ECLI:NL:PHR:2026:665

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
24/01018
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis lid 1 SrArt. 420ter lid 1 SrArt. 365a SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gewoontewitwassen ondanks betwisting herkomst geldbedragen

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot 23 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens gewoontewitwassen van contante geldbedragen tussen 2014 en 2019.

De verdediging voerde aan dat de contante bedragen afkomstig waren uit legale verkoop van bitcoins en legale inkomsten uit eenmanszaken, maar het hof oordeelde dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en geloofwaardige verklaring had gegeven die dit aannemelijk maakte. Het hof baseerde zich op een kasopstelling waaruit bleek dat de verdachte meer contant had uitgegeven dan hij uit legale bronnen kon verklaren.

De Hoge Raad concludeert dat het hof het wettelijk toetsingskader correct heeft toegepast, de bewijsvoering begrijpelijk en toereikend heeft gemotiveerd, en dat de verklaring van de verdachte onvoldoende verifieerbaar was. Ook de klachten over de contante betalingen aan derden en de wijze van factureren werden verworpen. Wel is ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen behalve voor de strafduur, die wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01018
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 7 maart 2024 (parketnummer 20-000420-21) door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de teruggave gelast aan de verdachte van in beslag genomen, nog niet teruggegeven schriftelijke documenten.
1.2
Er bestaat samenhang met zaak 24/01422. Dat is de aan deze strafzaak verbonden ontnemingszaak. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 19 maart 2024 ingesteld namens de verdachte. R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
1.4
De uitkomst van deze conclusie is dat het middel faalt.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het hof ten onrechte het aan [de verdachte] ten laste gelegde (gewoonte)witwassen [heeft] bewezenverklaard althans [dat] het hof die bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.”
2.2
Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 10 september 2019, in Nederland, van voorwerpen, te weten contante geldbedragen van in totaal 585.997,77 euro, bestaande uit:
- een geldbedrag van 226.827,77 euro (pag. 600, AMB-046) en/of
- een geldbedrag van 42.000,- euro (pag. 562, AMB-039) en/of
- een geldbedrag van 45.440,- euro (pag. 518, AMB-036) en/of
- een geldbedrag van 60.000,- euro (pag.651, AMB-057) en/of
- een geldbedrag van 211.730 euro (pag. 662, AMB-059 en/of pag. 672, AMB-060),
de werkelijke aard en/of de herkomst verborgen/verhuld en/of voorhanden heeft gehad en/of verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat de voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv opgenomen (36) [1] bewijsmiddelen.
2.4
Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot de in het middel bestreden bewezenverklaring de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft [zich] – onder meer door verwijzing naar de pleitnota in eerste aanleg – op het standpunt gesteld dat verdachte van het witwassen van de onder primair opgenomen geldbedragen dient te worden vrijgesproken nu deze geldbedragen niet uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Vooraleer het standpunt van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijke in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen te bespreken, stelt het hof met betrekking tot het witwassen allereerst het navolgende voorop.
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (hof: witwassen) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond [dat het niet anders kan zijn dan dat] het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof allereerst met de rechtbank (vonnis pagina 4) vast dat in de onderhavige zaak geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf.
Beoordeeld zal derhalve dienen te worden of het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Standpunt verdediging
Het hof zal niet de volgorde van de pleitnota van de verdediging in hoger beroep aanhouden maar de volgorde van de onder de diverse gedachtestreepjes in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen.
- geldbedrag van eur. 268.927,77 (eerste gedachtestreepje tenlastelegging)
Verkoop bitcoins
De verdediging heeft in het hoger beroep voortgeborduurd op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat verdachte in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht waarmee verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld heeft verworven waardoor de uit de kasopstelling blijkende contante uitgaven verklaarbaar zijn. Waarbij nogmaals is gewezen op de verklaring die [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft omtrent de kasopstelling het navolgende vastgesteld (pg. 4 van het vonnis):
In het proces-verbaal AMB-046 is een eenvoudige kasopstelling uitgewerkt. In deze kasopstelling zijn de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019, voor zover die uit het onderzoek bekend zijn geworden, in kaart gebracht.
Vervolgens heeft de rechtbank omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen het navolgende overwogen (pagina 5 en 6 van het vonnis):

In de kasopstelling zijn de werkelijke contante uitgaven inclusief de bankstortingen betrokken. Deze contante uitgaven en bankstortingen bedragen in totaal € 285.947,77. Uit de kasopstelling blijkt echter dat verdachte € 17.020,00 beschikbaar had voor het doen van uitgaven. Hierbij zijn betrokken de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen ter waarde van € 59.020,00 verminderd met het aangetroffen contante geldbedrag van € 42.000,-. De rechtbank heeft geconstateerd dat het bedrag van € 59.020,00 een optelsom is van alle bedragen die contant zijn opgenomen door verdachte en zijn partner, genoemd (…) in AMB-010 op pagina 381 en verder van het procesdossier en AMB-022 op pagina 440 en verder van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 59.020,00,- in werkelijkheid neerkomt op € 59.120,00,-. Omdat het bedrag van € 42.000,- al apart is genoemd bij contante geldbedragen (zie hieronder) is de rechtbank van oordeel dat het ten onrechte ook in de kasopstelling is meegenomen en uitgegaan moet worden van € 59.120,00 als beschikbaar voor contante uitgaven.
Het bedrag van € 268.927,77 als uitkomst van de kasopstelling genoemd in de tenlastelegging moet gelet op het voorgaande € 226.827,77,- zijn, welk bedrag verdachte en zijn partner in de periode 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019 meer hebben uitgegeven dan er uit bekende (legale) bronnen bij hen is binnengekomen. Daaruit maakt de rechtbank op dat er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat ten aanzien van dit bedrag.
Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag van € 226.827,77 uit enig misdrijf afkomstig is.
Vervolgens heeft de rechtbank omtrent de verklaring die verdachte hieromtrent heeft afgelegd het volgende overwogen (pagina 9 van het vonnis):

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd.
en omtrent de opbrengsten (pag. 9 van het vonnis):

Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht. Met deze verkopen zou verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld hebben verworven.
De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkel bescheid heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat deze verkopen hebben plaatsgevonden.
Op verzoek van de verdediging is [getuige 1] op 1 juli 2020 gehoord door de rechter-commissaris. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte in februari 2017 bij hem op bezoek was in Hongarije en verdachte bitcoins aan [betrokkene 2] heeft verkocht ter waarde van € 70.000,-. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [verdachte] eind 2017 wederom bij hem op bezoek was en verdachte opnieuw bitcoins heeft verkocht aan [betrokkene 2] ter waarde van € 155.000,-. De getuige kon geen contactgegevens dan wel andere concrete, min of meer verifieerbare gegevens van [betrokkene 2] overleggen.
en (pagina 9 van het vonnis):

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring verschaft omtrent de herkomst van de geldbedragen nu deze verklaring niet door de bevindingen in het dossier wordt geschraagd, maar ook niet door verdachte wordt voorzien van voldoende en concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan nader onderzoek kan plaatsvinden om verdachtes verklaring te verifiëren. Daarvoor is allereerst van belang dat de verklaring van [getuige 1] op een aantal essentiële punten tegenstrijdig is met de verklaring van verdachte op de zitting van 17 december 2019. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 samen met een vriend bitcoins van [getuige 1] heeft gekocht en in 2017 deze bitcoins weer via [getuige 1] heeft verkocht, waarbij hij de bitcoins op naam van [getuige 1] zou hebben laten schrijven en [getuige 1] toen de waarde contant zou hebben uitbetaald. [getuige 1] verklaart dat verdachte in 2016 heeft gezegd dat hij bitcoins had en dat hij geen bitcoins van verdachte heeft gekocht, maar dat de verkoop van bitcoins aan iemand anders bij hem thuis heeft plaatsgevonden, waarbij die andere persoon het geld heeft betaald. De stelling van de verdediging dat de verklaring van verdachte onjuist zou zijn opgenomen in dat proces-verbaal, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet. Het zou dan niet één enkele verspreking betreffen, maar drie punten waarop verdachte iets fundamenteel anders heeft verklaard dan [getuige 1] . De verklaring van verdachte dat hij in 2013 bitcoins zou hebben verkocht tegen een waarde van € 80,000,-, hetgeen hij in contanten zou hebben ontvangen, is verder geenszins onderbouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte dat hij in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht, ook wanneer van de verklaring van [getuige 1] zou worden uitgegaan, op geen enkele wijze is te verifiëren.
Het hof neemt vorenstaande overwegingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en is op grond daarvan van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte opbrengsten uit de verkoop van bitcoins heeft verkregen.
De rechtbank heeft verder omtrent een aantal in de kasopstelling opgenomen contante uitgaven nog het volgende vastgesteld en overwogen.
- contante opwaardering van kaarten van casino [A] BV (pagina 10 van het vonnis):

Ten aanzien van de opwaardering van kaarten van het casino [A] B.V. overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat verdachte in totaal voor een bedrag van € 21.485,- contant heeft ingelegd op vijf casinokaarten, met onder andere coupures van € 500,- en € 200,-. Uit het dossier blijkt dat de ingelegde contanten niet afkomstig kunnen zijn geweest van eventueel in het casino behaalde winsten. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om deze post uit te sluiten van de kasopstelling.
Het hof neemt de overweging over en maakt deze tot de zijne en overweegt aanvullend.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ter betwisting dat deze contante uitgaven door verdachte zijn gedaan nog verwezen naar de verklaring van de [getuige 2] , operationeel manager bij [A] BV, bij de raadsheer-commissaris van dit hof. Uit die verklaring zou volgen dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte met vijf casinokaarten tegelijkertijd heeft gespeeld en dat het derhalve niet aannemelijk is dat de contante uitgave van € 21.485,- alleen door verdachte op die kaarten is ingelegd.
Het hof volgt de verdediging niet in deze stelling. Weliswaar heeft [getuige 2] tijdens genoemd verhoor verklaard dat het niet handig is om met vijf casinokaarten tegelijkertijd te spelen maar dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat verdachte wel alleen het bedrag van € 21.485 op die kaarten heeft ingelegd mede nu aanwijzingen ontbreken dat daarop ook door anderen zou zijn ingelegd. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat deze contante uitgave in de kasopstelling dient te worden betrokken.
- contante betalingen aan [B] .
De rechtbank heeft omtrent de contante betalingen aan [B] het navolgende vastgesteld (pagina 10 van het vonnis):

Ten aanzien van de contante betalingen aan [B] heeft de rechtbank vastgesteld dat het dossier diverse stortingsbewijzen en bankafschriften van [B] bevat. Op deze stortingsbewijzen is telkens de naam van verdachte geschreven. De stortingsbewijzen dateren uit de periode waarin de facturen volgens [B] zijn betaald. Bovendien stelt de rechtbank vast dat twee van de stortingsbewijzen overeenkomen met twee facturen, te weten het stortingsbewijs van 20 maart 2018 met een gestort bedrag van € 14.450,-, pagina 1247 van het procesdossier, en het stortingsbewijs van 25 mei 2018, pagina 1244 van het procesdossier.
Omtrent de verklaring van verdachte heeft de rechtbank overwogen (pagina 10 van het vonnis):

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen andere facturen zou hebben betaald dan degene die per bank is voldaan, gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig. De contante betalingen aan [B] worden derhalve terecht betrokken in de kasopstelling.
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgaven – anders dan de verdediging heeft gesteld – in de kasopstelling.
- contante betaling aan [C]
De rechtbank heeft omtrent de contante betaling aan [C] het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis):

De rechtbank overweegt ten aanzien van de factuur van [C] dat deze factuur zoals gesteld door de raadsman, is aangetroffen in de administratie van [D] . De contante betaling van deze factuur kan volgens de rechtbank niettemin worden meegenomen in de kasopstelling, omdat van de inkomsten van [D] tevens een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld – in de kasopstelling.
- contante betalingen van de BMW
De rechtbank heeft omtrent de contante uitgave aan BMW het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis):

Het dossier bevat slechts twee girale betalingen voor de huur van het voertuig, terwijl de overeenkomst voor langere duur is afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat, nu enige aanwijzing van andere girale betalingen ontbreekt, het niet anders kan dan dat de overige huurbetalingen contant zijn verricht en sluit om die reden deze post niet uit van de kasopstelling.
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld – in de kasopstelling.
Resumerend komt het hof gelet op het vorenstaande met de rechtbank tot een bewezenverklaring van het witwassen van een geldbedrag van € 226.927,77, onder verwerping van het andersluidende standpunt van de verdediging.”
Het juridisch kader
2.5
Het primair bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” in de zin van art. 420ter Sr. Art. 420bis lid 1 Sr en art. 420ter lid 1 Sr luiden:
-
Art. 420bis lid 1 Sr:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
-
Art. 420ter lid 1 Sr:
“Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.6
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr) is, gelet op het doel en de strekking van die wetsbepalingen en mede in het licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis/420ter Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. [2] Dat een voorwerp “uit enig misdrijf afkomstig is”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. [3] Als de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. [4]
De bespreking van het middel
2.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader voor witwassen zonder (bekend) gronddelict – welk kader ik hiervoor onder randnr. 2.6 heb uiteengezet – op onjuiste wijze heeft toegepast. Volgens de steller van het middel is het hof namelijk ten onrechte dan wel op onjuiste gronden tot het oordeel gekomen dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. Het middel valt blijkens de toelichting daarop uiteen in vijf deelklachten.
2.8
In de
eerste deelklachtwordt geklaagd dat de verdachte – anders dan het hof heeft overwogen – ten aanzien van het bewezen verklaarde witwasbedrag van € 226.827,77 wel een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot de herkomst van dat geldbedrag. De verklaring dat hij bitcoins heeft verkocht waarmee hij in totaal € 305.000,- aan contant geld heeft verworven, is namelijk concreet. Die verklaring is ook niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte is bepleit dat i) hij tijdens de belastingcontrole – die aan de strafzaak is voorafgegaan – aandacht heeft gevraagd voor zijn bezit van bitcoins, ii) zijn partner heeft verklaard dat hij een wallet heeft en iii) in Oostenrijk contant geld veel gebruikelijker is dan in Nederland, zeker in de ten laste gelegde periode. De verklaring van de verdachte is ook geverifieerd door de verklaring van de [getuige 1] die de verklaring van de verdachte in de kern heeft bevestigd. De verkoop van bitcoins betreft een legale aangelegenheid. Gelet op wat door en namens de verdachte is aangevoerd, had het hof niet tot het oordeel mogen komen dat het niet anders kan zijn dan dat de betreffende gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn, aldus de steller van het middel. Daar komt bij dat het hof ten onrechte van de verdachte heeft verlangd dat ook de verklaring van de [getuige 1] verifieerbaar moet zijn.
2.9
Het hof heeft, gelet op de eenvoudige kasopstelling, vastgesteld dat de verdachte op basis van legaal geachte inkomsten een bedrag van € 59.120,00 beschikbaar had voor het doen van (contante) uitgaven en dat de werkelijke contante uitgaven en bankstortingen € 285.947,77 bedroegen. Op grond daarvan heeft het hof vastgesteld dat de verdachte € 226.827,77 meer heeft uitgegeven dan waar hij op een legale manier over had kunnen beschikken. De resultaten van de eenvoudige kasopstelling leveren volgens het hof een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op.
2.1
Dat het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden heeft geoordeeld dat het vermoeden is gerechtvaardigd dat het bewezen verklaarde bedrag van € 226.827,77 van enig misdrijf afkomstig is, acht ik geenszins onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.
2.11
Aangezien het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat zich een gerechtvaardigd witwasvermoeden voordeed, heeft het hof vervolgens terecht (kennelijk) geoordeeld dat op grond van dat vermoeden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 226.827,77.
2.12
Over de legale herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 226.827,77 is door de verdachte aangevoerd dat hij in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht. Daarmee heeft hij respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,-, en € 155.000,- aan contant geld verworven. Hierbij is verwezen naar de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de [getuige 1] . Volgens de verdachte zijn hierdoor de uit de kasopstelling blijkende contante uitgaven verklaarbaar.
2.13
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte opbrengsten uit de verkoop van bitcoins heeft verkregen. Daarbij heeft het hof onder meer het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft geen enkel bescheid overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de door hem gestelde verkoop van bitcoins heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden beroepen op zijn zwijgrecht. Pas op de terechtzittingen in eerste aanleg van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft de verdachte een verklaring afgelegd. De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2019 verklaard dat hij in 2013 samen met een vriend bitcoins van [getuige 1] heeft gekocht en dat hij in 2017 die bitcoins weer via [getuige 1] heeft verkocht. De verdachte heeft naar eigen zeggen de bitcoins op naam van [getuige 1] laten overschrijven, waarna [getuige 1] de waarde van de bitcoins contant heeft uitbetaald. [getuige 1] is op verzoek van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte in februari 2017 en eind 2017 bij hem in Hongarije op bezoek is geweest en dat de verdachte beide keren bitcoins aan [betrokkene 2] heeft verkocht ter waarde van € 70.000,- respectievelijk € 155.000,-. [getuige 1] heeft geen contactgegevens dan wel andere concrete, min of meer verifieerbare gegevens van [betrokkene 2] kunnen overleggen. De op de zitting in eerste aanleg van 17 december 2019 afgelegde verklaring van de verdachte over de verkoop van bitcoins is op een aantal essentiële punten tegenstrijdig met de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft namelijk – anders dan de verdachte – verklaard dat de verdachte in 2016 heeft gezegd dat hij bitcoins had en dat hij geen bitcoins van de verdachte heeft gekocht. De bitcoins zijn aan iemand anders bij [getuige 1] thuis verkocht, waarbij de koper het geld heeft betaald. De stelling van de verdediging dat de op de zitting in eerste aanleg van 17 december 2019 afgelegde verklaring van de verdachte onjuist is opgenomen in het proces-verbaal van die zitting is niet nader onderbouwd. Daarbij komt dat het niet een enkele verspreking betreft, maar drie punten waarover de verdachte fundamenteel anders heeft verklaard dan [getuige 1] . De verklaring van de verdachte dat hij in 2013 bitcoins heeft verkocht en daarmee € 80.000,- aan contant geld heeft verworven, is verder geenszins onderbouwd. De verklaring van de verdachte dat hij in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht is, ook wanneer van de verklaring van [getuige 1] zou worden uitgegaan, op geen enkele wijze te verifiëren.
2.14
Het standpunt van de steller van het middel dat het hof heeft miskend dat de verklaring van de verdachte in de kern is bevestigd door de verklaring van [getuige 1] deel ik niet. Het hof heeft immers niet onbegrijpelijk overwogen dat de verdachte en [getuige 1] op een aantal essentiële punten fundamenteel anders/tegenstrijdig hebben verklaard.
2.15
Daarnaast heeft het hof terecht mede op basis van de resultaten van het getuigenverhoor van [getuige 1] beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het bewezen verklaarde geldbedrag van € 226.827,77 uit enig misdrijf afkomstig is (zie randnr. 2.6). Daarbij heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in de verklaring van [getuige 1] essentiële en voor de hand liggende informatie ontbreekt over de door de verdachte gestelde verkoop van bitcoins die aanknopingspunten kan bieden voor nader onderzoek. Ik zie niet in waarom het hof deze omstandigheid niet zou mogen betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. Waar het op neerkomt is dat de verklaring van de verdachte – ook met de verklaring van [getuige 1] – onvoldoende verifieerbaar is.
2.16
Gelet op het voorgaande, heeft het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd overwogen dat de verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 226.827,77 aangezien de verklaring van de verdachte niet wordt geschraagd door de bevindingen in het dossier en door de verdachte ook niet is voorzien van voldoende en concrete aanknopingspunten.
2.17
De eerste deelklacht faalt.
2.18
In de
tweede deelklachtwordt geklaagd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante opwaardering kaarten casino [A] BV” van de kasopstelling onjuist althans onbegrijpelijk is. Gelet op de verklaring van de [getuige 2] , operationeel manager bij [A] , inhoudende dat de verdachte in groepsverband gokte en dat het niet gebruikelijk is dat één persoon met meerdere casinokaarten speelt, zijn er – anders dan het hof heeft overwogen – namelijk wel aanwijzingen dat ook anderen hebben ingelegd op de betreffende casinokaarten, aldus de steller van het middel.
2.19
Op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van bovengenoemde zitting gehechte pleitnota. Die pleitnota houdt het volgende in:

[A] B.V.
Met betrekking tot de gestelde uitgaven bij [A] B.V. is de verklaring van de [getuige 2] bij de RHC nog van belang. Uit die verklaring blijkt namelijk dat de vijf casinokaarten, waarop cliënt volgens het bestreden vonnis € 21.485,00 zou hebben ingelegd, werden gebruikt door zijn vriendengroep waarbinnen het geld werd verdeeld. [getuige 2] heeft ook verklaard dat normaal gesproken niet door één persoon met meerdere pasjes wordt gespeeld, omdat dat ‘niet handig’ is. Gelet hierop is niet aannemelijk dat cliënt in zijn eentje met die vijf casinokaarten heeft gespeeld en heeft de rechtbank derhalve ten onrechte de totale inleg op die kaarten aan hem toegerekend.”
2.2
De bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de [getuige 2] houdt het volgende in:

Op de vragen van de raadsman antwoord ik als volgt:
U houdt mij voor dat ik heb verklaard over [verdachte] dat hij deel uitmaakte van een groep die in groepsverband gokte. Ja, dat klopt. Naar mijn mening een groep vrienden die samenkwamen in het casino en daar speelden. Ze speelden in groepsverband, ze wonnen en verloren. Dat geld werd verdeeld in de groep, tenminste dat denk ik. Zo heb ik dat gezien.
(…)
U houdt mij voor dat ik ook heb verklaard dat hij heeft gevraagd of er op de bank kon word uitbetaald. Dat klopt. Hij had een aardig bedrag op de kaart staan en toen heb ik gezegd dat het te veel was om contant uit te betalen. Toen zei hij: “Je mag het ook per bank uitbetalen”. Toen zei ik dat dat per uitzondering kon, maar dat ik wel legitimatie moest zien en dat hij ervoor moest tekenen. Hij heeft ook een formulier daarvoor ingevuld. Dat heeft hij ook allemaal gedaan. Toen is het saldo van de kaart afgehaald en toen is het bij onze administratie terechtgekomen. Het is toen per bank naar hem overgemaakt. Ik heb daar ook het schrijven van als u dat graag wil zien. Ik heb lang gezocht om het formulier terug te vinden.
U vraagt mij of ik nog het saldo kan herinneren. Het ging om 32.000 euro.
De getuige overhandigt aan de raadsheer-commissaris het formulier en de legitimatie. Deze zullen als bijlagen worden gevoegd aan dit proces-verbaal.
U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat het om een uitbetaling van vijf pasjes ging. Dat klopt. Het totale saldo was 32.000 euro. Ik heb de pasjes ingenomen en het bedrag verminderd op de pasjes.
U vraagt mij of alle vijf de pasjes van [verdachte] waren. Hij is met alle vijf pasjes naar mij toe gekomen en hij heeft ze bij mij ingeleverd. Ik kan verder niet zien of die pasjes van hem waren of van iemand anders waren. Het zijn anonieme pasjes.
(…)
U vraagt mij of het gebruikelijk is dat er met meerdere pasjes door een persoon wordt gespeeld. Normaal gesproken is dat niet het geval. Dan komt iemand binnen met één pasje en daar wordt dan mee gespeeld. Met een pasje kun je op maximaal zes of acht automaten spelen. Dat wisselt elke keer. [verdachte] was met een hele groep.
U vraagt mij of er weleens meer mensen zijn geweest die met meerdere pasjes hebben gespeeld. Het gebeurt weleens, maar het is niet handig. Je weet niet meer met welk pasje op welke automaat je aan het spelen bent. De pasjes zien er hetzelfde uit, ze hebben alleen een ander serienummer.
U vraagt mij of het eigenlijk nooit gebeurt. Daar hebben wij geen zicht op, maar het kan natuurlijk wel.
U vraagt mij of het ooit gebeurt dat je met vijf pasjes speelt. Je kunt met 20 pasjes spelen, maar het is niet handig.”
2.21
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het totaalbedrag aan contante opwaardering van vijf casinokaarten aangevoerd dat niet de totale inleg op die kaarten aan de verdachte kan worden toegerekend aangezien niet aannemelijk is dat de verdachte in zijn eentje met die casinokaarten heeft gespeeld. Volgens de raadsman blijkt uit de verklaring van de [getuige 2] namelijk dat die casinokaarten werden gebruikt door de groep waarmee de verdachte in groepsverband gokte en waarbinnen het geld werd verdeeld. Uit die verklaring blijkt ook dat volgens [getuige 2] normaal gesproken niet door één persoon met meerdere casinokaarten wordt gespeeld, omdat dat niet handig is.
2.22
Het hof heeft het verweer van de verdediging verworpen. In dat verband heeft het hof overwogen dat de verklaring van [getuige 2] dat het niet handig is om met vijf casinokaarten tegelijkertijd te spelen onverlet laat dat de verdachte alleen het bedrag van € 21.485,- op die kaarten heeft ingelegd mede nu aanwijzingen ontbreken dat daarop ook door anderen geld zou zijn ingelegd.
2.23
Ik meen – anders dan de steller van het middel – dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging niet onbegrijpelijk is. Daarbij weeg ik mee dat blijkens de verklaring van [getuige 2] het de verdachte is geweest die de vijf casinokaarten ter uitbetaling heeft aangeboden en dat het casino het totaalbedrag op die kaarten heeft overgemaakt op de rekening van de verdachte. De enkele omstandigheid dat het volgens [getuige 2] niet handig is dat één persoon met meerdere casinokaarten tegelijkertijd speelt doet aan de begrijpelijkheid van de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging niet af. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de verdachte in groepsverband gokte. Die omstandigheid maakt namelijk nog niet dat die anderen dús ook een of meer van de vijf betreffende casinokaarten contant hebben opgewaardeerd. In dit verband merk ik nog op dat – anders dan de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd – [getuige 2] niet heeft verklaard dat de vijf casinokaarten door de groep waarmee de verdachte in groepsverband gokte, werden gebruikt.
2.24
De tweede deelklacht faalt.
2.25
In de
derde deelklachtwordt geklaagd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante betaling voor tuinwerkzaamheden [B] ” van de kasopstelling niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Aangevoerd wordt dat de stortingsbewijzen waarnaar in de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank wordt verwezen niet door het hof tot het bewijs zijn gebezigd. Daarnaast is aangevoerd dat het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van de kasopstelling, inhoudende dat uit derdenonderzoek door de belastingdienst is gebleken dat door de verdachte tevens facturen contant zijn betaald aan [B] , in strijd is met de door de verdachte in eerste aanleg overgelegde brief van de Ontvanger van de Belastingdienst van 29 maart 2019. Uit die brief blijkt immers dat de Ontvanger derdenbeslag heeft gelegd op de vordering van [B] op de verdachte. Daarmee is volgens de steller van het middel erkend dat de verdachte de rekening van [B] niet heeft voldaan en heeft het hof ten onrechte de overwegingen van de rechtbank overgenomen zonder hierop in te gaan.
2.26
De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende drie in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv opgenomen bewijsmiddelen:
“2. (AMB-046)
Proces-verbaal eenvoudige kasopstelling [verdachte] en [betrokkene 1] , AMB-046, d.d. 8 november 2019, p. 600-605, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
p. 600
Met inachtneming van de verzamelde gegevens tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar verdachten [verdachte] en [betrokkene 1] is een eenvoudige kasopstelling gemaakt voor de periode 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019:
Beginsaldo contant geld € 0,00
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 59.020,00
-/- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 285.947,77
Verschil meer uitgegeven dan mogelijk - € 268.927,77
[de rechtbank gaat uit van: - € 226.927,77,-]
p. 601:
Werkelijke contante uitgaven
Het bedrag aan werkelijke contante uitgaven bestaat uit onderstaande contante uitgaven:
(…)
Contante betaling voor tuinwerkzaamheden [B] € 125.300,00
(…)
7. (AMB-046)
Proces-verbaal eenvoudige kasopstelling [verdachte] en [betrokkene 1] , AMB-046, d.d. 8 november 2019, p. 600-605, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Contante betaling voor tuinwerkzaamheden [B]
Uit derdenonderzoek door de belastingdienst is gebleken dat er door [verdachte] tevens facturen contant zijn betaald aan [B] betreffende uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen.
Er is een bedrag van € 125.299,99 contant betaald door [verdachte] aan [B] . Dit bedrag zal worden meegenomen in deze kasopstelling.
8.
Een proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , G12-01, d.d 14 oktober 2019, p. 302-307, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
p. 305:
Factuurdatum
Factuurnummer
Bedrag
Betaling
21-09-17
20170129
24.000,00
Contant
04-10-17
20170132
23.999,99
Contant
16-10-17
20170155
15.064,50
Bank
18-10-17
20170149
9.640,70
Contant
04-12-17
20170182
64.669,62
Contant
09-01-18
180003
-28.310,25
Creditfactuur
14-03-18
180021
31.249,92
Contant
20-03-18
180023
14.450,00
Contant
30-04-18
180068
9.600,00
Contant
Correctie
-24
Totaal
140.364,48
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u hierover verklaren?
Antwoord gehoorde:
“Een factuur is dubbel opgevoerd en is naderhand door de boekhouder gecorrigeerd. Verder zijn alle facturen betaald zoals op uw schema ook is aangegeven.”
2.27
Of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn, kan in cassatie niet worden onderzocht. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie alleen op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. [5]
2.28
De rechter die zich – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens moet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten en omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. [6] In gevallen waarin niet alle redengevende feiten of omstandigheden kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel is aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, kan echter het verhandelde ter terechtzitting – waaronder begrepen de inhoud van de daar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen daar naar voren is gebracht – aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. [7]
2.29
In de bewijsvoering van het hof ligt besloten dat de verdachte facturen van [B] betreffende uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen contant heeft voldaan tot een bedrag van in totaal € 125.300,- (te weten € 140.364,- minus € 15.064,-). Die vaststelling/gevolgtrekking is feitelijk van aard en kan in cassatie enkel op begrijpelijkheid worden onderzocht. Gelet op de inhoud van de in randnr. 2.26 weergegeven bewijsmiddelen, acht ik die vaststelling/gevolgtrekking geenszins onbegrijpelijk. Ik meen dat aan die begrijpelijkheid niet afdoet dat de Ontvanger van de Belastingdienst derdenbeslag heeft gelegd op de vordering van [B] op de verdachte. Het behoort namelijk tot de taak van het hof om de zaak zelfstandig te beoordelen en in dat verband de voor het bewijs van het tenlastegelegde relevante feiten vast te stellen en te waarderen. Daarbij is het hof niet gebonden aan het in een fiscale kwestie door de Ontvanger van de Belastingdienst kennelijk ingenomen standpunt dat [B] (nog steeds) een vordering op de verdachte heeft.
2.3
Uit de bewijsoverwegingen van het hof kan verder worden afgeleid dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de in de kasopstelling opgenomen contante betalingen aan [B] van de kasopstelling moeten worden uitgesloten en dat de verdachte in dat verband heeft verklaard dat hij geen andere facturen van [B] heeft betaald dan de facturen die per bank zijn voldaan.
2.31
Het hof is in zijn nadere bewijsoverwegingen uitdrukkelijk ingegaan op de verklaring van de verdachte en heeft die niet geloofwaardig geacht. Het hof heeft in dat verband overwogen dat in het dossier diverse stortingsbewijzen van [B] zitten waarop telkens de naam van de verdachte is geschreven. De stortingsbewijzen dateren uit de periode waarin de facturen van [B] volgens [B] door de verdachte zijn betaald. Bovendien komen de stortingsbewijzen van 20 maart 2018 en 25 mei 2018, te vinden op pagina’s 1247 en 1244 van het procesdossier, overeen met twee facturen van [B] . Gelet hierop, heeft het hof niet onbegrijpelijk de verklaring van de verdachte dat hij geen andere facturen heeft betaald dan de facturen die per bank zijn voldaan, niet geloofwaardig geacht.
2.32
Het hof heeft met voldoende mate van nauwkeurigheid de stortingsbewijzen en de daarin opgenomen redengevende feiten en omstandigheden, aangeduid. Gelet op wat onder randnr. 2.28 is vooropgesteld, is de in de derde deelklacht besloten liggende opvatting dat de stortingsbewijzen onder de gebezigde bewijsmiddelen hadden moeten worden opgenomen, omdat het hof zich in de nadere bewijsoverwegingen daarop heeft beroepen, onjuist.
2.33
De derde deelklacht faalt.
2.34
In de
vierde deelklachtwordt geklaagd dat het hof niet heeft gereageerd op de kern van het verweer van de verdediging dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen indirect afkomstig zijn van gerenommeerde bedrijven en een legale herkomst van die bedragen dus niet kan worden uitgesloten. Volgens de steller van het middel heeft het hof ten onrechte desondanks overwogen dat die bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Bovendien is dat oordeel, gelet op de feiten en omstandigheden die het hof daarbij in aanmerking heeft genomen, onvoldoende gemotiveerd. Door en namens de verdachte is namelijk een uitleg gegeven voor die feiten en omstandigheden. Die feiten en omstandigheden zeggen daarnaast niets over de herkomst van de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen. Tot slot wordt aangevoerd dat de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging ten aanzien van de post “contante betaling aan [C] ” onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is. In dat verband wordt aangevoerd dat door en namens de verdachte is aangetoond dat een legale herkomst van de inkomsten van de eenmanszaak van de verdachte niet kan worden uitgesloten en dat dit dus ook heeft te gelden voor de uitgaven van die inkomsten, zoals de contante betaling aan [C] .
2.35
De op de terechtzitting van het hof van 22 februari 2024 overgelegde pleitnota van de raadsman houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

Strafzaak
Belangrijk bezwaar tegen het vonnis in de strafzaak is dat de rechtbank heeft miskend dat in witwaszaken als deze de herkomst van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen centraal staat. De wet vereist dat die voorwerpen van misdrijf afkomstig moeten zijn en onder meer de in eerste aanleg aangehaalde jurisprudentie vereist dat de legale herkomst van die voorwerpen moet kunnen worden uitgesloten.
Een goed voorbeeld van de miskenning hiervan door de rechtbank zijn de overwegingen over de inkomsten uit cliënts onderneming [D] . Aan de hand van diverse bewijsstukken is aangetoond dat die inkomsten uiteindelijk afkomstig waren van gerenommeerde bedrijven als [E] BV. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen in eerste aanleg namens cliënt is aangevoerd, hetgeen ik u bij uw hof bekend veronderstel.
In het kader van het voortbouwend appel worden de in eerste [aanleg] gevoerde verweren in hoger beroep onverkort gehandhaafd en verzoek ik u er uitdrukkelijk mee in te stemmen dat de inhoud van de bij de rechtbank voorgedragen pleitnotitie als hier herhaald en ingelast kan worden beschouwd. [8]
De rechtbank heeft in reactie op genoemd verweer vastgesteld dat door de verdediging een
paper trailzou zijn geschetst, die de schijn wekt dat de gefactureerde bedragen van [F] en [D] zijn gebaseerd op werkzaamheden die cliënt en zijn partner daadwerkelijk hebben verricht. Maar de rechtbank vond de resultaten van het door de FIOD verrichte feitelijke onderzoek van dien aard dat mede op basis daarvan geen andere conclusie mogelijk is dan dat die gefactureerde bedragen van in totaal € 287.613,- onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig zijn.
Hieruit volgt dat de rechtbank het antwoord op de vraag of de door de ondernemingen van cliënt (en zijn partner) verkregen bedragen uit misdrijf afkomstig zijn, afhankelijk stelt van het antwoord op de vraag of de door hen gefactureerde bedragen corresponderen met de door hen verrichte werkzaamheden. Hiermee heeft de rechtbank in die zin de plank mis geslagen, dat zij voorwerpen
met behulp waarvaneen misdrijf is begaan (i.c. valsheid in geschrifte c.q. valse facturen) heeft verward met voorwerpen die
uitmisdrijf afkomstig zijn.
Dit wordt duidelijk uit het arrest dat de Hoge Raad in de tussentijd op 12 oktober 2021 [ECLI:NL:HR:2021:1491] heeft gewezen. In die zaak was witwassen ten laste gelegd in een geval van hypotheekfraude. Er was sprake van een fictief dienstverband, dat was aangegaan kort voordat de verdachte een huis wilde kopen. Voor iedere uitbetaling van salaris werd hetzelfde bedrag contant op de rekening van de werkgever gestort. Uw Hof stelde vast dat die salarisbetalingen afkomstig waren uit valsheid in geschrift, omdat de betaling van het salaris samenhing met het gebruik van valse geschriften waaronder een valse werkgeversverklaring. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat die enkele samenhang echter onvoldoende is voor een bewezenverklaring van witwassen:
“Voorwerpen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (...) uit enig misdrijf in de zin van de artikelen 420bis en 420ter Sr indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen. Voorwerpen ‘met behulp waarvan’ een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.”
Vertaald naar deze zaak heeft de rechtbank ten onrechte bewezen verklaard dat de door [F] en [D] gefactureerde bedragen van misdrijf afkomstig zijn, omdat:
- de gefactureerde bedragen niet zouden stroken met de werkelijkheid;
- cliënte en [betrokkene 3] dezelfde boekhouder hadden als hun opdrachtgevers;
- de FIOD niemand aantrof op het adres waarvan cliënt had verklaard zijn werkzaamheden te beginnen;
- er wisselende verklaringen zijn afgelegd over de werktijden van cliënt.
Hier wordt duidelijk niet gesproken over ‘... een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in artikel 420bis Sr genoemde delictsgedragingen ...’. Deze omstandigheden zeggen niets over de herkomst van de gelden, waarmee die facturen zijn betaald.
Die herkomst is – zoals in eerste aanleg al is aangetoond – gelegen in volstrekt gerenommeerde bouwondernemingen als [E] en daarom kan niet gezegd worden dat die van misdrijf afkomstig zijn.
Daar komt bij dat de door de rechtbank aangehaalde omstandigheden heel goed zijn uit te leggen. De gebreken aan de facturen zullen zijn veroorzaakt door het gebrek aan administratieve vaardigheden bij cliënt. Aan het gebruik van dezelfde boekhouder lagen puur pragmatische redenen ten grondslag. Dat tijdens het FIOD-bezoek niemand aanwezig was op de [a-straat] in [plaats] , waarvandaan cliënte werkte, kwam doordat iedereen toen al vertrokken was naar de bouwprojecten elders in het land. Over de wisselende verklaringen inzake de werktijden van cliënt kan ik volstaan met een verwijzing naar de verklaringen die zijn partner en ouders van cliënt op 2 mei 2023 bij RHC hebben afgelegd, omdat daaruit eens te meer blijkt dat cliënt de door hem gestelde werkzaamheden in het grondverzet wel degelijk heeft uitgevoerd.”
2.36
De op de terechtzitting van de rechtbank van 25 januari 2021 overgelegde pleitnota van de raadsman houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):

4.6Ook de uitgave van € 2.380,- aan [betrokkene 4] is ten onrechte in de kasopstelling opgenomen. De daarop betrekking hebbende kassabon (waarop overigens niet is te zien wat er zou zijn gekocht) is immers aangetroffen in een map met het opschrift ‘ [D] 2016’, zodat er van uit moet worden gegaan dat dat een zakelijke uitgave is geweest. Deze hoort daarom niet thuis in deze privé-kasopstelling, waar de zakelijke kas van cliënt niet in is meegenomen.
(…)
8. – Witwassen van € 288.618,84 (afkomstig van de opdrachtgevers van [D] ).
8.1
Tot slot het onderdeel van tenlastelegging, waarvan gezegd moet worden dat het niet echt is uitgerechercheerd door de FIOD, namelijk de beschuldiging dat cliënt een bedrag van € 288.618,84 zou hebben witgewassen via de opdrachtgevers van zijn eenmanszaak [D] (zo begrijp ik althans de dagvaarding op dit punt). Die opdrachtgevers betroffen volgens het in dit verband opgemaakte p-v van bevindingen (AMB-060) [G] BV, [H] BV en [I] BV.
8.2
Over [G] BV wordt gerelateerd dat het gevestigd is geweest in een pand aan de [b-straat 1] te [plaats] , waarin begin 2017 een ondergrondse hennepkwekerij zou zijn aangetroffen. Nog afgezien van het feit dat nergens uit blijkt dat [G] BV iets met die hennepkwekerij te maken had – er waren wel meer bedrijven op dat adres gevestigd – is hiermee natuurlijk niet gezegd dat de bedragen die cliënt aan dat bedrijf heeft gefactureerd en betaald gekregen van misdrijf afkomstig zijn, of beter: van misdrijf afkomstig moeten zijn. Een legale herkomst moet immers worden uitgesloten.
8.3
Ook de diverse getuigenverklaringen over de werkzaamheden van cliënt, die zich in het dossier bevinden, tonen die criminele herkomst niet aan. Daaruit blijkt hooguit dat diverse relaties van hem, onder wie zijn ouders en schoonouders, niet precies weten welk werk hij doet en dat hij vaak ook ’s nachts werkt. Maar zijn partner, [betrokkene 3] , weet dat wel precies te vertellen (V02-02), net als zijn boekhouder [betrokkene 5] (G07-02).
8.4
In genoemd p-v van bevindingen wordt over [G] BV verder gerelateerd dat bij een bezoek aan het vestigingsadres aan de [a-straat 1] in [plaats] is gebleken dat er niemand aanwezig was. Er waren ook geen reclameborden te zien. Er was zelfs geen deurbel. Hetzelfde gold voor de op hetzelfde adres gevestigde opdrachtgever [I] BV, waarvan bestuurder [betrokkene 6] via zijn advocate aan de FIOD heeft laten weten dat hij niet gehoord wilde worden. Mede gelet op de omzetcijfers van de betreffende bedrijven over het eerste kwartaal van respectievelijk € 1.115.699 en € 342.00 vonden de betreffende FIOD-ambtenaren dat ongebruikelijk.
8.5
Dat mogen de die rechercheurs natuurlijk vinden, maar daarmee is natuurlijk niet het bewijs geleverd dat de van die opdrachtgevers afkomstige bedragen van misdrijf afkomstig zijn. Er is immers, zoals al eerder aangevoerd, een aanzienlijk verschil tussen het schetsen van ongebruikelijkheden en het wettig en overtuigend bewijzen van witwassen.
8.6
De [betrokkene 7] van [H] wordt in het dossier in verband gebracht met een in 2016 aangetroffen hennepkwekerij. Hij is in die kwestie ook vervolgd en bij vonnis d.d. 22 januari 2018 onherroepelijk vrijgesproken in die zaak door de rechtbank Gelderland (bijlage 2). Ook op dit punt moet derhalve worden vastgesteld dat de door het OM gestelde criminele herkomst bepaald niet is komen vast te staan.
8.7
Wel staat vast dat de FIOD niet echt intensief onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de omzet van de eenmanszaak van cliënt. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat wel erg makkelijk genoegen is genomen met de mededeling van advocaat van [betrokkene 6] dat hij niet wenste te worden gehoord, maar ook uit het feit dat niet de moeite is genomen om uit te zoeken hoe het is afgelopen met de verdenking van de [betrokkene 7] van hennepteelt in 2016.
8.8
Belangrijker is nog om vast te stellen dat de FIOD heeft nagelaten te onderzoeken waar het geld van afkomstig is, dat genoemde opdrachtgevers aan de eenmanszaak van cliënt hebben betaald. Indien de FIOD-ambtenaren dat wel hadden gedaan, waren zij er namelijk achter gekomen dat cliënt en zijn opdrachtgevers onderdeel uitmaken van een soort van poule van bedrijven, onder wie opdrachten in het grondwerk worden verdeeld. De verklaring van [betrokkene 5] had hier aanleiding toe kunnen zijn.
Die omschreef de opdrachtgevers van cliënt tijdens zijn FIOD-verklaring immers al als een soort ‘werkverdelers’ voor werkzaamheden in grondverzet. Ook de verklaring van [betrokkene 8] van [J] BV wijst hier op. Daaruit blijkt dat ook die onderneming actief is in het grondwerk (“van stratemakers tot graafploeg”) en dat zij ZZP’ers aan het werk had. Cliënt was één van die ZZP’ers.
8.9
In die poule van bedrijven speelt [K] BV een centrale rol, in die zin dat de opdrachtgevers van cliënt over het algemeen als onderaannemer van die onderneming fungeren (
bijlagen 3 t/m 8). [K] BV – die wel een website heeft (
bijlage 9) – behaalt zijn omzet weer uit opdrachten van gerenommeerde bedrijven als [E] BV (
bijlage 10).
8.1
De conclusie is dat het in het vijfde onderdeel (gedachtestreepje) van de tenlastelegging genoemde bedrag uiteindelijk, oftewel indirect, afkomstig is van bedrijven als [E] . Er is geen enkele, maar dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat die dat geld op criminele wijze hebben verkregen. In tegendeel, de opdrachtgevers van [K] BV zijn allemaal bonafide ondernemingen die niet in verband kunnen worden gebracht met enig strafbaar feit. Onder deze omstandigheden behoeft het natuurlijk geen betoog dat de legale herkomst van de gelden, die (middellijk) van die bedrijven afkomstig zijn, alles behalve kan worden uitgesloten.
8.11
Dan zou het OM nog kunnen stellen dat de betreffende bedragen toch van misdrijf afkomstig zijn door de wijze waarop cliënt die heeft verkregen, omdat zijn eenmanszaak slechts een schijnconstructie zou zijn geweest. Daarbij zou een beroep kunnen worden gedaan op het feit dat zijn schoonouders niet goed wisten wat voor werkzaamheden hij verrichtte, dat hij weinig inkoopbonnen had, geen kilometeradministratie overlegde, zijn boekhouder weinig belde (met een anoniem nummer) en volgens zijn partner soms in zijn trainingsbroek en soms in zijn nette broek naar zijn werk gaat. Nog afgezien van het feit dat al deze argumenten door of namens cliënt zijn uitgelegd en weerlegd, kan daar onmogelijk uit worden afgeleid dat de van zijn opdrachtgevers afkomstige gelden van misdrijf afkomstig zijn.
Dit geldt ook als uw rechtbank de eenmanszaak van cliënt – geheel ten onrechte – als een schijnconstructie of anderszins wederrechtelijk zou aanmerken.
8.12
Hierbij wil ik een beroep doen op een uitermate interessante uitspraak van de Hoge Raad d.d. 16 januari 2018 [ECLI:NL:HR:2018:35] over schilderijen uit een in 1987 geënsceneerde kunstdiefstal. Het gaat te ver om deze uitspraak hier integraal te bespreken, maar de boodschap van dit arrest is duidelijk: net als heling vereist witwassen een aan de verkrijging van het voorwerp voorafgegaan gepleegd misdrijf.
8.13
Een kleine twee maanden later, op 13 maart 2018, wees ons hoogte rechtscollege opnieuw een in dit verband relevant en uiterst lezenswaardig arrest [ECLI:NL:HR:2018:327]. Dat betrof een Antilliaanse zaak, waarin baren en broodjes goud illegaal vanuit Venezuela naar Aruba en Curaçao waren geëxporteerd.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie oordeelde dat die baren en broodjes afkomstig waren uit enig misdrijf, omdat het exporteren van het Venezolaanse goud op illegale wijze had plaatsgevonden. De Hoge Raad casseerde met de volgende overweging:
“Hierin ligt ’s Hofs kennelijke oordeel besloten dat de baren of broodjes goud reeds van misdrijf afkomstig waren omdat misdrijven zijn begaan teneinde de ter zake van het transporteren van die baren of broodjes benodigde exportvergunning te omzeilen, zodat sprake is van gewoontewitwassen. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat het hof omtrent de herkomst van het goud uitsluitend heeft vastgesteld dat het goud afkomstig is uit Venezuela.”
8.14
Er moet met andere woorden sprake zijn van een criminele herkomst en niet van een criminele wijze van verkrijging om van witwassen te kunnen spreken.
8.15
Tot slot wil ik nog een beroep doen op de jurisprudentie over witwassen en hawala-bankieren waarin is overwogen dat vermogensbestanddelen slechts uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen kunnen worden aangemerkt, indien zij afkomstig zijn uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven daarvan.
8.16
Toegepast op de onderhavige zaak betekent dit dat de van de opdrachtgevers van cliënt afkomstige bedragen niet als van misdrijf afkomstig kunnen worden aangemerkt, omdat er geen enkele reden is om [aan] te nemen dat sprake is van een aan de verkrijging daarvan voorafgaand gepleegd misdrijf.
Die bedragen waren immers indirect afkomstig van de opdrachtgevers van [K] BV, waarvan gesteld noch gebleken is dat die ook maar iets met criminaliteit te maken hebben. Het tegendeel is juist het geval!”
2.37
Het hof heeft vastgesteld dat de inkomsten van de eenmanszaak van de verdachte in de periode van 2016 tot en met 2019 € 211.730,- bedroegen. Dit bedrag is de optelsom van de door de eenmanszaak in de jaren 2016 tot en met 2018 gefactureerde bedragen.
2.38
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de gefactureerde bedragen het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. De eenmanszaak van de partner van de verdachte en de eenmanszaak van de verdachte hebben dezelfde opdrachtgevers. Geen van de opdrachtgevers heeft een website. De opdrachtgever [G] B.V., gevestigd aan De [a-straat 1] in [plaats] , was als zodanig niet herkenbaar en had geen deurbel. Evenmin werd op 31 oktober en 4 november 2019 door de FIOD-opsporingsambtenaren iemand van en/of in het bedrijf gezien. De opdrachtgever [I] BV, gevestigd aan de [c-straat 1] in [plaats] , was ook niet als zodanig herkenbaar. Het adres betrof een vrijstaande woning in een woonwijk. Alle ramen waren voorzien van gesloten raambekleding. Op 7 november 2019 hebben FIOD-opsporingsambtenaren aangeklopt, maar er werd niet opengedaan. Er was ook geen aanduiding van de bewoners en/of van de onderneming aanwezig. De eenmanszaak van de partner van de verdachte en de eenmanszaak van de verdachte hebben dezelfde boekhouder. Die boekhouder verzorgt eveneens de boekhouding en belastingaangiften en/of beschikt over de rekeningen van vier van dezelfde opdrachtgevers van de eenmanszaak van de partner van de verdachte en de eenmanszaak van de verdachte. De boekhouder is ook eigenaar van één van de opdrachtgevers van de eenmanszaak van de partner van de verdachte en de eenmanszaak van de verdachte. De ouders en de partner van de verdachte kunnen niet concreet verklaren over het werk en de werktijden van de verdachte. Zij hebben samengevat slechts verklaard dat de verdachte in het grondwerk zit en uitvoerend werk doet. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte zowel overdag als ’s nachts werkt. De partner van de verdachte heeft verklaard dat het heel erg wisselt hoe lang de verdachte werkt. Volgens de partner van de verdachte is de verdachte soms langer dan acht uur weg en soms korter. De getuigenverklaringen dat de verdachte wisselende werktijden zou hebben gehad, staan haaks op de wijze waarop de diensten van de eenmanszaak van de verdachte zijn gefactureerd. Uit de verklaring van de boekhouder blijkt namelijk dat hij de facturen opmaakte voor de eenmanszaak van de verdachte en dat standaard 40 uur per week werd gefactureerd aan opdrachtgevers. Daarnaast heeft de boekhouder verklaard dat de verdachte uitvoerend werk verrichte, maar ook als projectleider werkte. Dit strookt niet met de verklaringen van de ouders en de partner van de verdachte. De verklaring van de boekhouder is des te opvallender aangezien een bedrijf van de boekhouder één van de opdrachtgevers van de eenmanszaak van de verdachte zou zijn geweest. Tot slot blijkt uit de verklaring van de boekhouder dat de verdachte nauwelijks kosten van zijn eenmanszaak heeft gedeclareerd.
2.39
Dat het hof op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden heeft geoordeeld dat ten aanzien van de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen het gerechtvaardigde vermoeden bestaat dat die van enig misdrijf afkomstig zijn, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.
2.4
Aangezien het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat zich een gerechtvaardigd witwasvermoeden voordeed, heeft het hof vervolgens terecht (kennelijk) geoordeeld dat op grond van dit vermoeden van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 211.730,-.
2.41
Over de legale herkomst van het bewezen verklaarde geldbedrag van € 211.730,- is door de verdachte aangevoerd dat de van de opdrachtgevers van de verdachte afkomstige geldbedragen niet als van misdrijf afkomstig kunnen worden aangemerkt, omdat er geen reden is aan te nemen dat sprake is van een aan de verkrijging daarvan voorafgaand gepleegd misdrijf. De geldbedragen waren namelijk indirect afkomstig van de opdrachtgevers van [K] BV, waarvan gesteld noch gebleken is dat die ook maar iets met criminaliteit te maken hebben.
2.42
Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden beroepen op zijn zwijgrecht. Pas op de terechtzittingen in eerste aanleg van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft hij een verklaring afgelegd. Op de terechtzitting van de rechtbank van 25 januari 2021 heeft de verdachte verklaard dat hij dezelfde opdrachtgevers als zijn partner heeft. Hij heeft verklaard niet te hebben geweten wat voor werkzaamheden zijn partner precies verrichtte, wanneer zij dat deed en voor welke opdrachtgevers. De verdachte heeft ter zitting aangegeven niet altijd op de hoogte te zijn voor welke opdrachtgever hij werkzaamheden verricht. De verdachte heeft verklaard dat hij van alles in het grondwerk doet en dat hij, afhankelijk van het project, zowel uitvoerende als aansturende werkzaamheden verricht. Volgens de verdachte starten de werkzaamheden altijd vanaf het adres De [a-straat] in [plaats] en geven zijn opdrachtgevers de door hem gewerkte uren door aan zijn boekhouder. De verdachte heeft naar eigen zeggen wisselende werktijden, houdt zijn gewerkte uren niet bij en controleert de door de opdrachtgevers doorgegeven uren niet. De verklaringen van de verdachte, zijn moeder en zijn partner dat de verdachte wisselende werktijden zou hebben wordt weersproken door de manier waarop de werkzaamheden van de verdachte werden gefactureerd. Volgens de boekhouder (van de eenmanszaak) van de verdachte werd namelijk wekelijks 40 uur aan werkzaamheden gefactureerd.
2.43
Gelet op het voorgaande heeft het hof – niet onbegrijpelijk – de verklaring van de verdachte dat hij wisselende werktijden had en dat zijn opdrachtgevers zijn werkzaamheden doorgaven aan de boekhouder ongeloofwaardig geacht. Het hof heeft – eveneens niet onbegrijpelijk – de verklaring van de verdachte dat hij zijn werkzaamheden vanaf het adres aan De [a-straat] in [plaats] begon ongeloofwaardig geacht aangezien uit de bevindingen van de FIOD-opsporingsambtenaren blijkt dat op dat adres geen aanwijzing voor contactpersonen of opdrachtgevers is aangetroffen en niemand aanwezig was op verschillende dagen en tijdstippen waarop de FIOD-opsporingsambtenaren ter plaatse zijn gegaan. Verder heeft het hof overwogen dat voor zover er bedragen door de eenmanszaak van de verdachte zijn gefactureerd waartegenover wel werkzaamheden hebben gestaan, die door vermenging met illegale inkomsten in zijn geheel als van misdrijf afkomstig zijn aan te merken.
2.44
Het voorgaande in aanmerking genomen, heeft het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd overwogen dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is en dat op basis daarvan het niet anders kan zijn dan dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Daarin ligt besloten de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen indirect afkomstig zijn van gerenommeerde bedrijven en een legale herkomst van die bedragen dus niet kan worden uitgesloten.
2.45
Het hof heeft over de contante betaling aan [C] overwogen dat de factuur van [C] weliswaar is aangetroffen in de administratie van de eenmanszaak van de verdachte, maar dat de contante betaling van die factuur niettemin kan worden meegenomen in de kasopstelling, omdat ten aanzien van de inkomsten van de eenmanszaak van de verdachte een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat. Hierin ligt als niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat aangezien het niet anders kan zijn dan dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn dat ook heeft te gelden voor de uitgaven van die inkomsten, zoals de contante betaling van de factuur van [C] .
2.46
De vierde deelklacht faalt.
2.47
De
vijfde deelklachtricht zich tegen de volgende overweging van het hof:
“Aanvullend overweegt het hof het volgende.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de facturen slechts voorwerpen zijn geweest met behulp waarvan een misdrijf is begaan en niet daardoor reeds uit misdrijf afkomstig zijn, miskent het dat in deze zaak door de wijze van factureren geen sprake is geweest van een economische realiteit met betrekking tot de werkzaamheden waarvoor door [D] werd gefactureerd. De wijze van administreren/factureren was bedoeld om de werkelijke aard en/of de herkomst van de betalingen op de rekening van [D] te verbergen/verhullen. Met andere woorden de opgemaakte facturen stonden ten dienste van het overmaken van de geldbedragen en waren daar niet de oorzaak van. Dit is een andere situatie dan die waarop de verdediging zich – onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad – heeft beroepen. In die situatie waren de betalingen uitvloeisel van het delict valsheid in geschrift. Kortweg: zonder valsheid geen uitbetaling. In het onderhavige geval zijn de facturen opgemaakt met de bedoeling de herkomst van de ontvangen geldbedragen te verhullen, wat erop wijst dat dezelfde betalingen bij afwezigheid van die facturen onder een andere of zonder valse dekmantel ook zouden hebben plaatsgevonden.
Het standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
2.48
Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof impliceert dat tegenover de facturen nooit werkzaamheden hebben bestaan. Dat oordeel is volgens de steller van het middel feitelijk onjuist. Daarnaast is dat oordeel in strijd met de door het hof opengelaten mogelijkheid dat door de eenmanszaak van de verdachte bedragen zijn gefactureerd waartegenover wel werkzaamheden hebben gestaan. Ten slotte mist het hof met zijn oordeel het punt van de verdediging dat de wijze van het administreren/factureren van de bovengenoemde bedragen niets zegt over de (criminele) herkomst van die gelden.
2.49
Het hof heeft overwogen dat door de wijze van factureren geen sprake is geweest van een economische realiteit met betrekking tot de werkzaamheden waarvoor door de eenmanszaak van de verdachte werd gefactureerd en dat die wijze van factureren was bedoeld om de werkelijke aard en/of de herkomst van de betalingen op de rekening van de eenmanszaak te verbergen/verhullen. Ik meen – anders dan de steller van het middel – dat daarin niet als oordeel van het hof besloten ligt dat tegenover de facturen nooit werkzaamheden hebben bestaan, maar dat de facturen niet stroken met de werkzaamheden die zijn gefactureerd. In zoverre berust de vijfde deelklacht dat het oordeel van het hof dat tegenover de facturen nooit werkzaamheden hebben bestaan feitelijk onjuist is op een onjuiste lezing van het bestreden arrest zodat het feitelijke grondslag mist en om die reden faalt.
2.5
De klacht dat het oordeel van het hof dat tegenover de facturen nooit werkzaamheden hebben bestaan in strijd is met de door het hof opengelaten mogelijkheid dat door de eenmanszaak van de verdachte bedragen zijn gefactureerd waartegenover wel werkzaamheden hebben bestaan, gaat uit van dezelfde onjuiste lezing van het bestreden arrest, zodat ook deze klacht feitelijke grondslag mist en om die reden faalt. Daarbij komt dat van de door de steller van het middel gestelde tegenstrijdigheid hoe dan ook geen sprake is. Dat de wijze van factureren niet overeenkomt met de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden van de eenmanszaak van de verdachte laat namelijk onverlet dat mogelijk bedragen zijn gefactureerd waartegenover wel werkzaamheden hebben bestaan.
2.51
Ten slotte wordt aangevoerd dat het hof het punt van de verdediging – en daarmee vaste rechtspraak van de Hoge Raad – heeft miskend dat de wijze van factureren niets zegt over de werkelijke aard en/of de herkomst van de betalingen op de rekening van de eenmanszaak van de verdachte.
2.52
Als ik het goed zie, heeft de raadsman van de verdachte zich in hoger beroep – onder verwijzing naar HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1491,
NJ2021/392, m.nt. W.H. Vellinga – op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de wijze van factureren heeft gezien als het misdrijf waarvan de gefactureerde bedragen afkomstig waren. Volgens de raadsman zijn de facturen voorwerpen
met behulp waarvaneen misdrijf is begaan, maar dat maakt nog niet dat de gefactureerde bedragen reeds daarom
uitmisdrijf afkomstig zijn (zie randnr. 2.35).
2.53
In de zaak die heeft geleid tot het bovengenoemde arrest is de verdachte kort voordat zij een huis wilde kopen fictief bij een bedrijf gaan werken. Vervolgens zijn contante bedragen gestort op de rekening van dat fictieve bedrijf. Daarmee is door het bedrijf het loon van de verdachte betaald. Dit vormde de basis van een door het bedrijf aan de verdachte verstrekte werkgeversverklaring en salarisspecificatie die de verdachte heeft gebruikt bij de aanvraag van een hypothecaire geldlening voor de aankoop van de woning. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor onder meer gewoontewitwassen. Het hof ziet het opzettelijk gebruik maken van de valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie namelijk als het misdrijf waarvan de als loon uitbetaalde geldbedragen afkomstig zijn. De Hoge Raad ziet dat anders en overweegt dat de omstandigheid dat de betaling van het salaris samenhing met het beoogde gebruik van valse geschriften ontoereikend is voor het oordeel dat de door de verdachte ontvangen geldbedragen ‘afkomstig’ zijn uit die valsheid in geschrift.
2.54
In de onderhavige zaak heeft het hof in reactie op het verweer van de verdediging overwogen dat de wijze van factureren was bedoeld om de werkelijke aard en/of de herkomst van de betalingen op de rekening van de eenmanszaak van de verdachte te verbergen/verhullen. Volgens het hof stonden de facturen ten dienste van het overmaken van de geldbedragen en waren die facturen daarvan niet de oorzaak. Het hof heeft terecht overwogen dat dit een andere situatie is dan in het hierboven genoemde arrest. Anders dan in die zaak, heeft het hof in het onderhavige geval namelijk niet overwogen dat de betalingen steun moeten bieden aan de wijze van facturen en dat de gefactureerde geldbedragen vanwege die samenhang uit misdrijf afkomstig zijn, maar dat die wijze van factureren is bedoeld om te verhullen dat de gefactureerde bedragen uit misdrijf afkomstig zijn. Van een miskenning van de rechtspraak van de Hoge Raad is dan ook geen sprake. Voor het overige geldt dat ik hiervoor al heb uiteengezet dat en waarom het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de door de eenmanszaak van de verdachte gefactureerde bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Voor zover in de vijfde deelklacht ervan wordt uitgegaan dat het hof zijn oordeel dat de bedragen uit misdrijf afkomstig zijn enkel heeft gestoeld op de wijze van factureren, gaat het uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest, zodat het feitelijke grondslag mist.
2.55
De vijfde deelklacht faalt.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 19 maart 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in cassatie is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt. [9]
3.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De nummering van de aanvulling, die uitkomt op 35 bewijsmiddelen, is onjuist. In de opsomming wordt tweemaal nr. 15 gebezigd.
2.Vgl. HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124,
3.HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787,
4.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,
5.HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3 en HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7900,
6.HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985,
7.Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960,
8.Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 februari 2024 blijkt niet expliciet dat het hof dit verzoek heeft gehonoreerd. Uit de omstandigheid dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen mede is ingegaan op de door de verdediging in eerste aanleg gevoerde verweren leid ik echter af dat het hof aan dit verzoek van de raadsman gehoor heeft gegeven.
9.Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,