen van [verzoeker] (nog) niet ten goede waren gekomen aan DAE. Korpodeko zou namelijk niet hebben aangevoerd dat uit de notulen zou volgen dat [verzoeker] (slechts enige vorm van) 'zeggenschap' had over de Korpodeko-gelden of dat [verzoeker] daarom geen beroep op matiging toekwam, maar uitsluitend dat [verzoeker] geen beroep op matiging toekwam specifiek omdat uit de notulen zou blijken dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken.
het meest aannemelijk" is op grond van "
de omstandigheden van DAE op dat moment" en "
alle andere omstandigheden van het geval". Het subonderdeel veronderstelt dat het hof met de omstandigheden van DAE de penibele financiële situatie van DAE heeft bedoeld, maar dat dit het oordeel niet inzichtelijk maakt. Het subonderdeel beroept zich verder op [verzoeker] stelling (die in beginsel juist ‘de andere kant op wijst’) dat die penibele financiële situatie van DAE er juist toe leidt dat de Korpodeko-gelden onmiddellijk na ontvangst al zijn opgemaakt aan (voornamelijk) reeds bestaande schulden. Het subonderdeel klaagt tot slot dat het voorgaande ook geldt voor de vermelding van “
alle andere omstandigheden van het geval”. Het is geheel ongemotiveerd en daarmee onnavolgbaar wat het hof hiermee heeft bedoeld, aldus het middel.
de omstandigheden van DAE op dat moment” heeft het hof kennelijk gedoeld op de penibele financiële situatie van DAE ten tijde van de meer genoemde vergadering van 26 november 2010. Beide partijen gaan daar ook van uit. [37] Het hof heeft (mede) daaruit in rov. 3.21 afgeleid dat zijn uitleg van de notulen het meest aannemelijk is (en het dan vervolgens niet relevant is
hoede Korpodeko-gelden in de macht van [verzoeker] zijn gekomen). Blijkbaar heeft het hof geoordeeld dat zijn uitleg van de notulen dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden, het meest aannemelijk is mede op grond van de penibele financiële situatie van DAE. Dat oordeel vind ik goed te volgen. Op zichzelf kan niet uit de financiële situatie van DAE worden afgeleid dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden heeft onthouden aan DAE, maar die financiële situatie kan wel een aanwijzing vormen dat die gelden zijn onthouden, althans die situatie verhoudt zich goed met die uitleg.
op basis waarvande rechter heeft te beslissen’: de afbakening van de feiten en stellingen die onderdeel zijn gemaakt van de procedure (dus conform art. 149 lid 1 Rv Pro c.q. art. 24 lid 1 Rv Pro ter kennis van de rechter zijn gekomen) en waar de rechter zijn beslissing op mag baseren. [47] Onderdeel van de rechtsstrijd na herziening was nu juist de vraag of [verzoeker] de Korpodeko-gelden in eigen zak heeft gestoken, c.q. die gelden aan DAE heeft onthouden. Daarvan maakte ook onderdeel [verzoeker] stellingen dat de Korpodeko-gelden nooit in zijn macht zijn geweest. In het kader van die rechtsstrijd mocht het hof zelf gevolgtrekkingen verbinden aan door [verzoeker] overgelegde stukken, zoals het overzicht van [betrokkene 3] . De rechter mag immers acht slaan op in het geding gebleken feiten en omstandigheden, ook al is daar geen uitdrukkelijk beroep op gedaan. Mij lijkt dat, als dat is toegestaan in de bewijsfase,
a fortioriook te mogen in de stelplichtfase. Dat is geen verboden aanvulling van de feitelijke grondslag, maar een toegestane staving van de feiten. Het hof heeft art. 24 Rv Pro noch de grenzen van de rechtsstrijd miskend en evenmin het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
slagen. In rov. 3.24 heeft het hof [verzoeker] bewijsaanbod inzake de punten d, e, f en g gepasseerd. Daarmee heeft het hof klaarblijkelijk gedoeld op [verzoeker] bewijsaanbod bij memorie na verwijzing, punt 5.1 sub d t/m g. Dat bewijsaanbod zag, kort gezegd, op de stelling dat [verzoeker] niet de macht/beschikking had over de Korpodeko-gelden en verschillende onderbouwende stellingen. Dat bewijsaanbod van [verzoeker] was dus relevant en specifiek, althans het hof heeft het bewijsaanbod niet op die gronden gepasseerd, maar op de grond dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld. [50] Het valt echter, zoals het subonderdeel klaagt, niet in te zien wat [verzoeker] nog meer had moeten stellen. De motivering van dit oordeel in rov. 3.23 acht ik ontoereikend. Daaruit blijkt dat het hof [verzoeker] stellingen op dit punt onaannemelijk vindt in het licht van een door [verzoeker] overgelegd uitgavenoverzicht en andere feiten en omstandigheden, maar dat is een beoordeling van de waarschijnlijkheid van de stellingen. Het hof heeft daarmee miskend dat een partij die getuigenbewijs aandraagt van zijn stellingen niet gevergd kan worden dat hij die stellingen op voorhand aannemelijk maakt. [51] Indien het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd in het licht van de vaststelling van het hof dat de Korpodeko-gelden op 13 september 2010 zijn ontvangen door DAE (rov. 3.22) en [verzoeker] specifieke en relevante stellingen dat hij (vervolgens) nooit de macht/beschikking heeft gehad over die gelden. Daarbij is van belang dat de betwisting van Korpodeko op dit punt, zoals het subonderdeel ook aanvoert, mager is. Korpodeko heeft enkel aangevoerd dat [verzoeker] de Korpodeko-gelden aan DAE heeft onthouden, althans Korpodeko verwijst in cassatie alleen naar vindplaatsen in de processtukken waar zij die (algemene) stelling heeft ingenomen. [52] De klachten
slagendus.
slagen. [verzoeker] stelling is kort gezegd dat hij de Korpodeko-gelden niet in zijn macht had, althans niet heeft onthouden aan DAE. In het licht van het vaststaande feit dat deze gelden daadwerkelijk door DAE zijn ontvangen in september 2010 en [verzoeker] stellingen die erop neerkomen dat [verzoeker] daar (vervolgens) om verschillende redenen op geen enkele wijze over kon beschikken, is niet goed te volgen dat hij onvoldoende zou hebben gesteld. Daarbij is het volgende van belang. Het hof heeft ter zake van dit punt (de beschikkingsmacht van [verzoeker] over de Korpodeko-gelden) zijn oordeel gebaseerd op de notulen. Daarvan heeft [verzoeker] echter gesteld dat ze niet in overeenstemming zijn met de waarheid. Het hof heeft die stelling en het bewijsaanbod ter zake weliswaar gepasseerd, maar daarover wordt naar mijn mening terecht geklaagd in onderdeel 2.
andereomstandigheden zijn die matiging rechtvaardigen. In ieder geval is dus onjuist, althans onbegrijpelijk dat het hof in zijn beoordeling van het beroep op matiging bepalend heeft geacht dat de door [verzoeker] aangevoerd feiten en omstandigheden onverlet laten dat hij ( [verzoeker] ) destijds geen toestemming heeft gevraagd voor de verkoop. Het subonderdeel klaagt tot slot dat voor zover het hof de door [verzoeker] aangevoerde matigingsfactoren zo heeft uitgelegd dat die er volgens [verzoeker] (alleen) toe leiden dat hij artikel 5 Achterstellingsovereenkomst niet heeft geschonden, dat een onbegrijpelijke uitleg van [verzoeker] stellingen is.
opstelling en rol van [betrokkene 4]geen aanleiding geeft tot verdere matiging van de boete. Daaruit blijkt dus dat het hof niet het feit dát [verzoeker] de Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden heeft meegewogen bij de beoordeling van de matiging, maar de opstelling en de rol van [betrokkene 4] , die destijds (2010) de directeur van Korpodeko was. [53] Het hof heeft, tot slot, evenmin de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden voor matiging zo uitgelegd dat die er volgens [verzoeker] alleen toe leiden dat hij de Achterstellingsovereenkomst heeft geschonden. De klachten missen kortom feitelijke grondslag.
en nade aandelenoverdracht. [54] Het hof is in het bijzonder niet voldoende (kenbaar) ingegaan op stellingen die er op neerkomen dat er – hoewel geen expliciete toestemming – op zijn minst impliciete toestemming voor de overdracht is gegeven, hetgeen zonder meer een relevante omstandigheid is in het kader van het beroep op matiging en door het hof in zijn oordeelsvorming (kenbaar) had moeten worden meegewogen. Voor zover het hof deze omstandigheid niet heeft meegewogen, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.
van Korpodekowas vereist voor handelingen die, kort gezegd, het tenietgaan van de vordering op DAE ten gevolg hebben (zie hiervoor 2.3 voor deze bepaling). Kennelijk heeft het hof [verzoeker] stelling dat [betrokkene 4] (achteraf) impliciet met de verkoop en overdracht van de aandelen heeft ingestemd in rov. 3.27 verworpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van het citaat in rov. 3.27 waaruit blijkt dat [betrokkene 4]
explicietheeft aangegeven dat [verzoeker] voor de verkoop
toestemming nodig heeftvan Korpodeko. In dat licht is goed te volgen dat het hof stellingen heeft verworpen die inhouden dat [betrokkene 4] (na de verkoop en aandelenoverdracht) louter stilzwijgend heeft ingestemd. Er was volgens het hof kortom geen toestemming en dat was dus ook geen omstandigheid die het hof diende mee te wegen bij de beoordeling van de matiging. [56] De klachten stuiten op het voorgaande af.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
omstandigheid (i)zou volgens het onderdeel al in rov. 2.23, tweede en derde volzin, door het hof zijn meegewogen. Ik volg Korpodeko daarin niet. Zelfs als daarin valt te lezen wat het middel erin leest, dan blijft staan dat het hof in rov. 3.23 over die omstandigheid geen eindbeslissing heeft gegeven, althans in ieder geval niet als zelfstandige factor voor matiging van de boete. [60] Het hof heeft daar namelijk alleen twijfels geuit over de vraag of de aandelenoverdracht in het belang van DAE was, om vervolgens te concluderen dat er (hoe dan ook) geen enkele rechtvaardiging was om de gelden die voor DAE bestemd waren achter te houden. Het hof heeft aldus in het midden gelaten of omstandigheid (i) tot matiging moet leiden. Voor de in 5.3 genoemde
omstandigheid (ii)geldt hetzelfde: het hof heeft die omstandigheid in het eindvonnis, in rov. 2.21, voor zover al meegewogen, niet als zelfstandige matigingsfactor beoordeeld. [61] Het hof heeft zo bezien kunnen oordelen dat het de twee in rov. 3.25 bedoelde omstandigheden in het eindvonnis van 21 september 2021 nog niet als
zelfstandigematigingsfactoren heeft beoordeeld. Daarop stuiten de klachten van het onderdeel af.