Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
ambtshalve royement’) [4] .
geroyeerd’) [6] . [verweerder 3] is daarom niet-ontvankelijk in hoger beroep. [verweerder 3] brengt daar tegen in dat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de procedure te hervatten nadat die ambtshalve was doorgehaald. Er is volgens [verweerder 3] geen reden om hem alsnog niet-ontvankelijk te verklaren of alsnog achteraf het recht te ontzeggen grieven te nemen.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Onderdelen 3 en 4bouwen hierop voort met klachten dat de proceshandelingen die na doorhaling hebben plaatsgevonden niet hadden mogen gebeuren.
louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij,kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Of een rechterlijke beslissing moet worden aangemerkt als een rolbeschikking of (in een dagvaardingszaak) als een arrest, moet naar vaste rechtspraak niet naar de vorm, maar naar de inhoud van de betreffende beslissing worden bezien [7] . Het doet er niet toe of de beslissing is neergelegd in een roljournaal, brief, of e-mail, of juist in een vonnis, beschikking of arrest. Onderscheidend is in de eerste plaats of sprake is van een
maatregel ter rolle, louter ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang [8] . Voorbeelden van typische rolbeschikkingen zijn het afwijzen en verlenen van uitstel voor conclusies en de dagbepaling voor pleidooi, getuigenverhoor, comparitie of vonnis [9] . Ook het voor onbepaalde tijd aanhouden van de behandeling van een zaak is een rolbeschikking [10] . Is daarentegen sprake van een
beslissing die ingrijpt in de (processuele) rechten en belangen van partijen, dan is sprake van een vonnis of een arrest [11] . Voorbeelden hiervan zijn weigering van een memorie van grieven, het verlenen van verval van instantie of van akte niet-dienen, of herroeping of handhaving van dergelijke beslissingen of een beslissing die hetzelfde effect heeft als een akte niet-dienen [12] .
[…] /Kas-Bankis uitgemaakt dat een appellant gedurende de tijd dat de zaak naar de ‘slaaprol’ was verwezen ‘een vrij uitstel’ had [17] . Doorhaling vertoont procedureel trekken van uitstel verlenen voor onbepaalde tijd.
op zichzelfniet ingrijpt in de rechten en belangen van partijen; vergelijkbaar met het besproken ‘vrije uitstel’ uit
[…] /Kas-Bank, al aangehaald. ‘Op zichzelf’; er zijn situaties denkbaar die dat anders kunnen maken, maar dat daarvan sprake zou zijn, wordt door [eiser 2] naar ik meen niet steekhoudend beargumenteerd. Het nemen van grieven behoort tot de normale procedurele gang van zaken en dat daardoor een uitspraak in eerste instantie kan sneuvelen is ook
all in the game(in vergelijkbare zin dupliek [verweerder 3] 1). Procesregels over het nemen van grieven hebben niet de strekking om de wederpartij een inhoudelijk voordeel te geven, maar om een ordelijk procesverloop te bewerkstelligen [18] . Het feit dat het voor [eiser 2] gunstige vonnis in hoger beroep anders kan uitpakken is inherent aan het stelsel van hoger beroep en kan op zichzelf niet rechtvaardigen dat de procedure anders dan op de geregelde wijze verloopt. Vws in cassatie 2.14 wijst erop dat volgens Ahsmann [19] over de vraag of het niet verlenen van een akte niet-dienen een voor beroep vatbare beslissing is ‘discussie kan ontstaan’, met als enige uitwerking een loutere verwijzing naar de Haagse hofzaak
Lionex c.s./X c.s., al aangehaald. Die discussie speelt in onze zaak ook, maar brengt mij niet op andere gedachten. Het behoort mijns inziens tot de discretionaire rechterlijke keuzes om in plaats van nog een uitstel te verlenen in een situatie als deze geen akte niet-dienen te verlenen, maar de zaak door te halen en nadat deze weer wordt opgebracht alsnog toe te staan dat grieven worden genomen. Dat is geen onverhoedse confrontatie met een procedure die alsnog doorgaat (doorhaling is alleen een administratieve handeling zonder rechtsgevolg), zoals bij het herroepen van een eerdere akte niet-dienen en dan alsnog toestaan een memorie te nemen [20] .
onderdeel 1dat (de rolraadsheer van) het hof heeft miskend dat art. 133 lid 4 Rv Pro en art. 1.12 Lpr betekenen dat [verweerder 3] recht op het nemen van grieven op 16 januari 2024 was vervallen. Door de procedure ambtshalve door te halen in plaats van, zoals geboden was volgens art. 133 lid 4 Rv Pro en art. 1.12 Lpr, vast te stellen dat [verweerder 3] recht tot het nemen van grieven was vervallen en de zaak naar de rol te verwijzen voor arrest, heeft (de rolraadsheer van) het hof het recht geschonden.
Onderdeel 2klaagt dat art. 2.20 Lpr geen deugdelijke reden vormt om niet vast te stellen dat het recht tot het nemen van grieven was vervallen en dat ambtshalve doorhaling van een zaak op basis van een procesreglement niet kan meebrengen dat het recht om de betreffende proceshandeling te verrichten in weerwil van art. 133 lid 4 Rv Pro toch niet zou zijn vervallen. In het verlengde van onderdelen 1 en 2 klagen
onderdelen 3 en 4dat (de rolraadsheer van) het hof op 2 april 2024 ten onrechte alleen verstek heeft verleend aan [eiser 2] en niet ook de door [verweerder 3] genomen memorie van grieven heeft geweigerd en dat het hof bij zijn arrest van 3 september 2024 [verweerder 3] ten onrechte in de gelegenheid heeft gesteld om de eiswijziging te betekenen.
ambtshalve royement”);
analoge toepassingvan de regeling van art. 2.20 Lpr:
eenstemmig uitstelverzoek, betekent dit volgens mij niet dat aan deze bepaling in de onderhavige situatie geen betekenis mocht worden toegekend. Het procesreglement bevat geen regeling voor herhaalde verzoeken voor uitstel wanneer verstek is verleend tegen de wederpartij, waardoor op grond van het Lpr alleen de optie van uitstel wegens klemmende reden zou resteren. Dit zou betekenen dat [verweerder 3] processueel slechter af is door de enkele beslissing van [eiser 2] om verstek te laten gaan en dat strookt niet met het vereiste dat partijen recht hebben op een eerlijk proces (zo ook vws in cassatie 6.1 (9)). Procesregels over het indienen van stukken, of het verlenen van (een vrij) uitstel, hebben niet de strekking om de wederpartij een dergelijk voordeel te geven, maar om een ordelijk procesverloop te bewerkstelligen, zo is hiervoor al besproken. Art. 1.19 Lpr bepaalt dat het hof beslist in alle gevallen waarin het reglement niet voorziet en dat daarbij zoveel mogelijk de bepalingen van het reglement in acht worden genomen. Het stond het hof gelet op dit alles dan ook vrij om betekenis toe te kennen aan art. 2.20 Lpr op de wijze zoals is gebeurd.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
nietniet-ontvankelijk wordt verklaard. Als besproken is de hoofdroute van deze conclusie dat het principaal cassatieberoep juist
welniet-ontvankelijk is en dan is ook de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet vervuld en wordt daar niet aan toegekomen.