Conclusie
1.Stichting GGNET
Onderlinge waarborgmaatschappij Centramed B.A.
1.Inleiding en samenvatting
Afzinkkelder-arrest [1] zou de Hoge Raad moeten terugkomen van zijn arresten uit 2011, waarin geoordeeld is de op art. 7:611 BW Pro gebaseerde verzekeringsverplichting beperkt dient te blijven tot (bepaalde categorieën van) aan werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden overkomen verkeersongevallen. [2]
2.Feiten
1.Visie en uitgangspunten ten aanzien van agressie en geweld in GGNet
2.Omgaan met agressie en geweld
3.Procesverloop
Afzinkkelder-arrest (rov. 5.41). [7]
TBS-arrest gemaakte vergelijking tussen de rechtspositie van een civiele werknemer en die van een ambtenaar (die in geval van een geweldsincident aanspraak kan maken op een ruimhartiger vergoeding), wordt door het hof verworpen (rov. 5.42).
4.Onderdeel I: causaal verband tussen zorgplichtschendingen en schade Werknemer
De Rooyse Wissel) niet miskend. Ook heeft het hof terecht geoordeeld dat GGNet op een viertal punten haar zorgplicht heeft geschonden en heeft nagelaten een aantal maatregelen te treffen. Onbegrijpelijk is echter dat het hof overweegt dat als deze maatregelen wél zouden zijn getroffen, dit het geweldsincident niet had kunnen voorkomen en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest, gelet op het onverwachte karakter van de gebeurtenis.
Pasteurziekenhuisheeft de Hoge Raad overwogen dat het bepaalde in art. 7:658 lid 2 BW Pro meebrengt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die een werknemer tijdens zijn werkzaamheden heeft opgelopen, tenzij de werkgever aantoont dat hij hetzij zijn zorgplichten is nagekomen, hetzij dat de nakoming van die verplichtingen de schade niet zou hebben voorkomen, of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. [12] Voor werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW Pro is dus wel vereist dat er een causaal verband is tussen de door de werknemer geleden schade en een schending van de zorgplicht. Ook op dit punt ligt de bewijslast bij de werkgever; die moet aantonen dat er géén causaal verband is. [13]
De Rooyse Wissel(ook aangeduid als het
TBS-arrest) [14] overweegt de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, in aanmerking moet worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, ook niet ten aanzien van werknemers wier werkzaamheden bijzondere risico's van ongevallen meebrengen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW Pro vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies, aldus de Hoge Raad.
Totaal Serviceuit 2014 (waarin het ging om een ongeval bij het lossen van een vrachtwagen) heeft de Hoge Raad zijn overwegingen uit het
TBS-arrest over de zorgplicht van art. 7:658 lid 1 BW Pro gedeeltelijk herhaald. [16] Opnieuw is overwogen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar dat gelet op de ruime strekking van de zorgplicht niet snel mag worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW Pro vergt immers een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.
alsprotocollen over de omgang met psychiatrische en mogelijke agressieve patiënten waren opgesteld (procesinleiding onder I.5). Maar dat het hof dat heeft bedoeld, blijkt m.i. verder niet uit het arrest. Ook heeft het hof niet toegelicht op welke punten het Agressieprotocol niet zou zijn nageleefd, maar mogelijk heeft het hof dat laatste niet bedoeld.
zelfs al zou GGNet alle overige hiervoor in 5.29 genoemde maatregelen hebben getroffen, dit geweldsincident [niet] voorkomen had kunnen (…) worden en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest. Gelet op het onverwachte karakter van de gebeurtenis was er immers geen tijd voor [Werknemer] om ter voorkoming van het incident daadwerkelijk af te weren. (…) Concrete voorlichting over en instructies in protocollen gaan over de gewenste manier van handelen in voorkomende gevallen maar kunnen die gevallen op zichzelf niet voorkomen. Tot slot kwam de aanval uit het niets, in ieder geval waar het [Werknemer] betreft. Patiënt D. verbleef op dat moment een kleine week op de afdeling en er hadden – voor zover aan het hof bekend – in die periode geen andere geweldsincidenten met betrekking tot patiënt D. plaatsgevonden. Direct voorafgaande aan het incident had patiënt D. niet met [Werknemer] maar met collega [X] een gesprek gehad. Dat een goed geregelde overdracht deze onverwachte aanval had kunnen voorkomen valt in die omstandigheden niet in te zien.”
voor de toekomst belangrijk is om deze onderbuik gevoelens te blijven uitspreken naar elkaar en dit ook terug te laten komen in multidisciplinaire overleggen”. De gedachte zal zijn geweest, zo neem ik aan, dat dit kan leiden tot een verbetering van de veiligheid en de kans op ernstige incidenten verkleint.
gevallen op zichzelf niet kunnen voorkomen” zou tot consequentie hebben dat het niet wijzen op protocollen en/of het niet toezien op de naleving daarvan (en wellicht: het niet opgesteld hebben van protocollen) geen toegevoegde waarde hebben als sprake is van onverwachte aanval van een patiënt. Dat lijkt mij bepaald onjuist. Als er duidelijke veiligheidsprotocollen zijn en op de naleving daarvan wordt toegezien, verkleint dat het risico op incidenten en daarmee de kans op schade, althans op ernstige schade, omdat medewerkers weten hoe ze moeten handelen in gevaarlijke situaties. Wat de gedachtegang van het hof hier precies is geweest, is onduidelijk, ook doordat niet expliciet is gemaakt wat het hof GGNet nu precies verwijt met betrekking tot “
diverse protocollen” (zie onder 4.17).
aangetoond(dat vormt immers de bewijslast van de werkgever, zie onder 4.8) dat bij het wél naleven van alle door het hof genoemde zorgplichten van GGNet, Werknemer dezelfde schade zou hebben geleden. Niet begrijpelijk is waarom bij het wel naleven van alle zorgplichten door GGNet de schade bij Werknemer niet minder ernstig zou kunnen geweest, bijvoorbeeld omdat Werknemer zich toch had verweerd of omdat hij meer op zijn hoede zou zijn geweest jegens patiënt D. Als aannemelijk is dat het achterwege blijven van een normschending ertoe leidt dat weliswaar schade zou zijn geleden, maar in een geringere omvang dan het geval is geweest bij de normschending, is wel degelijk causaal verband (csqn-verband) aanwezig tussen de schade en de normschending. [19]
csqn-verband staat met deze (ingetreden) schade.
alser een beter werkend piepersysteem zou zijn geweest, het geweldsincident nog niet had kunnen worden voorkomen en/of de schadelijke gevolgen daarvan niet minder ernstig zouden zijn geweest (rov. 5.37, geciteerd onder 4.2). Ook op dit punt is het hof dus van oordeel dat causaliteit ontbreekt.
Materiaal defect – alarmering functioneerde wel, maar tekst in pieper is slecht af te lezen, zodat locatie niet duidelijk is. Bij gebruik telefoon, vallen de nummers weg als separeerbel gaat.” In ditzelfde verslag volgt uit de tijdlijn dat het drie minuten heeft geduurd totdat patiënt D. van Werknemer is afgetrokken en in bedwang is gehouden. Kortom, de precieze gang van zaken is nog niet op alle details duidelijk geworden.
Verder is het piepersysteem uit zijn aard geen preventief middel dat de aanval kan voorkomen maar een reactief middel om hulp van collega’s op te roepen.”
5.Onderdeel II: gebruik van metalen dan wel plastic bestek
Totaal Service(zie onder 4.12), dat de beoordeling van de vraag welke veiligheidsmaatregelen een werkgever dient te treffen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij kunnen worden betrokken (i) de aard van de werkzaamheden, (ii) de kans dat zich een ongeval zal voordoen, (iii) de ernst van de gevolgen van een mogelijk ongeval en (iv) de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.
opvallend rustig en gelaten reageerde op de beslissing tot in bewaring stelling, hij op het moment van het incident niet in de separeer zat en hij tijdens het verblijf op de afdeling gedurende een week, geen agressief gedrag heeft vertoond” (rov. 5.33), vormt daartoe geen steekhoudend argument, nu het hof óók heeft vastgesteld dat bij patiënt D. sprake was van specifieke agressiegevaren waarover Werknemer had moeten worden geïnformeerd, en bovendien sprake was van een ‘niet pluis gevoelens’ van medewerkers over de patiënt (rov. 5.32). Kenmerkend voor patiënten die gedwongen zijn opgenomen (en misschien ook voor psychiatrische patiënten in het algemeen) is dat zij uit het niets escalerend gedrag kunnen vertonen.
dat met plastic bestek (soortgelijk) letsel kan worden toegebracht”. Dit strookt niet met de constatering dat patiënten in de separeer plastic bestek krijgen; dat zal toch juist bedoeld om te voorkomen dat zij zichzelf of anderen schade kunnen toebrengen. De gedachte zal daarbij ongetwijfeld zijn dat met plastic bestek níet soortgelijk letsel kan worden toegebracht. Hierbij is op te merken dat het plastic bestek dat aan patiënten in de separeer wordt verstrekt geen hard plastic is, maar gemaakt is of kan zijn van buigzaam materiaal.
zeer hoge eisenmoeten worden gesteld (vgl. hiervoor onder 4.10), is het primair aan de werkgever om te bewijzen dat is zorggedragen dat aan het vereiste, op de structurele gevaren toegesneden, hoge veiligheidsniveau van de werkomstandigheden is voldaan.
6.Onderdeel III: het bieden van een vluchtmogelijkheid
TBS-arrest, zie onder 4.9 e.v.). [29] Dat dat het geval is geweest, heeft het hof m.i. niet toereikend gemotiveerd. Ook hier geldt dat de rechter een dergelijk oordeel m.i. niet kan geven zonder onafhankelijke deskundige voorlichting.
mutatis mutandisook op dit punt (zie onder 5.14 e.v.). M.i. kon het hof niet ongemotiveerd voorbijgaan aan het verzoek van Werknemer om een deskundigenbericht in te winnen, althans getuigen te horen, over de vraag wat vanuit het oogpunt van het treffen van veiligheidsmaatregelen redelijkerwijs gevergd kon worden van GGNet op het punt van een vluchtroute in het kantoortje en het al dan niet op slot (moeten) kunnen van het kantoortje. Zo dit al anders zou zijn, dan had het hof Werknemer moeten toelaten tot tegenbewijs.
7.Onderdeel IV: voortbouwklacht
8.Onderdeel V: goed werkgeverschap (art. 7:611 BW Pro)
Akzoen
Taxicentrale Nijverdalintroduceerde de Hoge Raad, in het verlengde van een aantal oudere uitspraken van de Hoge Raad, [36] een verplichting voor de werkgever om op grond van de norm van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW Pro te voorzien in een behoorlijke verzekering van schade die zijn werknemers kunnen oplopen in het verkeer. [37] Overwogen werd dat art. 7:658 BW Pro niet beoogt om een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar slechts een zorgplicht geeft. Gelet op de door velen met grote regelmaat gelopen risico’s van ongevallen bij deelname aan het gemotoriseerd verkeer én de goede verzekerbaarheid van deze risico's tegen betaalbare premies, zo overweegt de Hoge Raad, moet worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval. De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden – waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd – en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen, aldus de Hoge Raad.
Maatzorg. [39]
Postbezorger(of
TNT-arrest) ging het om een postbezorger die tijdens het te voet bezorgen van de post uitgleed over een plak ijs of bevroren sneeuw en daarbij ten val kwam
. [40] De Hoge Raad herhaalde de argumenten voor een verzekeringsplicht bij verkeersongevallen uit zijn eerdere arresten
Akzoen
Taxicentrale Nijverdal, en voegde daar het volgende aan toe:
A-G: Akzo, Taxicentrale Nijverdal en Maatzorg] is deze uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever aanvaard met betrekking tot schade die werknemers lijden in de uitoefening van hun werkzaamheden als deelnemer aan het wegverkeer, indien zij
TNT-arrest wees de Hoge Raad het arrest
De Rooyse Wissel(of het
TBS-arrest, ook besproken onder 4.9 e.v.). [42] In deze zaak was een werknemer in een TBS-instelling aangevallen door een patiënt. Ook in deze zaak wees de Hoge Raad een uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting af. Overwogen werd het volgende:
TNT) heeft de Hoge Raad uiteengezet dat en waarom de op art. 7:611 gebaseerde Pro verzekeringsverplichting beperkt dient te blijven tot de categorie van aan werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden overkomen verkeersongevallen (…). Het onderhavige geval valt niet onder de in die arresten omschreven, afgebakende categorie van gevallen. Hoezeer ook elke afbakening tot op zekere hoogte een arbitrair karakter heeft, valt hierbij te bedenken dat het aan [verweerder] overkomen arbeidsongeval niet is voorgevallen op een plaats waar De Rooyse Wissel als werkgever slechts beperkte zeggenschap en invloed heeft, doch integendeel op de arbeidsplaats zelf. In die situatie zou aanvaarding van een uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting van de werkgever het wettelijk stelsel van werkgeversaansprakelijkheid, dat is gebaseerd op (tekortschieten in) een zorgplicht schade te voorkomen, te vergaand aantasten. Bovendien zou zulks een grote mate van rechtsonzekerheid in het leven roepen, omdat geen duidelijke grens getrokken kan worden met (andere) arbeidsongevallen waarvoor geen verzekeringsverplichting van de werkgever zou gelden.”
TNT-arrest onder (a), (b) en (c) genoemde categorieën van arbeidsongevallen.
TNT- en
TBS-arrest. De meeste publicaties zijn alweer een aantal jaren oud, omdat zij zijn geschreven kort na het wijzen van de arresten in 2011. De laatste jaren is er weinig over het onderwerp geschreven.
TNT-en
TBS-arresten was er vooral op de rechtsongelijkheid die de arresten met zich mee hebben gebracht. [46] De verzekeringsplicht geldt slechts voor een bepaalde categorie van arbeidsongevallen, verkeersongevallen, maar ook niet voor álle verkeersongevallen. Het argument dat de Hoge Raad hiervoor gebruikt, dat de werkgever bij verkeersongevallen geen invloed heeft op de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, terwijl hij dat wel bij andere arbeidsongevallen zou hebben, is niet erg overtuigend. [47] Er zijn namelijk wel meer situaties waarin werkgevers geen daadwerkelijke invloed hebben op het voorkomen van ongevallen tijdens structureel gevaarlijk werk. De door de Hoge Raad aangenomen verzekeringsplicht voor verkeersongevallen heeft daarmee een nogal arbitrair karakter. [48]
verbrokkeld en inconsistent stelsel dat werknemers, zonder dat daar een rechtvaardiging voor is, verschillend behandelt”. [54] Dit heeft niet alleen te maken met de voor verkeersongevallen in het leven geroepen verzekeringsplicht, maar ook met het feit dat er in de jurisprudentie nog een derde route voor aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen is ontwikkeld. Deze aansprakelijkheid is eveneens gebaseerd op schending van een zorgplicht van de werkgever (op grond van art. 7:611 BW Pro) en is bedoeld voor schade die niet is ontstaan ‘in de uitoefening van werkzaamheden’, zoals art. 7:658 BW Pro vereist, maar wel in voldoende verband staat met de arbeidsovereenkomst. Te denken is bijvoorbeeld aan ongevallen tijdens een bedrijfsuitje of schade die de werknemer thuis oploopt maar die wel samenhangt met zijn werkzaamheden. [55] Voor dergelijke ongevallen gelden, anders dan bij art. 7:658 BW Pro, de gewone regels van stelplicht en bewijslastverdeling.
in de uitoefening van zijn werkzaamhedenlijdt’, waarbij aansprakelijkheid regelmatig wordt afgewezen omdat niet aan dit criterium zou zijn voldaan. Ook noemt Kolder dat onduidelijk is bij wie het risico ligt indien de toedracht van het ongeval niet vast staat. Soms wordt dit bij de werkgever gelegd, die dan voor alle mogelijke scenario’s moet aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, en soms bij de werknemer, die met lege handen staat omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van schade geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Een andere rafelrand is de uitzondering voor ‘huis- tuin- en keukenongelukken’, die met enige regelmaat in de feitenrechtspraak wordt gehanteerd. Kolder is kritisch over deze uitzondering. Niet alleen is het onduidelijk wanneer sprake is van een ‘huis-, tuin- en keukenongeval’; ook volgt een enkel daarop gebaseerde afwijzing van aansprakelijkheid volgens hem niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad. [58] Problematisch is volgens Kolder ook de afwijzing van aansprakelijkheid met de motivering dat het ging om ‘een ongelukkige samenloop van omstandigheden’. Die kwalificatie is zinledig; zelfs als daarvan sprake is, kan toch aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW Pro aan de orde zijn. Verder noemt Kolder nog feitenrechtspraak waarin zijns inziens de hoge drempel voor opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer onvoldoende is onderkend.
TNTen
TBS, en (ii) dat eigenlijk alle auteurs het erover eens zijn dat niet te verwachten is dat de wetgever dat op enige termijn wél zal gaan doen. [68] Hiermee bevinden we ons in een patstelling.
TNTen
TBStegen het licht te houden. Althans, zou de Hoge Raad kunnen overwegen of er inmiddels wel aanleiding wordt gezien om het recht op dit punt verder te ontwikkelen, dan wel te herhalen dat dit moet worden overgelaten aan de wetgever. Het voordeel van dat laatste zou zijn dat de problematiek van ‘de lappendeken van werkgeversaansprakelijkheid’ opnieuw onder de aandacht van de wetgever wordt gebracht en wellicht door de minister kan worden geagendeerd.
Afzinkkelder-arrest van de Hoge Raad. In deze zaak ging het om een geval waarin een partij – Multi – bouwwerkzaamheden verrichtte aan een pand (het afzinken van een kelder). Tijdens deze werkzaamheden is een deel van de kelderwand gescheurd. Op een gegeven moment is schade geconstateerd aan een naastgelegen pand. De eigenaar, exploitant en bewoners van dit pand hebben vervolgens schadevergoeding gevorderd van Multi en de opdrachtgever van Multi.
Afzinkkelder-arrest als volgt geoordeeld. Volgens de Hoge Raad kan het uitvoeren van bouwwerkzaamheden (onder omstandigheden) een onrechtmatige daad opleveren die verplicht tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is. [69] De Hoge Raad achtte daarbij relevant:
Afzinkkelder-arrest wordt dus aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad aangenomen als een partij die bouwwerkzaamheden verricht bij de voorbereiding en uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen heeft getroffen en de werkzaamheden op zorgvuldige wijze heeft uitgevoerd. [70]
Afzinkkelder-arrest als een uitzondering op het systeem van art. 6:162 BW Pro moet worden gezien, in die zin dat de Hoge Raad in dit arrest in wezen een vorm van risicoaansprakelijkheid of aansprakelijkheid op grond van rechtmatige daad heeft geaccepteerd.
Afzinkkelder-arrest als een voorbeeld van aansprakelijkheid op grond van risicoverdeling, niet zozeer op grond van strijd met een zorgvuldigheidsplicht. [72] Volgens Smeehuijzen “
formuleert de Hoge Raad terecht geen onrealistisch scherpe zorgvuldigheidsnorm en maakt er ook geen buitenwettelijke vorm van risico-aansprakelijkheid van; hij herverpakt zijn billijkheidsoordeel over de wenselijke risicoverdeling (…) niet in termen van het systeem. Hij noemt eenvoudig de wat hem betreft bepalende omstandigheden van het geval en laat het daarbij. Die ‘kale’ benadering komt meen ik de integriteit en daarmee de kracht van zijn motivering ten goede.” Verder schrijft Smeehuijzen het volgende:
feitelijkeconstatering; inderdaad draagt iedereen zijn eigen schade, zolang men geen recht op schadevergoeding heeft. Wanneer men dat recht op schadevergoeding wel of niet krijgt, is ten gronde een kwestie van redelijkheid. Er is een gedraging, daardoor ontstaat schade en alles draait in wezen om de vraag wie die schade redelijkerwijze moet dragen. Dat is een normatief neutraal uitgangspunt; het neigt niet op voorhand naar de conclusie dat de benadeelde zijn eigen schade draagt.”
Afzinkkelder-arrest nadrukkelijker binnen het kader van art. 6:162 BW Pro. Castermans & Demper, Drion, Jansen en Verheul beschouwen de hierin aanvaarde aansprakelijkheid als een voorbeeld van aansprakelijkheid wegens strijd met de zorgvuldigheidsplicht. [74] Daarbij benadrukken enkele van de auteurs de relevantie van het gegeven dat in het
Afzinkkelder-arrest sprake was van een aantasting van een subjectief recht. Andere auteurs wijzen op de overeenkomsten tussen het
Afzinkkelder-arrest en het hinderleerstuk (art. 5:37 BW Pro).
Afzinkkelder-arrest geen fundamentele wijziging van het aansprakelijkheidsrecht inhoudt. Het zou slechts gaan om een geval waarin op zich wel sprake is van een normschending (strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid), maar waarvoor op grond van art. 6:168 BW Pro – maatschappelijke belangen die zich tegen een verbod verzetten – geen verbod zou kunnen worden gevorderd. [75]
Afzinkkelder-arrest kan worden doorgetrokken naar werkgeversaansprakelijkheid, althans naar de nu voorliggende zaak.
Afzinkkelder-arrest biedt steun voor de opvatting dat GGNet de schade van Werknemer behoort te vergoeden.
Afzinkkelder-arrest in arbeidsverhoudingen niet uit, in aanvulling op art. 7:658 en Pro art. 7:611 BW Pro. [76]
onevenredigheidsvergoeding” die hij buiten het kader van de zorgvuldigheidsplichtschending plaatst (hij wijst in dit verband ook nadrukkelijk op “
ongevallen die net buiten de bescherming van art. 7:658/611 BW vallen”). [77]
Afzinkkelder-arrest zou deze regeling doorkruisen. Volgens deze regeling is bij schade in de uitoefening van de werkzaamheden in beginsel een normschending als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW Pro (met schade als gevolg daarvan) vereist. Bouwschade als aan de orde in het
Afzinkkelder-arrest is echter niet specifiek door de wetgever geregeld, zodat de rechter (meer) vrijheid toekomt bij de interpretatie en toepassing van art. 6:162 BW Pro in een dergelijk geval. Op dit verschil lijkt het hof in rov. 5.41 ook te hebben gewezen.
Afzinkkelder-arrest m.i. in ieder geval gedeeltelijk steun aan de opvatting dat art. 7:611 BW Pro zo moet worden uitgelegd, dat werkgevers verplicht zijn om een verzekering ten behoeve van werknemers af te sluiten voor ongevallen tijdens de uitoefening van werkzaamheden als hier aan de orde. De gedachte is dan met name dat het net als in het
Afzinkkelder-arrest niet redelijk is dat Werknemer met zijn schade blijft zitten (bij onvoldoende andere verhaalsmogelijkheden). Aanvaarding van een verzekeringsplicht op grond van art. 7:611 BW Pro in het onderhavige geval zou dan een voorbeeld zijn van rechtsontwikkeling op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht. [80]
TNTen
TBStegen het licht houdt en erover nadenkt of wellicht de tijd is gekomen dat een volgende stap in de rechtsontwikkeling wordt gezet (zie hiervoor onder 8.10 e.v.).
een kwestie van redelijkheid is of men een recht op schadevergoeding krijgt, dan vind ik dat het redelijk is dat een Werknemer die werkzaam is in de GGZ-zorg en tijdens zijn werkzaamheden aangevallen wordt door een patiënt, zijn schade vergoed krijgt van de werkgever.
een beroepsziekte of een dienstongeval voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de werknemer zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken” [86] , waarbij onder een ‘dienstongeval’ wordt verstaan “
een ongeval dat is veroorzaakt door de aard van de opgedragen werkzaamheden of door de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan de schuld of onvoorzichtigheid van de werknemer is te wijten”. [87] Bij dienstongevallen die niet kwalificeren als een beroepsincident hebben rijksambtenaren recht op vergoeding van zorgkosten (art. 8.7 Cao Rijk). [88]
TBS-zaak (waardoor het onderdeel geïnspireerd zal zijn, zie hiervoor onder 4.11), is hier geen sprake van werknemers die precies hetzelfde werk doen als Werknemer, althans dat is niet gemotiveerd aangevoerd.
9.Onderdeel VI: passeren bewijsaanbod
10.Onderdeel VII: voortbouwklacht
11.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
dat GGNet haar zorgplicht heeft geschonden”, maar níet dat het hof het met de kantonrechter eens is dat die schending gelegen is in de omstandigheid dat GGNet haar werknemers geen trainingen aanbiedt waarbij zij zelfverdedigingstechnieken kunnen aanleren. Deze lezing is aannemelijk, omdat het hof de zin “
dat GGNet haar zorgplicht heeft geschonden” vervolgt met de woorden “
en overweegt daarbij het volgende”. Wat dan volgt (in rov. 5.27-5.34) zijn uiteenzettingen over het op verschillende punten schenden van de zorgplicht door GGNet, maar het niet aanbieden van trainingen aan werknemers als schending van de zorgplicht wordt daarin niet benoemd. In rov. 5.29 wordt weliswaar melding gemaakt van de noodzaak van “
periodieke deelname van medewerkers aan (agressie)trainingen”, maar uit deze rechtsoverweging komt niet naar voren dat het hof van oordeel is dat GGNet op dit punt tekortgeschoten is. Het punt dat het hof in rov. 5.29 wil maken is, als ik het goed begrijp, dat GGNet niet heeft onderbouwd “
dat medewerkers worden gewezen op het bestaan van deze protocollen en dat op de naleving ervan wordt toegezien” en dat evenmin is onderbouwd “
dat de overdracht tussen diensten goed was geregeld, dat daar voldoende tijd voor was en dat erop werd toegezien dat daaraan de benodigde tijd en aandacht werd besteed, in het bijzonder wanneer een medewerker in opleiding zoals Werknemer daarin betrokken was”. Niet genoemd wordt dat GGNet ook tekortgeschoten is door geen weerbaarheidstrainingen aan te bieden.
onderdeel 2geven de door onderdeel 1 bestreden oordelen bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof het aanbod van GGNet heeft gepasseerd om te bewijzen dat Werknemer fysieke (één op één training) gehad heeft, zulks door het horen als getuigen van de docenten en de mede-cursisten van de training van Werknemer begin maart 2016. Immers, het hof heeft miskend dat, gezien art. 166 lid 1 Rv Pro-oud, een getuigenverhoor had moeten plaatsvinden. Heeft het hof dit niet miskend, dan zijn de oordelen van het hof, zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.