ECLI:NL:PHR:2026:676

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/01866
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 RvArt. 20 RvArt. 246 RvArt. 247 RvArt. 248 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid tussentijds cassatieberoep tegen ambtshalve doorhaling in hoger beroep

In deze procedure staat centraal of het hof in hoger beroep terecht de zaak ambtshalve heeft doorgehaald nadat een vierde uitstelverzoek voor het nemen van grieven was afgewezen. [Eiser 2] betoogde dat het hof had moeten vaststellen dat het recht van [verweerder 3] om grieven te nemen was vervallen, terwijl het hof de zaak doorhaalde en de hoofdzaak voortzette. Het hof wees het incident van [eiser 2] af en verleende tussentijds cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de ambtshalve doorhaling een rolbeschikking is, een administratieve maatregel die niet ingrijpt in de procesrechten van partijen en daarom niet vatbaar is voor cassatieberoep. Het principaal cassatieberoep is daarom niet-ontvankelijk. De Hoge Raad overweegt dat het verlenen van een akte niet-dienen een zwaardere ingreep zou zijn geweest, maar dat het hof terecht heeft gekozen voor doorhaling, mede gelet op bijzondere omstandigheden zoals een gedwongen ontruiming en financiële problemen.

Het incidentele cassatieberoep van [verweerder 3] wordt verworpen wegens gebrek aan belang, omdat het principaal beroep niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad bevestigt dat de procedure op de geregelde wijze is voortgezet en dat de belangen van partijen in redelijke verhouding zijn afgewogen. De uitspraak draagt bij aan de verduidelijking van de kwalificatie van rolbeschikkingen en de ontvankelijkheid van tussentijdse cassatieberoepen in civiele procedures.

Uitkomst: Het tussentijds cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het incidentele cassatieberoep verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01866
Zitting3 juli 2026
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. DL Agro Logistics B.V.
2. [eiser 2] hodn. [A] ,
eisers tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
verweerders in cassatie het incidenteel cassatieberoep
tegen
1. De Leigraaf Holding B.V.
2. Leigraaf Transport B.V.
3. [verweerder 3]
4. [verweerster 4]
5. [verweerder 5]
verweerders in cassatie in het principaal cassatieberoep,
eisers tot cassatie in het incidenteel cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser 2] respectievelijk [verweerder 3] (in enkelvoud, in citaten ook als [eisers] en [verweerders] ).

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze na verkregen verlof geëntameerde cassatie tegen tussenuitspraken gaat het uitsluitend om een procesrechtelijke kwestie; kon het hof de zaak in hoger beroep op de rol doorhalen, nadat het hof een vierde uitstelverzoek van [verweerder 3] voor het nemen van grieven niet had gehonoreerd. [eiser 2] , tegen wie verstek was verleend zowel op het moment van de uitstelverzoeken als op het moment van de doorhaling, heeft zijn verstek na hervatting van de zaak gezuiverd en een incident opgeworpen waarin hij concludeert tot verval van recht en niet- ontvankelijkheid van [verweerder 3] . Volgens [eiser 2] had het hof niet mogen overgaan tot doorhaling en had het in plaats daarvan moeten vaststellen dat het recht van [verweerder 3] om grieven te nemen was vervallen. Het hof heeft dit incident afgewezen en geoordeeld dat de hoofdzaak moest worden voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevond. Daarop heeft [eiser 2] verlof tot het instellen van tussentijds cassatieberoep verzocht en gekregen. Kern van het tussentijdse (principale) cassatieberoep is dat de zaak ten onrechte is doorgehaald en had moeten worden vastgesteld dat het recht om grieven te nemen was vervallen. [verweerder 3] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het principale beroep en tot verwerping van het incidentele beroep – maar het kan ook zijn dat het incidenteel cassatieberoep voorwaardelijk is voorgesteld en dat de voorwaarde daarvoor niet is vervuld, zoals ik zal bespreken.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende met het oog op de beperkte procesrechtelijke materie van deze cassatiezaak verkort weergegeven feiten worden uitgegaan [1] .
2.2
[verweerder 3] en [verweerster 4] waren eigenaar van een onroerende zaak (waaronder een bedrijfswoning) in [plaats] . Zij woonden samen met hun zoon [verweerder 5] in die bedrijfswoning. Op enig moment ontstonden er financiële problemen en is door partijen een constructie bedacht waarbij [verweerder 3] , [verweerster 4] en [verweerder 5] in de woning konden blijven wonen. Onderdeel van die constructie was dat de onroerende zaak werd verkocht en geleverd aan DL Agro Logistic (waarvan [eiser 2] enig aandeelhouder is) en vervolgens (deels) aan [verweerder 3] en [verweerster 4] werd verhuurd. Partijen zijn een koopoptie met betrekking tot de onroerende zaak overeengekomen voor [verweerder 3] en [verweerster 4] . De overige feiten zijn voor deze tussentijdse cassatie naar ik meen niet van belang [2] .
2.3
In geschil is onder meer de uitleg van de koopoptie. Volgens [verweerder 3] behelst de koopoptie dat [verweerder 3] en [verweerster 4] of een derde, zoals hun zoon [verweerder 5] , op enig moment de mogelijkheid hebben om de onroerende zaak tegen kostprijs terug te kopen. [eiser 2] weigert mee te werken aan de door [verweerder 3] gewenste koop. [verweerder 3] heeft in conventie onder meer gevorderd dat [eiser 2] wordt veroordeeld tot verkoop en levering van de onroerende zaak tegen de kostprijs. Omdat in hoger beroep de overige vorderingen van [verweerder 3] geen rol meer spelen, laat ik die verder buiten beschouwing. [eiser 2] heeft in reconventie betaling gevorderd van achterstallige huur en de daaraan verbonden contractuele boete en buitengerechtelijke kosten en ontruiming van de onroerende zaak.
2.4
De kantonrechter heeft de vorderingen van [verweerder 3] afgewezen en de reconventionele vorderingen grotendeels toegewezen.
2.5
[verweerder 3] heeft hoger beroep ingesteld. Op 26 september 2023 is verstek verleend tegen [eiser 2] onder verwijzing naar de rol van 7 november 2023 voor het nemen van grieven door [verweerder 3] . [verweerder 3] heeft vervolgens drie keer uitstel gekregen voor het nemen van grieven, de laatste keer op de rol van 16 januari 2024 [3] .
2.6
Op 10 januari 2024 heeft [verweerder 3] nogmaals vier weken uitstel verzocht voor het nemen van grieven. Dat is afgewezen en de zaak is op de rol van 16 januari 2024 ambtshalve doorgehaald (in het roljournaal staat: ‘
ambtshalve royement’) [4] .
2.7
[verweerder 3] heeft vervolgens op 22 februari 2024 om hervatting van de procedure verzocht tegen de roldatum van 5 maart 2024. Dat is afgewezen, omdat [verweerder 3] dit verzoek niet uiterlijk twee weken voor die roldatum had gedaan. Daarop heeft [verweerder 3] op 12 maart 2024 om hervatting verzocht tegen de roldatum van 2 april 2024, op welke roldatum hij conform art. 8.3 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lpr) ook grieven heeft genomen. Omdat zich op 2 april 2024 geen advocaat voor [eiser 2] heeft gesteld, is op 2 april tegen [eiser 2] verstek verleend [5] .
2.8
[verweerder 3] heeft vijf grieven aangevoerd, waarbij hij aangeeft gedwongen te zijn ontruimd door [eiser 2] en om financiële redenen zijn vorderingen in appel sterk beperkt en wijzigt. In hoger beroep is alleen nog aan de orde of [verweerder 3] , [verweerster 4] en [verweerder 5] [verweerder 3] conform de koopoptie op elk gewenst moment het recht hebben om de onroerende zaak tegen kostprijs of marktwaarde) te kopen en verder dat, nu [eiser 2] en DL Agro Logistics dit hebben geweigerd, zij daarmee jegens [verweerder 3] toerekenbaar tekort schieten, of onrechtmatig handelen. [verweerder 3] heeft dienovereenkomstig zijn eis gewijzigd in hoger beroep.
2.9
Bij tussenarrest van 3 september 2024 is geoordeeld dat deze eiswijziging conform art. 130 lid 3 jo Pro. 353 lid 1 Rv moet worden betekend aan [eiser 2] , omdat een wijziging of vermeerdering van eis is uitgesloten tegen een partij die niet is verschenen, tenzij de eisende partij (appellant in dit geval) de wijziging of vermeerdering van eis tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij kenbaar heeft gemaakt. Daartoe werd de zaak naar de rol van 1 oktober 2024 verwezen om [verweerder 3] in de gelegenheid te stellen betekening van de eiswijziging over te leggen.
2.1
Nadat [verweerder 3] dit tussenarrest en zijn memorie van grieven met eiswijziging aan [eiser 2] had laten betekenen, heeft [eiser 2] zich op de rol van 1 oktober 2024 gesteld, waarmee het verstek werd gezuiverd, onder het nemen van een incidentele memorie tot verval van recht en niet- ontvankelijkheid. Volgens [eiser 2] is [verweerder 3] recht tot het nemen van grieven vervallen, omdat hij geen grieven heeft genomen op de laatste roldatum waarvoor uitstel voor grieven was verleend. [eiser 2] voert aan dat de procedure op die roldatum ten onrechte ambtshalve is doorgehaald (het hof gebruikt de term ‘
geroyeerd’) [6] . [verweerder 3] is daarom niet-ontvankelijk in hoger beroep. [verweerder 3] brengt daar tegen in dat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de procedure te hervatten nadat die ambtshalve was doorgehaald. Er is volgens [verweerder 3] geen reden om hem alsnog niet-ontvankelijk te verklaren of alsnog achteraf het recht te ontzeggen grieven te nemen.
2.11
In dit incident is arrest gewezen op 10 december 2024 (hersteld bij arrest van 14 januari 2025, welk herstel in deze cassatieprocedure verder geen rol speelt). Daarbij is de incidentele vordering van [eiser 2] afgewezen, onder bepaling dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt.
2.12
[eiser 2] heeft verlof gevraagd om hier tussentijds cassatie tegen in te stellen en dat is hem bij arrest van 11 maart 2025 verleend: verlof om tussentijds cassatieberoep in te stellen tegen de tussenarresten van 3 september 2024 en 10 december 2024, hersteld bij arrest van 14 januari 2025, onder aanhouding van verdere beslissingen hangende dit tussentijds cassatieberoep. Daartoe is onder meer als volgt overwogen:
‘2.1 [eisers] hebben het hof gevraagd om verlof te verlenen voor het instellen van beroep in cassatie tegen de tussenarresten van 3 september 2024 [voetnoot 2: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5619] en 10 december 2024, hersteld bij arrest van 14 januari 2025. Volgens [verweerders] kunnen de rechtsoverwegingen in het arrest van 10 september 2024, die ten grondslag liggen aan het verwerpen van het beroep van [eisers] op de artikelen 133 lid 4 Rv en 1.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, niet worden gevolgd. Zij hebben daarover een positief cassatieadvies ingewonnen. [eisers] verzoeken ook om, tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, uitstel te verlenen voor het nemen van memorie van antwoord.
(…)
3.2
Het hof is van oordeel dat het bieden van de mogelijkheid van een tussentijds cassatieberoep in deze zaak procedureel doelmatig en passend is. Het hof heeft in het (tussen)arrest in het incident van 10 december 2024 de vordering in het incident van [eisers] tot verval van recht van [verweerders] om memorie van grieven te nemen en [verweerders] niet ontvankelijk te verklaren afgewezen. Dat oordeel is bepalend voor het verdere verloop van deze procedure. Tussentijdse cassatie zal weliswaar tot vertraging van de procedure leiden maar niet tot een onredelijke en het komt de procesefficiëntie ten goede als in deze fase het oordeel van het hof ter definitieve beoordeling aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
3.3
Het hof zal bepalen dat van het tussenarrest van 10 december 2024 beroep in cassatie kan worden ingesteld. Dat heeft tot gevolg dat tussentijds hoger beroep [bedoeld zal zijn: cassatie, A-G] kan worden ingesteld van alle tot dan toe in de procedure gewezen tussenuitspraken.[voetnoot 4: HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, r.o. 3.2.4.] Dat geldt dus ook voor het tussenarrest van 3 september 2024. Dat het tussenarrest van 10 december 2024 een arrest in incident inhoudt, doet daaraan niet af. Beide arresten zijn immers in dezelfde procedure gewezen.’
2.13
[eiser 2] komt in cassatie op tegen:
(i) de beslissing van het hof van 16 januari 2024 (geen nader uitstel voor grieven meer en ambtshalve doorhaling),
(ii) die van 2 april 2024 (verstekverlening),
(iii) het tussenarrest van 3 september 2024, en
(iv) het tussenarrest van 10 december 2024.
2.14
[verweerder 3] heeft bij verweerschrift primair tot niet-ontvankelijkheid geconcludeerd met als grondslag dat cassatie is ingesteld tegen niet voor beroep vatbare rolbeslissingen, subsidiair tot (inhoudelijke) verwerping daarvan. Voor het geval het hof heeft geoordeeld dat het wél een voor beroep vatbare rolbeslissing (tussenarrest) heeft gewezen, is dat oordeel onjuist en stelt [verweerder 3] incidenteel cassatieberoep in.
2.15
[eiser 2] heeft verweer gevoerd tegen het aldus ingestelde incidentele cassatieberoep, waarna partijen hun standpunten schriftelijk hebben laten toelichten, waarop zijdens [verweerder 3] is gedupliceerd.

3.Bespreking van het principale cassatieberoep

3.1
Onderdelen 1 en 2bevatten procesrechtelijke klachten met als kern dat het hof ten onrechte de zaak heeft doorgehaald en in plaats daarvan had moeten vaststellen dat het recht om grieven te nemen was vervallen.
Onderdelen 3 en 4bouwen hierop voort met klachten dat de proceshandelingen die na doorhaling hebben plaatsgevonden niet hadden mogen gebeuren.
Ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep
3.2
Tegen een rolbeslissing die
louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij,kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Of een rechterlijke beslissing moet worden aangemerkt als een rolbeschikking of (in een dagvaardingszaak) als een arrest, moet naar vaste rechtspraak niet naar de vorm, maar naar de inhoud van de betreffende beslissing worden bezien [7] . Het doet er niet toe of de beslissing is neergelegd in een roljournaal, brief, of e-mail, of juist in een vonnis, beschikking of arrest. Onderscheidend is in de eerste plaats of sprake is van een
maatregel ter rolle, louter ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang [8] . Voorbeelden van typische rolbeschikkingen zijn het afwijzen en verlenen van uitstel voor conclusies en de dagbepaling voor pleidooi, getuigenverhoor, comparitie of vonnis [9] . Ook het voor onbepaalde tijd aanhouden van de behandeling van een zaak is een rolbeschikking [10] . Is daarentegen sprake van een
beslissing die ingrijpt in de (processuele) rechten en belangen van partijen, dan is sprake van een vonnis of een arrest [11] . Voorbeelden hiervan zijn weigering van een memorie van grieven, het verlenen van verval van instantie of van akte niet-dienen, of herroeping of handhaving van dergelijke beslissingen of een beslissing die hetzelfde effect heeft als een akte niet-dienen [12] .
3.3
Wanneer sprake is van het herhaaldelijk verlenen van uitstel, zoals in onze zaak, is ruimte voor twijfel. De omstandigheden kunnen op een zeker moment meebrengen dat het ‘blijvend’ aanhouden van de zaak ingrijpende gevolgen heeft voor de wederpartij [13] .
3.4
Doorhaling is geregeld in art. 246-248 Rv (op grond van art. 353 Rv Pro ook van toepassing in hoger beroep) en art. 8.1-8.3 van het in deze zaak toepasselijke Lpr (versie 29 december 2023, inwerkingtreding 1 januari 2024 [14] ). Doorhaling kan zowel op verzoek van partijen geschieden, als ambtshalve door de rechter indien geen van partijen er, na in de gelegenheid te zijn gesteld om zich daarover uit te laten, blijk van geven het geding te willen voortzetten. Wanneer een gedaagde of geïntimeerde verstek laat gaan kan ook alleen eiser of appellant doorhaling verlangen zolang er geen einduitspraak is [15] . De enkele doorhaling op de rol is een puur administratieve handeling, waaraan de wet geen rechtsgevolgen verbindt [16] . Op grond van art. 8.3 Lpr kan iedere partij na een ambtshalve doorhaling verzoeken om de procedure op een bepaalde roldatum te hervatten. In
[…] /Kas-Bankis uitgemaakt dat een appellant gedurende de tijd dat de zaak naar de ‘slaaprol’ was verwezen ‘een vrij uitstel’ had [17] . Doorhaling vertoont procedureel trekken van uitstel verlenen voor onbepaalde tijd.
3.5
[eiser 2] voert aan dat de rolbeslissing van 16 januari 2024 om de zaak ambtshalve door te halen en ook de beslissing om dat in stand te laten bij tussenarrest van 10 december 2024, voor cassatieberoep vatbare tussenarresten zijn, ‘nu zij ingrijpen in de belangen van [eisers] ’ (s.t. [eiser 2] 1). Die brengen immers mee dat [verweerder 3] alsnog grieven mocht nemen, wat tot gevolg kan hebben dat het hof het voor [eiser 2] gunstige vonnis van de rechtbank vernietigt (s.t. [eiser 2] 1.1). Ook brengt dit vertraging van de zaak mee met onzekerheid over het eventuele vervolg van de zaak als gevolg van de ambtshalve doorhaling van de zaak, in plaats van verlening akte niet-dienen. Ook dat is een rechtens te respecteren belang van [eiser 2] , gelet op art. 20 Rv Pro (aldus s.t. [eiser 2] 1.2).
3.6
Dit beroep op de uitzondering op de hoofdregel dat hier geen sprake is van niet voor hogere voorziening vatbare rolbeslissingen lijkt mij niet honorabel. Voorop staat dat in deze zaak twee bijzonderheden spelen die van invloed zijn op de manier hoe procesrechtelijk tegen deze zaak moet worden aangekeken. In de eerste plaats is sprake van ingrijpende bijzondere omstandigheden verband houdend met de gedwongen ontruiming en partijberaad buiten rechte die maakten dat een aantal keer uitstel voor grieven is verleend, des gemotiveerd verzocht. In de tweede plaats liet [eiser 2] aanvankelijk (lang) verstek gaan in appel. De ambtshalve doorhaling ter rolle van 16 januari 2024 is een beslissing die
op zichzelfniet ingrijpt in de rechten en belangen van partijen; vergelijkbaar met het besproken ‘vrije uitstel’ uit
[…] /Kas-Bank, al aangehaald. ‘Op zichzelf’; er zijn situaties denkbaar die dat anders kunnen maken, maar dat daarvan sprake zou zijn, wordt door [eiser 2] naar ik meen niet steekhoudend beargumenteerd. Het nemen van grieven behoort tot de normale procedurele gang van zaken en dat daardoor een uitspraak in eerste instantie kan sneuvelen is ook
all in the game(in vergelijkbare zin dupliek [verweerder 3] 1). Procesregels over het nemen van grieven hebben niet de strekking om de wederpartij een inhoudelijk voordeel te geven, maar om een ordelijk procesverloop te bewerkstelligen [18] . Het feit dat het voor [eiser 2] gunstige vonnis in hoger beroep anders kan uitpakken is inherent aan het stelsel van hoger beroep en kan op zichzelf niet rechtvaardigen dat de procedure anders dan op de geregelde wijze verloopt. Vws in cassatie 2.14 wijst erop dat volgens Ahsmann [19] over de vraag of het niet verlenen van een akte niet-dienen een voor beroep vatbare beslissing is ‘discussie kan ontstaan’, met als enige uitwerking een loutere verwijzing naar de Haagse hofzaak
Lionex c.s./X c.s., al aangehaald. Die discussie speelt in onze zaak ook, maar brengt mij niet op andere gedachten. Het behoort mijns inziens tot de discretionaire rechterlijke keuzes om in plaats van nog een uitstel te verlenen in een situatie als deze geen akte niet-dienen te verlenen, maar de zaak door te halen en nadat deze weer wordt opgebracht alsnog toe te staan dat grieven worden genomen. Dat is geen onverhoedse confrontatie met een procedure die alsnog doorgaat (doorhaling is alleen een administratieve handeling zonder rechtsgevolg), zoals bij het herroepen van een eerdere akte niet-dienen en dan alsnog toestaan een memorie te nemen [20] .
3.7
Dat [eiser 2] is geschaad in zijn belang bij een voortvarende afhandeling van de zaak, het tweede argument, zie ik hier evenmin opgaan; dat spoort niet met zijn proceshouding. Tegen [eiser 2] was immers ten tijde van de bestreden rolbeschikkingen verstek verleend. Als [eiser 2] standpunt was dat de doorhaling zijn belangen zou schaden, dan had hij op grond van art. 8.3 Lpr zelf hervatting van de procedure kunnen verzoeken. Ook had hij het procestempo kunnen beïnvloeden door geen verstek te laten gaan in appel of zijn verstek eerder te zuiveren en vervolgens bezwaar te maken tegen de uitstelverzoeken van [verweerder 3] en/of de rolrechter te vragen om maatregelen te nemen zoals een akte niet-dienen (in vergelijkbare zin vws in cassatie 6.1 (9) en de antwoordmemorie van [verweerder 3] in het incidenteel verzoek tot verval van recht en niet-ontvankelijkheid onder 4 en 6). Partijen zijn immers tegenover elkaar – onder toezicht van de rechter – verantwoordelijk voor een voortvarend procesverloop en in dat kader kan van hen een redelijke bijdrage worden gevergd [21] .
3.8
Ik zie dan ook niet dat hier sprake zou zijn van beslissingen die zodanig ingrijpen in de procespositie van [eiser 2] , dat sprake is van voor hogere voorziening vatbare beslissingen en niet van rolbeschikkingen waar dat niet voor geldt. Het principaal cassatieberoep lijkt mij dan ook niet-ontvankelijk.
3.9
Dat betekent ook dat de op 2 april 2024 door [verweerder 3] genomen grieven niet hadden behoren te worden geweigerd en dat bij arrest van 3 september 2024 [verweerder 3] in de gelegenheid kon worden gesteld om de eiswijziging aan [eiser 2] te betekenen (een loutere procedurele instructie aan appellant om aan art. 130 lid 3 Rv Pro te voldoen, aldus vws in cassatie 2.22). Daar stuit het principaal cassatieberoep al integraal op af.
Ten overvloede: inhoudelijke bespreking van het principale cassatieberoep
3.1
Voor het geval [eiser 2] niettemin ontvankelijk kan worden geacht in zijn tussentijds cassatieberoep, bespreek ik dat nu – volgens mij ten overvloede.
Heeft het hof ten onrechte geen akte niet-dienen verleend?
3.11
[eiser 2] klaagt in
onderdeel 1dat (de rolraadsheer van) het hof heeft miskend dat art. 133 lid 4 Rv Pro en art. 1.12 Lpr betekenen dat [verweerder 3] recht op het nemen van grieven op 16 januari 2024 was vervallen. Door de procedure ambtshalve door te halen in plaats van, zoals geboden was volgens art. 133 lid 4 Rv Pro en art. 1.12 Lpr, vast te stellen dat [verweerder 3] recht tot het nemen van grieven was vervallen en de zaak naar de rol te verwijzen voor arrest, heeft (de rolraadsheer van) het hof het recht geschonden.
Onderdeel 2klaagt dat art. 2.20 Lpr geen deugdelijke reden vormt om niet vast te stellen dat het recht tot het nemen van grieven was vervallen en dat ambtshalve doorhaling van een zaak op basis van een procesreglement niet kan meebrengen dat het recht om de betreffende proceshandeling te verrichten in weerwil van art. 133 lid 4 Rv Pro toch niet zou zijn vervallen. In het verlengde van onderdelen 1 en 2 klagen
onderdelen 3 en 4dat (de rolraadsheer van) het hof op 2 april 2024 ten onrechte alleen verstek heeft verleend aan [eiser 2] en niet ook de door [verweerder 3] genomen memorie van grieven heeft geweigerd en dat het hof bij zijn arrest van 3 september 2024 [verweerder 3] ten onrechte in de gelegenheid heeft gesteld om de eiswijziging te betekenen.
3.12
Onderdelen 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Ik zie deze klachten om de volgende redenen inhoudelijk geen doel treffen. In art. 133 Rv Pro, dat op grond van art. 353 Rv Pro ook van toepassing is in hoger beroep, wordt de (appel)rechter de bevoegdheid toegekend om de termijnen voor proceshandelingen vast te stellen en ook om uitstel te verlenen. Wanneer de proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Dit artikel is een uitwerking van het in art. 20 Rv Pro neergelegde recht van partijen op een eerlijke behandeling van hun zaak binnen een redelijke termijn (vgl. ook art. 6 EVRM Pro). Beide artikelen staan in de sleutel van het waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure, waarin zowel de rechter als partijen zelf een rol hebben. Partijen bepalen tot op zekere hoogte het procestempo, dienen een redelijke bijdrage te leveren aan een voortvarend procesverloop en dienen onredelijke vertraging te voorkomen [22] . De rechter treft zo nodig op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen om partijen tot bespoediging te manen (bijvoorbeeld door het stellen van termijnen, peremptoir stellen of te concluderen tot verval van recht) [23] . De norm dat partijen en de rechter tegen een onredelijke vertraging van de procedure moeten waken is nader uitgewerkt in het Lpr [24] , dat recht vormt in de zin van art. 79 RO Pro [25] . Voor zover van belang voor deze zaak bevat het toepasselijke Lpr de volgende bepalingen:
1.11
Gevolgen niet-naleving reglement
Het hof zal aan de niet-naleving van een in dit reglement gegeven voorschrift het gevolg verbinden dat het met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt.
1.12
Ambtshalve handhaving termijnen, verval van recht
De termijnen worden ambtshalve gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
Indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en van die termijn geen uitstel kan worden verkregen, vervalt het recht de proceshandeling te verrichten.
1.14
Uitstel termijnen op grond van klemmende redenen of overmacht
Een gemotiveerd verzoek van een partij om uitstel op grond van klemmende redenen, wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vier dagen voor de afloop van de desbetreffende termijn, ingediend. De wederpartij kan binnen twee dagen na indiening van het verzoek reageren, doch uiterlijk tot 10.00 uur van de laatste dag van de week voorafgaande aan de roldatum waarop het verzoek betrekking heeft.
Het hof beoordeelt het verzoek zo spoedig mogelijk.
Indien een partij door overmacht niet in staat is het verzoek in te dienen binnen de in de eerste zin van deze bepaling genoemde termijn van vier dagen, geeft zij het hof daarvan bij eerste gelegenheid bericht. Het hof beslist zo spoedig mogelijk, de wederpartij zo mogelijk gehoord hebbend.
1.19
Gevallen waarin dit reglement niet voorziet
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het hof. Bij de beslissing worden zoveel mogelijk de bepalingen van dit reglement in acht genomen.
1.2
Bijzondere omstandigheden
Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan het hof van dit reglement afwijken.
2.16
Verandering of vermeerdering van eis
Een partij die haar eis of de gronden daarvan vermeerdert of verandert, vermeldt dit op duidelijk kenbare wijze in de titel van haar processtuk.
Een wederpartij die bezwaar wenst te maken tegen een verandering of vermeerdering van de vordering of van de grondslag daarvan en op dit bezwaar een beslissing wil verkrijgen alvorens verder te procederen, maakt dit bezwaar kenbaar door middel van een akte binnen twee weken na de datum waarop de verandering of vermeerdering van de vordering of van de grondslag daarvan is gedaan.
2.18
Termijnen voor memories en akten
Voor memorie van grieven, memorie van antwoord en memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep geldt een termijn van zes weken en in kort geding een termijn van vier weken.
2.19
Uitstel: ambtshalve
Van de in artikel 2.16, eerste zin, genoemde termijnen wordt eenmaal een ambtshalve uitstel verleend van vier weken en in kort geding van twee weken.
2.2
Uitstel op verzoek van partijen
Op verzoek van partijen wordt slechts uitstel in de volgende gevallen verleend:
a. op eenstemmig verzoek van partijen;
b. op verzoek van een of meer partijen op grond van klemmende redenen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10;
Een eerste eenstemmig verzoek van partijen als bedoeld onder a. wordt ingewilligd, tenzij uitstel zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding. Een tweede en volgend eenstemmig verzoek wordt schriftelijk toegelicht, waarbij partijen tevens motiveren waarom doorhaling niet in aanmerking komt.
Indien uitstel wordt verleend, is de termijn van uitstel niet langer dan de laatst verleende termijn voor het verrichten van de desbetreffende proceshandeling.
Indien een tweede of volgende eenstemmig verzoek van partijen niet wordt gehonoreerd zonder dat een rolverwijzing volgt, wordt de zaak ambtshalve doorgehaald.
2.21
Geen memorie van grieven
Indien het recht op het nemen van de memorie van grieven is vervallen, wordt de zaak naar de rol verwezen voor arrest. Deze verwijzing wordt ongedaan gemaakt indien de wederpartij binnen twee weken na verval van dit recht verzoekt een memorie van eis in incidenteel hoger beroep te mogen nemen.
3.13
De rechter die gebruik maakt van de bevoegdheid tot het vaststellen van termijnen voor proceshandelingen of het verlenen van uitstel daarvoor, moet steeds beoordelen of voldaan is aan de eisen die een goede procesorde in verband met de bij zijn beslissing betrokken belangen van beide partijen meebrengen [26] . Aan formaliteiten en termijnen komt in dat kader een belangrijke betekenis toe, omdat zij zorgen voor de ordening van het proces en bijdragen aan de rechtszekerheid van partijen, die dankzij deze regels weten waar zij aan toe zijn. Die betekenis is evenwel niet absoluut [27] . Een goede procesorde vergt immers ook dat partijen hun geschil door de (appel)rechter kunnen laten beoordelen. Zeker wanneer de toegang tot de (appel)rechter op het spel staat, hoort de sanctie voor het niet in acht nemen van termijnen in redelijke verhouding te staan tot de ernst van het verzuim en de gevolgen die de strikte naleving van een reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen [28] . Art. 1.11 LPR biedt het hof daartoe ook de mogelijkheid [29] . De omstandigheden kunnen daarom meebrengen dat, ook wanneer aan de voorwaarden van art. 133 lid 4 Rv Pro is voldaan, de eisen van een goede procesorde meebrengen dat het verlenen van een akte niet-dienen onaanvaardbaar is [30] . Deze nuancering ziet onderdeel 1 over het hoofd.
3.14
Volgens de overgelegde roljournalen en de uitspraak in het incident van 10 december 2024 zijn de volgende rolhandelingen verricht:
- op 26 september 2023 de zaak in appel aangebracht, is verstek verleend tegen [eiser 2] , heeft het hof de zaak niet geselecteerd voor mondelinge behandeling na aanbrengen en is de zaak verwezen naar de rol van 7 november 2023 voor memorie van grieven door [verweerder 3] ;
- op 7 november 2023 heeft [verweerder 3] een gewoon uitstelverzoek van 4 weken gedaan voor het nemen van grieven, hetgeen door de rolraadsheer is verleend, waarna de zaak is verwezen naar de rol van 5 december 2023;
- op 5 december 2023 is door [verweerder 3] uitstel van 4 weken verzocht wegens klemmende redenen, gehonoreerd door de rolraadsheer, waarna de zaak is verwezen naar de rol van 2 januari 2024 voor het nemen van grieven. Op de rol staat de volgende aantekening onder het kopje ‘aanvulling’: ‘Ambtshalve peremptoir aantal aanhoudingen: 2x’;
- op 2 januari 2024 is door [verweerder 3] uitstel van 2 weken verzocht. De rolraadsheer staat het verzoek toe. Op de rol staat de volgende aantekening onder het kopje ‘aanvulling’: ‘Ambtshalve peremptoir aantal aanhoudingen: 3x’;
- op 16 januari 2024 heeft [verweerder 3] verzocht om 4 weken uitstel voor het nemen van grieven wegens klemmende redenen. De rolraadsheer heeft dit verzoek op die datum afgewezen. Op de rol staat de volgende aantekening onder het kopje ‘aanvulling’: ‘Ambtshalve peremptoir aantal aanhoudingen: 4x’. Op dezelfde datum vermeldt het roljournaal dat de zaak ambtshalve is doorgehaald (het roljournaal omschrijft dit als “
ambtshalve royement”);
- op 2 april 2024 is de zaak hervat en is de memorie van grieven tevens wijziging van eis genomen. Op dezelfde roldatum is verstek verleend tegen [eiser 2] ;
- op 16 april 2024 heeft [verweerder 3] stukken gefourneerd;
- op 25 juni 2024 is de zaak op de rol gezet voor verstekarrest;
- op 3 september 2024 is een tussenarrest gewezen waarin het hof heeft geoordeeld dat [verweerder 3] de gelegenheid krijgt om de eiswijziging aan [eiser 2] te betekenen, waartoe de zaak is aangehouden;
- op 1 oktober heeft [verweerder 3] het exploot betekening eiswijziging overlegd, heeft mr. G.J.G. Olijslager zich gesteld voor [eiser 2] , is vastgesteld dat het verstek is gezuiverd en heeft [eiser 2] een incidentele memorie tot verval van recht en niet-ontvankelijkheid genomen;
- op 15 oktober 2024 heeft [verweerder 3] een antwoordconclusie in het incident ingediend;
- op 29 oktober 2024 hebben partijen gefourneerd in het incident;
- op 10 december 2024 heeft het hof arrest gewezen in het incident en het incident verworpen.
3.15
De achtergrond van de herhaalde uitstelverzoeken is in de antwoordmemorie in het incident toegelicht door [verweerder 3] . Hij wijst op de gang van zaken in (en na afloop van) de naast de procedure in hoger beroep lopende verzoekschriftprocedure, waarin [eiser 2] de rechtbank heeft verzocht om het deel van de onroerende zaak dat door [verweerder 3] van [eiser 2] werd gehuurd gedwongen te laten ontruimen. Bij beschikking van 9 februari 2023 is dit verzoek toegewezen en is [verweerder 3] veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op 9 mei 2023 te ontruimen [31] . De gedwongen ontruiming heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023 (mvg [verweerder 3] 20-21). Als gevolg van deze gedwongen ontruiming moest [verweerder 3] op zoek naar alternatieve woon- en bedrijfsruimte, waardoor hij niet langer de financiële mogelijkheid had om de onroerende zaak te kopen. Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen wilde [verweerder 3] zijn eis wijzigen in appel (mvg 25-27). In de periode rondom de gedwongen ontruiming is ook bij herhaling getracht om alsnog met (de vertegenwoordiger van) [eiser 2] in gesprek te komen, maar deze pogingen bleken vruchteloos (antwoord memorie [verweerder 3] in het incident onder 4 en 5, vws in cassatie 1.4 en 6.1 (11)).
3.16
De uitspraak in het incident bevat in rov. 3.2-3.3 de motivering van de keuze om op 16 januari 2024 over te gaan tot ambtshalve doorhaling van de zaak. Daaruit kan worden afgeleid dat de rolraadsheer kennelijk heeft gekozen voor een
analoge toepassingvan de regeling van art. 2.20 Lpr:
“3.2 […] Ingevolge artikel 2.20 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: het procesreglement) wordt door partijen bij een tweede en volgend eenstemmig verzoek om uitstel tevens gemotiveerd waarom de procedure voor doorhaling niet in aanmerking komt. Het artikel bepaalt daarnaast dat als een tweede of volgend eenstemmig verzoek van partijen niet wordt gehonoreerd zonder dat een rolverwijzing volgt, de zaak ambtshalve wordt doorgehaald.
3.3
Omdat het laatste verzoek om uitstel door het hof niet is gehonoreerd, terwijl tegen [eisers] verstek is verleend en niet is gemotiveerd waarom de procedure niet voor doorhaling in aanmerking komt, is het hof gelet op het bepaalde in artikel 2.20 van het procesreglement op de roldatum van 16 januari 2024 overgegaan tot ambtshalve doorhaling van de procedure. Het standpunt van [eisers] dat het hof op grond van artikel 1.12 van het procesreglement en artikel 133 lid 4 Rv Pro had moeten vaststellen dat het recht om van grieven te dienen was vervallen en de zaak naar de rol had moeten verwijzen voor arrest wordt, onder verwijzing naar het voorgaande, dus niet gevolgd.”
3.17
Hoewel hetgeen over doorhaling staat in art. 2.20 Lpr, zoals onderdeel 2 op zichzelf terecht aanvoert, ziet op de situatie dat sprake is van een
eenstemmig uitstelverzoek, betekent dit volgens mij niet dat aan deze bepaling in de onderhavige situatie geen betekenis mocht worden toegekend. Het procesreglement bevat geen regeling voor herhaalde verzoeken voor uitstel wanneer verstek is verleend tegen de wederpartij, waardoor op grond van het Lpr alleen de optie van uitstel wegens klemmende reden zou resteren. Dit zou betekenen dat [verweerder 3] processueel slechter af is door de enkele beslissing van [eiser 2] om verstek te laten gaan en dat strookt niet met het vereiste dat partijen recht hebben op een eerlijk proces (zo ook vws in cassatie 6.1 (9)). Procesregels over het indienen van stukken, of het verlenen van (een vrij) uitstel, hebben niet de strekking om de wederpartij een dergelijk voordeel te geven, maar om een ordelijk procesverloop te bewerkstelligen, zo is hiervoor al besproken. Art. 1.19 Lpr bepaalt dat het hof beslist in alle gevallen waarin het reglement niet voorziet en dat daarbij zoveel mogelijk de bepalingen van het reglement in acht worden genomen. Het stond het hof gelet op dit alles dan ook vrij om betekenis toe te kennen aan art. 2.20 Lpr op de wijze zoals is gebeurd.
3.18
Een beslissing in de voor [eiser 2] gunstige zin in de vorm van het verlenen van een akte niet-dienen zou een zodanig ingrijpen in de processuele rechten en belangen van [verweerder 3] hebben betekend, dat deze beslissing zou hebben gekwalificeerd als arrest en niet als rolbeslissing, zo volgt uit hetgeen in de inleiding is besproken. Omdat een akte niet-dienen zou hebben meegebracht dat het appel van [verweerder 3] niet inhoudelijk zou kunnen worden beoordeeld, is dat een forse ingreep in een situatie waarin is duidelijk gemaakt dat een parallel lopende gedwongen ontruiming met verstrekkende gevolgen aan de orde was. Het hof zou hebben moeten motiveren waarom deze sanctie in een redelijke verhouding zou hebben gestaan tot de ernst van het verzuim, mede gelet op de eisen die een goede procesorde in deze omstandigheden meebrachten in verband met de belangen van beide partijen. Ik zie een dergelijke belangenafweging in deze zaak niet snel ten gunste van [eiser 2] uitpakken. [eiser 2] licht in cassatie niet steekhoudend toe waarom zijn belang bij een doelmatige en voortvarende rechtspleging in dit geval (hij had verstek laten gaan aanvankelijk) had moeten opwegen tegen het (zwaarwegende) belang van [verweerder 3] bij een inhoudelijke behandeling van de zaak door de appelrechter. Van belang is in dit verband ook art. 20 lid 2 Rv Pro, waarin partijen naast de rechter een rol krijgen toegedicht ten aanzien van het bewaken van een voortvarende procesgang. Tegen [eiser 2] is op 26 september 2023 verstek verleend waarna tot aan de ambtshalve doorhaling van de procedure op 16 januari op geen enkel moment zijnerzijds initiatief is genomen om bezwaar te maken tegen het procestempo in de zaak (in gelijke zin vws in cassatie 6.1 (9)). Dat er een rechtens te honoreren belang van hem is geschaad door de ambtshalve doorhaling op 16 januari 2024 – een puur administratieve handeling zonder rechtsgevolg – zie ik in deze omstandigheden dan ook onvoldoende duidelijk. Op dit alles ketsen de klachten van onderdelen 1 en 2 inhoudelijk af.
3.19
De klachten van onderdelen 3 en 4 bouwen voort op die van onderdelen 1 en 2 en delen het lot daarvan.

4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep

4.1 ‘
‘Voor zover nodig en volledigheidshalve’ stelt [verweerder 3] incidenteel cassatieberoep in, dat zich lastig laat lezen. Het vws in cassatie strekt primair tot niet-ontvankelijkheid in cassatie (wat ook de hoofdroute is van deze conclusie), subsidiair verwerping van dat principale cassatieberoep (wat blijkens de voorgaande inhoudelijke bespreking ten overvloede ook spoort met deze conclusie). Maar het vizier wordt minder scherp bij beschouwing van de eigenlijke incidentele klacht:
‘Ter adstructie van hun verweer, richten [verweerders] – voor het geval Uw Raad het voorgaande verweer volgt – voor zover nodig en volledigheidshalve een incidentele klacht tegen de beslissingen van het hof:
(i) dat de beslissing van 3 sept 2024 een (voor cassatieberoep vatbaar) tussenarrest is; en
(ii) (ii) dat de beslissing van 10 dec 2024 een (voor cassatieberoep vatbaar) tussenarrest is, (én tegen [het] reeds daarin opnemen van een proceskostenveroordeling).’
4.2
Deze klacht wordt toegelicht door verwijzing naar vws in cassatie 2.20 t/m 2.26. Daarin betoogt [verweerder 3] dat de arresten van 3 september en 10 december 2024 geen voor beroep vatbare rolbeslissingen zijn en dat de handhaving van de eerdere rolbeslissing om geen akte niet-dienen te geven, maar dat wordt voortgeprocedeerd, ook geen voor beroep vatbare rolbeslissing is. Dat betekent volgens het incidenteel cassatiemiddel ook dat het herstelarrest met correctie van de proceskostenveroordeling geen stand kan houden. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van het hof van 11 maart 2025, waarin verlof voor tussentijds cassatieberoep tegen de uitspraak van 10 december 2024 werd verleend. Niet alleen kan deze uitspraak niet in stand blijven, ook wordt daarin de beslissing om verlof open te stellen onterecht aangemerkt als ‘arrest’.
4.3
In de eerste plaats is mij niet duidelijk of met ‘voor het geval Uw Raad het voorgaande verweer volgt’ wordt bedoeld (a) alleen het inhoudelijke verweer, of (b) ook het niet-ontvankelijkheidsverweer.
4.4
Als (a) is bedoeld, dan is het incidentele cassatieberoep kennelijk ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep
nietniet-ontvankelijk wordt verklaard. Als besproken is de hoofdroute van deze conclusie dat het principaal cassatieberoep juist
welniet-ontvankelijk is en dan is ook de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet vervuld en wordt daar niet aan toegekomen.
4.5
Als dat anders is en het inhoudelijke verweer slaagt langs de lijnen van de (ten overvloede gegeven) inhoudelijke bespreking van die klachten in deze conclusie, dan is [verweerder 3] ook al waar hij wezen wil: dan blijven immers zijn grieven procedureel staan en is [eiser 2] aan bod om in de hoofdzaak van antwoord te dienen.
4.6
Het proceskostenbelang zie ik evenmin, omdat niet [verweerder 3] , maar [eiser 2] in de proceskosten van het incident is veroordeeld (in het herstelarrest van 14 januari 2025; in het dictum van het arrest van 10 december 2024 werd [verweerder 3] in de kosten veroordeeld, maar dat is in het herstelarrest van 14 januari 2025 aangemerkt als ‘een kennelijke schrijffout die zich voor eenvoudig herstel leent’).
4.7
Het incidenteel cassatieberoep kan dus niet tot een voor [verweerder 3] gunstiger uitkomst leiden, zodat het mij geen doel lijkt te treffen bij gebrek aan belang – zo daar al aan toegekomen zou worden. [eiser 2] bepleit bij s.t. 4-5 ook dat geen belang bestaat bij het incidenteel cassatieberoep.

5.Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid in het principale cassatieberoep en tot (zonodig) verwerping van het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ontleend aan Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5619 rov. 2.1-3.4, Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7616 rov. 2.1-2.2 en 3.6-3.7 (hersteld in: Hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:134), en Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1404 rov. 2.1.
2.Zie daarvoor ktr. Rb. Gelderland 19 mei 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3030 rov. 2.1-2.15.
3.Kenbaar uit Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7616, rov. 3.1 en het overgelegde roljournaal van 18 januari 2024.
4.Idem, rov. 3.2 en genoemd roljournaal.
5.Idem, rov. 3.4 en het roljournaal van 20 december 2024.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7616, rov. 2.2.
7.HR 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4124, NJ 2000/186 (
8.Conclusie A-G Wesseling-van Gent vóór HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, m.nt. G.R. Rutgers (
9.Zie voor een overzicht M.J. Bosselaar, al aangehaald, 2.4 en voor een recent geval ook mijn conclusie van 19 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:754, 3.6.
10.HR 17 mei 1956, ECLI:NL:HR:HR:1956:161, NJ 1956/313.
11.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/35, conclusie A-G De Bock vóór
12.Bosselaar, t.a.p. en andermaal conclusie A-G De Bock vóór
13.Aldus Bosselaar, aangehaald werk, 2.4. Zie ook M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter. Naar harmonie tussen effectiviteit, efficiëntie en rechtvaardigheid (BPP nr. 26) 2024/1049. Zij schrijft dat het onderscheid wel of geen voor beroep vatbare (rol)beslissing niet altijd even duidelijk is: ‘Zo kan discussie ontstaan of het (nogmaals) verlenen van uitstel zodanig ingrijpt in de procespositie van de wederpartij dat de beslissing geen rolbeschikking is’, onder verwijzing naar Hof Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:289, JBPr 2024/68 m.nt. F.J. Fernhout (
15.Van Mierlo & Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 415.
16.Art. 246 lid 2 Rv Pro, Van Mierlo & Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 415, Hugenholtz/Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2024/117.
17.HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, m.nt. G.R. Rutgers (
18.Zie ook de opmerking van de rolraadsheer in een e-mail in de al aangehaalde zaak Hof Den Haag 7 maart 2023, ECLI:NL:GHDA:2023:289, JBPr 2024/68 m.nt. F.J. Fernhout (
19.T.a.p.
20.Zo vws in cassatie 2.15 onder verwijzing naar HR 1 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2640, NJ 1999/563, m.nt. H.J. Snijders. Vws in cassatie 2.17 wijst erop dat Snijders in zijn annotatie onder 2.e het appellabel aanmerken van een weigering akte niet-dienen (of van ontslag van instantie) als uiterst onwenselijk afwijst: ‘Deze weigeringen hebben op zichzelf toch niets om het lijf en de mogelijkheid van beroep hiertegen zou de grootst mogelijke chicanes kunnen uitlokken.’
21.Conclusie A-G Wesseling-van Gent vóór
22.Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3 (MvT), p. 51, P. Smits, Artikel 6 en Pro de civiele procedure, 2008, p. 204, Van Mierlo & Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 135.
23.Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 51 (MvT).
24.In HR 16 maart 2019, ECLI:NL:HR:2018:364, JIN 2018/79 m.nt. I.L.N. Timp, rov. 3.4.1 is uitgemaakt dat het Lpr een uitwerking vormt van art. 133 Rv Pro.
25.Aldus
26.HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0571, NJ 2012/315, JBPR 2011/48, m.nt. S.M.A.M. Venhuizen (
27.Asser Procesrecht, Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/78.
28.HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210 met red. aant., JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.8. Herhaald in HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:359, JBPr 2016/23, m.nt. H.W. Wiersma (
29.Een inhoudelijk met deze bepaling corresponderende bepaling van het in de desbetreffende zaak geldende rolreglement wordt ook aangehaald in HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210 met aant. redactie, JIN 2015/134 m.nt. N. de Boer, rov. 3.8.
30.HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1875, JBPr 2023/26 m.nt. H.L. Wattel, rov. 3.2.
31.Rb. Oost-Brabant 9 februari 2023 in zaaknummer 10075574 \ EJ VERZ 22-391, overgelegd als prod. 4 bij grieven.