ECLI:NL:PHR:2026:670

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/05059
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 sub a RWNArt. 15 lid 1 sub c RWNArt. 15 lid 4 RWNArt. 6 lid 1 sub p RWNArt. 2 lid 1 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies van het Nederlanderschap en de exclusieve Unierechtelijke evenredigheidstoets in nationaliteitsrecht

In deze zaak staat centraal of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet, en of de civiele rechter bevoegd is om een Unierechtelijke evenredigheidstoets uit te voeren na de wetswijziging van 1 april 2022.

Verzoeker, geboren in Suriname en sinds 1975 in Nederland woonachtig, verkreeg in 2010 de Surinaamse nationaliteit. De Nederlandse autoriteiten gingen destijds ten onrechte uit van verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN Pro. Verzoeker heeft in 2012 en 2017 visa aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Suriname, die volgens de Hoge Raad geen reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet zijn en dus de verliestermijn niet stuiten.

De rechtbank wees het verzoek van verzoeker af en oordeelde dat de civiele rechter sinds 1 april 2022 niet langer bevoegd is om de Unierechtelijke evenredigheidstoets te verrichten, omdat deze exclusief is voorbehouden aan de bestuursrechtelijke optieprocedure van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro. De Hoge Raad bevestigt dit en verwerpt het cassatieberoep, waarbij verzoeker wordt gewezen op de mogelijkheid om via de bestuursrechtelijke procedure alsnog een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verliestermijn van tien jaar is verstreken en de Unierechtelijke evenredigheidstoets exclusief via de bestuursrechtelijke optieprocedure verloopt.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/05059
Zitting3 juli 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] , Suriname,
verzoeker tot cassatie,
hierna: verzoeker
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verweerder in cassatie,
hierna: de Staat

1.Inleiding

1.1
In deze nationaliteitszaak rijst de vraag of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet (art. 15 lid 4 RWN Pro). In het bijzonder komt aan bod wat moet worden verstaan onder een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Op de achtergrond speelt dat de Nederlandse autoriteiten, naar uit HR 26 juni 2015 [1] achteraf blijkt, ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat verzoeker met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren (art. 15 lid 1 sub a RWN Pro).
1.2
Verder komt aan bod of het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro verenigbaar is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel op grond van de rechtspraak van het HvJ EU. [2] In dat verband rijst de vraag of de rechtbank een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel heeft mogen uitvoeren in het kader van deze procedure op grond van art. 17 RWN Pro, terwijl de Unierechtelijke evenredigheidstoets met ingang van 1 april 2022 is ingebed in de bestuursrechtelijke optieprocedure van art. 6 RWN Pro, die door de wetgever is bedoeld als een ‘exclusieve procedure’.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [3]
2.2
Verzoeker is op [geboortedatum] 1955 geboren te [plaats] , Suriname. Bij zijn geboorte verkreeg hij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit.
2.3
In 1975 is verzoeker vanuit Suriname in Nederland gaan wonen. Uit de Basisregistratie Personen volgt als datum van eerste inschrijving in Nederland 10 september 1975.
2.4
Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (hierna: TOS) in werking. [4] Op grond van art. 3 TOS Pro behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in Suriname is geboren maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had.
2.5
Op 21 oktober 2008 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. [5]
2.6
Bij besluit van 25 oktober 2010 van de president van de Republiek Suriname is aan verzoeker de Surinaamse nationaliteit verleend. Daarbij is verzoeker erop gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen, omdat anders het besluit tot verlening van de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken.
2.7
Bij brief van 30 december 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat zij op 27 december 2010 bewijs heeft ontvangen waaruit blijkt dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren.
2.8
Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort dat geldig is tot 28 april 2027.
2.9
In deze procedure, ingeleid op 25 november 2024, heeft verzoeker op grond van art. 17 RWN Pro een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap, althans vaststelling tot wanneer hij dan wel Nederlander is geweest, en herkrijging van de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht indien hij het Nederlanderschap heeft verloren. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.1
Bij beschikking van 30 september 2025 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek afgewezen.
2.11
Verzoeker is tijdig in cassatie gekomen van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking). De Staat is in cassatie niet verschenen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Deze zaak gaat over het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro. In de voor deze zaak relevante versie (geldend op 1 oktober 2010) [6] luidt deze bepaling als volgt:
‘1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…)
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband’.
3.2
Aan deze bepaling ligt het vermoeden ten grondslag dat een Nederlander die langdurig in het buitenland verblijft, de noodzakelijke band met het Koninkrijk der Nederlanden verloren heeft en derhalve, indien is voldaan aan de voorwaarden van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro, geen aanspraak meer kan maken op de Nederlandse nationaliteit. [7] Ten behoeve van de rechtszekerheid, een leidend beginsel in het Nederlandse nationaliteitsrecht, treedt het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in, zodra is voldaan aan de voorwaarden van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro. [8]
3.3
Partijen zijn het erover eens dat in dit geval sprake is van de situatie zoals bedoeld in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro: verzoeker is sinds 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, in het bezit (geweest) van een dubbele nationaliteit (de Surinaamse en Nederlandse) en heeft tijdens zijn meerderjarigheid een ononderbroken periode van (meer dan) tien jaar zijn hoofdverblijf buiten Nederland of de in de bepaling genoemde gebieden (in Suriname). [9]
3.4
Aan de orde is of de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro is gestuit op grond van het vierde lid van deze bepaling. Daarin is (in de voor deze zaak relevante versie geldend op 1 oktober 2010) het volgende bepaald:
‘De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.’
3.5
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro is gestuit met de aanvraag en verkrijging van een visum om naar Nederland te reizen in 2012 en 2017, omdat dat in dit geval gelijk is te stellen aan het aanvragen en het verkrijgen van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. De rechtbank heeft dit standpunt van verzoeker verworpen:
‘In de beschikking van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766, r.o. 3.6.1) oordeelt de Hoge Raad: “Uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN Pro, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN Pro, volgt dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN Pro van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt voorts met het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van rechtszekerheid (vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 26-27)”.
De rechtbank ziet, gelet op het benadrukte belang van rechtszekerheid, aanleiding om deze strikte uitleg van de Hoge Raad ten aanzien van documenten die gelden als verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap, analoog toe te passen op ‘reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet’. In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet.’ [10]
3.6
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat een visum alleen kan worden verstrekt aan niet-Nederlanders. Aangezien verzoeker, als gevolg van de uitspraak in HR 26 juni 2015, [11] in 2012 en 2017 nog Nederlander was, zijn door de Nederlandse ambassade in Suriname aan hem ten onrechte reisvisa verleend en had dat een Nederlands paspoort moeten zijn. In dat geval had verzoeker de tienjaarstermijn in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro gestuit. Ook dit standpunt van verzoeker heeft de rechtbank verworpen:
‘Een aanvraag in de zin van de Paspoortwet gaat ervan uit dat je een beroep doet op je Nederlanderschap. Daarmee wordt de tienjaarstermijn nadrukkelijk gestuit. Verzoeker heeft geen beroep gedaan op zijn Nederlanderschap, maar ging er zelf vanuit dat hij het Nederlanderschap al verloren was. Het feit dat verzoeker achteraf bezien niet daadwerkelijk een visum nodig had om naar Nederland te reizen, maakt niet dat daarmee het verkregen visum ineens moet worden aangemerkt als een paspoort.’ [12]
3.7
Het middel keert zich (in onderdeel III) [13] tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) het oordeel van de rechtbank dat de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro niet is gestuit door de verstrekking van een reisdocument in de zin van art. 15 lid 4 RWN Pro. Aan de klacht wordt ten grondslag gelegd dat de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname verzoeker vanaf 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, niet als Nederlander hebben aangemerkt, terwijl op grond van de uitspraak in HR 26 juni 2015 achteraf gezien blijkt dat dit onjuist was. De Nederlandse nationaliteit van verzoeker is door de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 niet verloren gegaan op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN Pro. De Nederlandse ambassade in Suriname kon verzoeker als Nederlander dus geen reisvisa verstrekken in 2012 en 2017; een visum wordt immers alleen verstrekt aan vreemdelingen. De door verzoeker in 2012 en 2017 verzochte en verkregen visa moeten volgens het middel dan ook worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van art. 15 lid 4 RWN Pro.
3.8
Bij de behandeling van de klacht stel ik het volgende voorop. In cassatie staat vast dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet reeds op 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, heeft verloren op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN Pro, omdat de uitzonderingen van het tweede lid, sub b en c, van art. 15 RWN Pro van toepassing zijn. [14] Dit volgt uit de eerdergenoemde uitspraak in HR 26 juni 2015. Dit betekent dat verzoeker ook na het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 Nederlander is gebleven.
3.9
Het standpunt van de SVB in haar brief van 30 december 2010 en van de Nederlandse ambassade in Suriname bij de verstrekking van reisvisa in 2012 en 2017 was derhalve rechtens onjuist. Dit betekent dat verzoeker zowel in 2010 als in 2012 en 2017 nog de Nederlandse nationaliteit had. Tegen deze achtergrond begrijp ik wel waarom het middel de klacht in deze sleutel plaatst. Gelet op het standpunt van SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname had van verzoeker, in ieder geval tot de uitspraak in HR 26 juni 2015, redelijkerwijs niet kunnen worden verwacht een poging te doen om de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro te stuiten, wanneer hij zijn Nederlandse nationaliteit wenste te behouden. Verzoeker verkeerde immers in de veronderstelling, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, dat hij geen Nederlander meer was. Strikt genomen had verzoeker wel tot stuiting van de verliestermijn van tien jaar kunnen overgaan na de uitspraak in HR 26 juni 2015, maar dan moest hij wel op de hoogte zijn van deze mogelijkheid. Kennelijk was hij hiervan niet op de hoogte, anders had hij in 2017 geen visum aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Suriname. Verzoeker is hierover kennelijk ook niet persoonlijk ingelicht door de Nederlandse ambassade in Suriname. [15]
3.1
De vraag rijst of met de hiervoor vermelde omstandigheid, waarbij de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, naar uit HR 26 juni 2015 achteraf blijkt, ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat verzoeker met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, rekening dient te worden gehouden bij de uitleg van art. 15 lid 4 RWN Pro. Op grond van deze bepaling wordt de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro gestuit door de verstrekking van ‘een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet’. In dit geval rijst de vraag wat moet worden verstaan onder ‘een reisdocument in de zin van de Paspoortwet’.
3.11
Art. 2 lid 1 Paspoortwet Pro geeft een opsomming van reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet. [16] Blijkens deze bepaling zijn reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden: (a) nationaal paspoort, (b) diplomatiek paspoort, (c) dienstpaspoort, (d) reisdocument voor vluchtelingen, (e) reisdocument voor vreemdelingen, (f) nooddocument en (g) andere reisdocumenten, bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen. Aan de restcategorie onder (g) van art. 2 lid 1 Paspoortwet Pro is uitvoering gegeven in art. 1.2 Paspoortbesluit, waarin het faciliteitenpaspoort en het tweede paspoort zijn vastgesteld als andere reisdocumenten. [17] Gelet op de tekst van art. 2 lid 1 Paspoortwet Pro en de mogelijkheid om andere reisdocumenten bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vast te stellen, kan worden aangenomen dat de opsomming van reisdocumenten in art. 2 lid 1 Paspoortwet Pro limitatief is bedoeld. [18] Het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking (‘In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden.’) [19] sluit hierbij aan.
3.12
Hierbij komt nog het volgende. Het doel van de Paspoortwet is ‘het waarborgen en begrenzen van het uit het recht het land te verlaten voortvloeiende recht op een reisdocument’. [20] De Paspoortwet regelt, voor zover van belang, de aanspraken op een reisdocument van Nederlanders (art. 9, 10, 16 e.v.) en van in het Europese of Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten toegelaten vreemdelingen (art. 11 e.v.). [21] Indien een persoon geen recht heeft op een reisdocument in de zin van de Paspoortwet, kan hij voor het verkrijgen van toegang tot het Europese of Caribische deel van Nederland, dan wel Aruba, Curaçao of Sint Maarten (uitzonderingen daargelaten) [22] een visum aanvragen op grond van de Rijksvisumwet. [23] Aldus beschouwd zijn de Paspoortwet en de Rijksvisumwet complementair aan elkaar.
3.13
Uit dit stelsel van beide wetten, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat een visum op grond van de Rijksvisumwet niet kan worden aangemerkt als een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Een visum op grond van de Rijksvisumwet veronderstelt dat de betrokkene geen Nederlander is. Het oordeel van de rechtbank (‘Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet.’) [24] sluit hierbij aan.
3.14
Op grond van het voorgaande zal de klacht van het middel (in onderdeel III) moeten falen. Uit de omstandigheid dat verzoeker in 2012 en 2017 bij de Nederlandse ambassade in Suriname een visum heeft aangevraagd en verkregen om naar Nederland te kunnen reizen, kan niet worden afgeleid dat hij een beroep heeft gedaan op zijn Nederlanderschap met het oog op de stuiting van de verliestermijn van tien jaar op grond van art. 15 lid 4 RWN Pro. In 2012 en 2017 verkeerde verzoeker, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, in de veronderstelling dat hij geen Nederlander meer was. Dat verzoeker met zijn aanvraag voor een visum in 2012 en 2017 zou hebben beoogd, althans geacht moet worden te hebben beoogd, een beroep te doen op zijn Nederlanderschap, is dan ook niet goed denkbaar. Dit betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat verzoeker, na verloop van een periode van tien jaar vanaf het moment dat verzoeker op 25 oktober 2010 de Surinaamse nationaliteit verkreeg, derhalve op 25 oktober 2020, het Nederlanderschap op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro van rechtswege heeft verloren. [25] Van een stuiting van de verliestermijn van tien jaar op grond van art. 15 lid 4 RWN Pro op de door verzoeker aangevoerde gronden is derhalve geen sprake.
3.15
Voor zover in het middel de klacht besloten zou liggen dat verzoeker het Nederlanderschap heeft behouden op grond van het vertrouwensbeginsel, omdat het niet tijdig stuiten van de verjaring van de verliestermijn van tien jaar is te wijten aan, achteraf gezien, onjuiste informatie van de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, gaat de klacht eraan voorbij dat de Nederlandse nationaliteit niet kan worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. [26]
3.16
Met het voorgaande is echter niet gezegd dat op geen enkele manier rekening kan worden gehouden met de hiervoor vermelde omstandigheid dat verzoeker, net als de SVB en de Nederlandse ambassade in Suriname, naar uit HR 26 juni 2015 achteraf blijkt, ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat hij met de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 25 oktober 2010 van rechtswege het Nederlanderschap had verloren op grond van art. 15 lid 1 sub a RWN Pro. Het lijkt mij dat met deze omstandigheid, zonder hieraan beslissende betekenis toe te kennen, rekening kan worden gehouden in het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets op grond van de rechtspraak van het HvJ EU over het verlies van het Unieburgerschap. [27] In deze zin ook HR 3 april 2020, rov. 3.7.1 (mijn onderstreping):
‘Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht.
Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN Pro, gelet op de in die periode (en ook nog nadien …) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…).
(…)’. [28]
3.17
Verzoeker heeft in deze zaak een beroep gedaan op de Unierechtelijke evenredigheidstoets op grond van de rechtspraak van het HvJ EU over het verlies van het Unieburgerschap. Verzoeker heeft aangevoerd dat de Staat hem in de positie heeft gebracht dat hij een dubbele nationaliteit verkreeg, waarna hij vervolgens door het handelen van de Staat in de onmogelijkheid verkeerde om de verliestermijn van tien jaar in art. 15 lid 1 sub c RWN Pro te stuiten en hij zodoende het Nederlanderschap is kwijtgeraakt. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dal hij door het verlies van het Unieburgerschap, met reisvisa steeds voor slechts korte perioden bij zijn familie in Nederland kan verblijven, terwijl hij op zijn oude dag en vanwege zijn ernstige medische situatie juist in de buurt van zijn familie wil zijn om te kunnen worden verzorgd. Ook zou het verlies van het Unieburgerschap verzoeker beletten om, ondanks dat hij een AOW en werkgeverspensioen uit Nederland ontvangt, gebruik te maken van de medische voorzieningen in Nederland.
3.18
Bij de toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel heeft de rechtbank beoordeeld of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht. De rechtbank heeft het standpunt van verzoeker hierover niet gevolgd en het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel verworpen. [29] Tegen dat oordeel wordt in cassatie (in onderdeel II) opgekomen. Kort gezegd bevat de klacht een uiteenzetting van de omstandigheden met betrekking tot verzoeker waaruit zou blijken dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 15 lid 1 sub c RWN Pro in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Volgens het middel heeft de rechtbank dit miskend, althans is het oordeel van de rechtbank hierover onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
3.19
Ik meen dat aan een inhoudelijke beoordeling van deze klacht niet kan worden toegekomen en leg dit als volgt uit. Met ingang van 1 april 2022 heeft de wetgever de Unierechtelijke evenredigheidstoets verankerd in de optieprocedure van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro. [30] Deze bepaling luidt als volgt:
‘Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:
(…)
p. de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden. De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing;
(…).’
Het derde lid van art. 6 RWN Pro bepaalt:
‘De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien de verklaring strekt tot herkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in het eerste lid, onder p, vraagt de autoriteit advies aan Onze Minister. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.’
3.2
Hiermee heeft de wetgever de Unierechtelijke evenredigheidstoets ingebed in de optieprocedure van art. 6 RWN Pro. [31] Een weigering van een bevestiging door de bevoegde autoriteit op grond van art. 6 lid 1 sub p jo Pro. lid 3 RWN is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. [32] Hiertegen staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open; bezwaar wordt ingediend bij de burgemeester [33] en beroep bij de rechtbank, sector bestuursrecht [34] . De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in hoogste instantie bevoegd om hierover te oordelen. [35] Kortom, de optieprocedure van art. 6 RWN Pro is bestuursrechtelijk van aard. [36]
3.21
Volgens de parlementaire geschiedenis voorziet art. 6 lid 1 sub p RWN Pro in ‘een exclusieve procedure’ voor een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel: [37]
‘Aan artikel 6, eerste lid, RWN wordt een nieuw optierecht toegevoegd waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel biedt dit optierecht een exclusieve procedure om de in het arrest bedoelde toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te verrichten, en het Nederlanderschap zo nodig met terugwerkende kracht te herkrijgen.’
In voetnoot 3 in de aangehaalde passage wordt het volgende vermeld:
‘Tot dat moment kan de vereiste toetsing aan het evenredigheidsbeginsel plaatsvinden binnen de huidige paspoortprocedure, en de verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 17 RWN Pro. Het herkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap kan worden ontleend aan artikel 20 VWEU Pro, zie ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593.’
3.22
De Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 vermeldt over art. 6 lid 1 sub p RWN Pro:
‘Paragraaf 18.4. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
Paragraaf 18.4.1. Exclusieve procedure
De optieprocedure van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN biedt een exclusieve procedure om de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten en het Nederlanderschap op deze grond eventueel te herkrijgen. Vanaf 1 april 2022, de datum van inwerkingtreding van de Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Staatsblad 2021 572, is het dus niet meer mogelijk om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in andere procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN Pro, de aanvraag van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet of de verstrekking van een Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Als in het kader van een van deze procedures vóór 1 april 2022 om een evenredigheidstoets is verzocht, worden deze toets en deze procedure, en eventuele vervolgprocedures, (ook na 1 april 2022) voltooid. Als wordt vastgesteld dat een dergelijke verzoeker onevenredige gevolgen heeft ondervonden van het verlies van het Unieburgerschap wordt het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkregen op grond van artikel 20 VWEU Pro en hoeft de verzoeker dus niet meer te opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder p RWN.’
3.23
Uit het voorgaande blijkt dat volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever de rechtbank Den Haag (civiel) met ingang van 1 april 2022 niet langer bevoegd is om in het kader van een procedure op grond van art. 17 RWN Pro te oordelen over de Unierechtelijke evenredigheid van het verlies van het Nederlanderschap op grond van art. 15 RWN Pro. Die beoordeling is met ingang van 1 april 2022 voorbehouden aan de autoriteit die bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen in de zin van art. 6 RWN Pro. [38] Komt het tot een procedure, dan is de bestuursrechter bevoegd. [39]
3.24
In dit verband is van belang dat in HR 3 april 2020 over de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geoordeeld dat ‘er geen grond is – anders dan de Staat in cassatie heeft aangevoerd – om het toepassingsgebied van de (…) evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN Pro.’ [40] Deze uitspraak heeft echter betrekking op de situatie vóór de wetswijziging van 1 april 2022. In die periode kon de Unierechtelijke evenredigheidstoets aan de orde worden gesteld in het kader van een procedure op grond van art. 17 RWN Pro. [41] De uitspraak in HR 3 april 2020 kan niet afdoen aan de uitdrukkelijke keuze van de wetgever om de Unierechtelijke evenredigheidstoets met ingang van 1 april 2022 exclusief in te bedden in de bestuursrechtelijke regeling van art. 6 RWN Pro en te onttrekken aan de civielrechtelijke regeling van art. 17 RWN Pro.
3.25
Vanuit het Unierecht zie ik evenmin bezwaren tegen de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro. [42] De vraag hoe de beoordeling van het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel procedureel moet worden vormgegeven, is een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de EU-lidstaten. Volgens het HvJ EU staat het de lidstaten vrij om procedureregels vast te stellen die moeten zorgen voor de bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen ‘mits deze regels met name het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen doordat zij het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen’. [43] Naar mijn mening voldoet de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro aan dit vereiste. [44] In het kader van de optieprocedure kan een beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel doeltreffend worden getoetst, zonder (dat op voorhand kan worden gezegd of aanwijzingen bestaan) dat het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeizaam is om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen.
3.26
Terug naar de onderhavige zaak. In feitelijke instantie heeft de IND gewezen op de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro en betoogd dat vanaf 1 april 2022 ‘het niet meer mogelijk is om (…) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vanuit het oogpunt van het Unierecht te verrichten in procedures, zoals een verzoekschriftprocedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN Pro (…)’. [45] Verzoeker heeft dit standpunt bestreden onder verwijzing naar de uitspraak in HR 3 april 2020: ‘De Staat stelt in zijn advies dat dit [Unierechtelijke evenredigheidstoets, A-G] niet meer mogelijk zou zijn vanaf 1 april 2022 maar dat staat nergens in de wet. De Hoge Raad heeft hier juist overwogen dat de evenredigheidstoets niet exclusief beperkt is tot bestuursrechtelijke procedures. Ook in de huidige wet staat hierop geen uitzondering.’ [46]
3.27
Tijdens mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025 is aandacht geweest voor de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro. [47]
3.28
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank over de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro het volgende overwogen:
‘De rechtbank begrijpt dat verzoeker bovendien een beroep doet op het zogenaamde “Tjebbes”-arrest (het verlies van Unieburgerschap) in combinatie met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) en daarmee op artikel 15 van Pro de RWN (oud). De rechtbank overweegt dat de RWN sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder Pro p voorziet in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele unierechtelijke evenredigheidstoets. Omdat het verzoek na 1 april 2022 is ingediend, komt de rechtbank in deze procedure aan deze toets niet toe.’ [48]
3.29
Deze overwegingen zijn zonder meer juist en hadden de rechtbank tot de conclusie moeten leiden dat het beroep van verzoeker op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich niet leent voor behandeling in de onderhavige procedure op grond van art. 17 RWN Pro, aangezien het inleidende verzoek is gedaan (op 25 november 2024 [49] en daarmee ruim) na de wetswijziging van 1 april 2022. Sinds de wetswijziging behoort de toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter. Het geschil tussen verzoeker en de Staat over de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geen geschil betreffende burgerlijke rechten, waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen (art. 112 lid 1 Grondwet Pro); verzoeker heeft immers geen burgerlijk recht aan zijn verzoek op deze grond ten grondslag gelegd. Aan de vraag naar een aanvullende rechtsbescherming van de civiele rechter wordt derhalve niet toegekomen. [50] Naar mijn mening had de rechtbank zich in dit geval dan ook onbevoegd moeten verklaren voor zover het verzoek is gebaseerd op de Unierechtelijke evenredigheidstoets. [51]
3.3
De rechtbank heeft de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro en de gevolgen hiervan voor procedures die zijn ingesteld na 1 april 2022, weliswaar onderkend, maar nagelaten om zich onbevoegd te verklaren voor zover het verzoek uitnodigt tot een toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. In tegenspraak met de hiervoor in 3.28 weergegeven overwegingen over de ‘exclusieve procedure’ van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker op de Unierechtelijke evenredigheidstoets inhoudelijk beoordeeld en afgewezen:

Toetsing aan evenredigheidsbeginsel(…)
De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande beoordelen of het beroep op het (unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel slaagt. Verkort weergegeven zal de rechtbank daarbij beoordelen of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich brengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van elke betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht.
(…)
Deelconclusie IIDat het verlies van het Unieburgerschap aldus niet onevenredig is voor verzoeker maakt dat er geen uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren per 25 oktober 2020.’ [52]
3.31
Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen blijkt dat de rechtbank de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter heeft miskend, door in een civiele procedure (art. 17 RWN Pro) een Unierechtelijke evenredigheidstoets uit te voeren die volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever met ingang van 1 april 2022 exclusief is voorbehouden aan de bestuursrechter (art. 6 lid 1 sub p RWN Pro). Nu de Hoge Raad aan de schending van de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, bij gebreke van een daartoe strekkende klacht, ambtshalve geen consequenties kan verbinden, komt de bestreden beschikking op deze grond niet voor vernietiging in aanmerking. [53] Ik meen dat verzoeker geen belang heeft bij de klacht van het middel (in onderdeel II). Het middel bestrijdt niet het oordeel van de rechtbank dat zij in deze procedure niet toekomt aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets, omdat ‘de RWN sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder Pro sub p voorziet in een exclusieve administratiefrechtelijke procedure voor een eventuele Unierechtelijke evenredigheidstoets’. [54] Deze overweging is zelfstandig dragend voor de beslissing van de rechtbank om het verzoek op grond van art. 17 RWN Pro niet in te willigen. Aangenomen dat de klacht van het middel (in onderdeel II) wel zou slagen, zou dat betekenen dat de rechtbank zich in de verwijzingsprocedure alsnog onbevoegd dient te verklaren.
3.32
Tot slot merk ik nog op dat het verzoeker vrijstaat om in het kader van de optieprocedure van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro alsnog een beroep te doen op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De mogelijkheid om een optieverklaring af te leggen op grond van art. 6 lid 1 sub p RWN Pro is niet gebonden aan een termijn.
3.33
De slotsom is dat het cassatiemiddel geen doel treft.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt. S.F.M. Wortmann.
2.HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, AB 2019/180, m.nt. V.M. Bex-Reimert en P.R. Rodrigues; JV 2019/102, m.nt. S. Peers.
3.Zie p. 2 van de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17900.
4.Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, 25 november 1975, Trb. 1975, 132.
5.Wet van 22 april 1999, houdende regels inzake het treffen van voorzieningen ten behoeve van remigratie, Stb. 1999, 232.
6.Vgl. p. 3, zesde alinea van de bestreden beschikking.
7.Zie conclusie A-G Vlas, onder 2.4, voor HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:761, NJ 2015/242, m.nt. S.F.M. Wortmann; JV 2015/259, m.nt. G.R. de Groot.
8.Kamerstukken I 1999-2000, 25 891 (R 1609), nr. 201b, p. 11.
9.Zie p. 3, vijfde alinea van de bestreden beschikking.
10.Bestreden beschikking, p. 4, eerste en tweede alinea.
11.HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749, NJ 2015/439, m.nt. S.F.M. Wortmann.
12.Bestreden beschikking, p. 4, derde alinea, halverwege.
13.Onderdeel I bevat een inleiding; onderdeel II wordt hierna behandeld.
14.Deze uitzonderingen luiden als volgt: ‘Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger (a) die in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft; (b) die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; (…).’ Zie p. 3, vierde alinea van de bestreden beschikking.
15.Vgl. standpunt IND, eerste aanleg, d.d. 17 juli 2025, p. 5: ‘Ten overvloede wordt opgemerkt dat, vanuit een oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in den vreemde wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten omtrent de op dat moment geldende regelgeving met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Het ligt op hun weg om zich te vergewissen van de consequenties die het wonen als bipatride Nederlander in een ander land dan Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of een van de landen waar het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, zou hebben voor het Nederlanderschap. Door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en door het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt bovendien consequent voorlichting gegeven met betrekking tot de RWN, onder andere door middel van het publiceren van informatie op de website Nederland wereldwijd van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op de websites van de Rijksoverheid en de Immigratie- en Naturalisatiedienst is eveneens informatie te vinden over het verlies van het Nederlanderschap. Als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 is overigens in Suriname door de Nederlandse overheid voor personen die geboren zijn in Suriname en die door die uitspraak (…) de Nederlandse nationaliteit hebben behouden een speciaal informatieblad d.d. 23 november 2015 bekend gemaakt, waarin wordt aangegeven op welke datum de verliestermijn van artikel 15 lid 1 onder Pro c RWN aanvangt en op welke wijze die termijn kan worden gestuit (…). De Nederlandse overheid is overigens niet verplicht burgers individueel aan te schrijven omtrent wetswijzigingen, daargelaten de vraag in hoeverre dit praktisch uitvoerbaar is’. In dit verband wijs ik erop dat volgens de Nationale Ombudsman de burger de dupe is van gebrekkige informatievoorziening vanuit de overheid over het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege; zie Rapport Verlies Nederlanderschap. ‘En toen was ik mijn Nederlanderschap kwijt…’, 10 mei 2016, rapportnr. 2016/145, p. 36 e.v. Een van de aanbevelingen van de Ombudsman is om de betrokkenen ‘actief en gericht te informeren.’ (p. 38)
16.Rijkswet van 26 september 1991, houdende het stellen van regelen betreffende de verstrekking van reisdocumenten (Paspoortwet), Stb. 1991, 498.
17.Besluit van 15 oktober 2020, houdende regels betreffende het verstrekken van reisdocumenten, ​​Stb.​ 2020, 418.
18.Vgl. HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:766, rov. 3.6.1, met betrekking tot de opsomming in art. 61 lid 1 Besluit Pro verkrijging en verlies Nederlanderschap (Besluit van 15 april 2002, Stb. 2002, 231) van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap in de zin van art. 15 lid 4 RWN Pro.
19.Bestreden beschikking, p. 4, tweede alinea, voorlaatste volzin.
20.Kamerstukken II 1987-1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, p. 9.
21.Vgl. M.J.C. Koens/M.L.H. Gelauff, T&C Personen- en familierecht, Paspoortwet, Inleidende opmerkingen, aant. 1.
22.Zie voor deze uitzonderingen het Akkoord en uitvoeringsovereenkomst van Schengen en visumvrijstellingsovereenkomsten met niet-EU-landen (https://www.consilium.europa.eu/nl/policies/eu-visa-policy/) en de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet, Stcrt. 2018, 34529.
23.Rijkswet van 23 augustus 2016, houdende bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk, Stb. 2016, 320.
24.Bestreden beschikking, p. 4, tweede alinea, slot.
25.Bestreden beschikking, p. 5, tweede alinea.
26.Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544, rov. 3.3.2 en HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331, NJ 2022/160, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.1.2.
27.HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, AB 2019/180, m.nt. V.M. Bex-Reimert en P.R. Rodrigues; JV 2019/102, m.nt. S. Peers. Zie ook H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 265; G.R. de Groot, in zijn noot onder Rb. Den Haag 16 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4678, JV 2021/146, nr. 12.
28.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, NJ 2020/183, m.nt. S.F.M. Wortmann. Over de invulling van de Unierechtelijke evenredigheidstoets, zie HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, punt 44 e.v. en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, AB 2020/173, m.nt. P.R. Rodrigues; JV 2020/67, m.nt. G.R. de Groot.
29.Bestreden beschikking, vanaf p. 5, derde alinea.
30.Rijkswet van 17 november 2021 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap om te voorzien in een grondslag voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin het Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan en in verlenging van de termijn voor van rechtswege verlies, Stb. 2021, 572.
31.De administratieve behandeling van optieverklaringen op grond van art. 6 RWN Pro is geregeld in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
32.Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid Pro 3, paragraaf 21.3.8.1. Ik verwijs steeds naar de versie van deze handleiding die geldt op 1 juli 2026.
33.Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid Pro 3, paragraaf 21.3.9.1 e.v.
34.Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid Pro 3, paragraaf 21.3.10.
35.Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toelichting bij art. 6 lid Pro 3, paragraaf 21.3.10.
36.Vgl. G.R. de Groot/M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 14), 2021, p. 128; G.R. de Groot, Groene Serie Personen- en familierecht, Nationaliteitsrecht, art. 6 RWN Pro, Kernoverzicht, aant. A10; art. 6, aant. 21.1. Kritiek bij de keuze van de wetgever voor een bestuursrechtelijke procedure bij G.R. de Groot, Groene Serie Personen- en familierecht, Nationaliteitsrecht, art. 6 RWN Pro, aant. 17.1; H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 269-270.
37.Kamerstukken II 2020-2021, 35 859 (R 2157), nr. 3, p. 2; zie ook p. 10.
38.In het geval van verzoeker is de bevoegde autoriteit de Minister van Buitenlandse Zaken. Zie art. 2 sub a en Pro art. 35 e.v. Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap.
39.Zie 3.20 van mijn conclusie.
40.HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, NJ 2020/183, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.7.2.
41.Zie ook de parlementaire geschiedenis aangehaald in 3.21 van mijn conclusie.
42.Anders H. de Voer, Tjebbes-optie. Met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terugkrijgen, A&MR 2022/5, p. 270.
43.HvJ EU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189, punt 41.
44.Tot dezelfde conclusie komt ABRvS 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, JV 2026/7, m.nt. H. de Voer, rov. 8.4.
45.Standpunt van IND, brief van 17 juli 2025, p. 5.
46.Reactie van verzoeker, brief van 21 augustus 2025, p. 2.
47.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 3 (‘Adv. man zegt optieprocedure is niet exclusief. In Tjebbes arrest paragraaf 42, 43 en 45 staat ook dat rechterlijke instanties aan het evenredigheidsbeginsel moet kunnen toetsen.’), p. 4 (‘IND: (…) Geldt ook voor toetsing aan evenredigheidsbeginsel. N.a.v. Tjebbes wettelijke regeling vastgesteld. Mogelijkheden voor om verklaring te vragen. Lijkt me betere weg.’) en p. 5 (‘R: is dat al ingezet? Adv: nee nog niet. Wilde eerst van u horen of hij het is verloren in 2020. Inefficiënt als je zo langs 2 loketten moet.’).
48.Bestreden beschikking, p. 7, derde alinea.
49.Zie 2.9 van mijn conclusie.
50.Vgl. HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560, NJ 2025/244, m.nt. L.A.D. Keus, rov. 3.2; HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, NJ 2025/27, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.2.2.
51.Vgl. C.N.J. Kortmann in zijn noot, onder 8 en 11, onder HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456, AB 2014/71, over de verhouding tussen onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid in het kader van de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter.
52.Bestreden beschikking, p. 5, vanaf de derde alinea.
53.Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/273; Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/52. Vgl. A.C. van den Blink, De procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap, Een stap op weg naar integratie van gewone en administratieve rechtspraak?, 1989, p. 11.
54.Bestreden beschikking, p. 7, derde alinea.