Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Op de rechtspositie van ambtenaren was het bestuursrecht van toepassing. Tegen besluiten over hun rechtspositie door het bestuursorgaan stond een bestuursrechtelijke rechtsgang open, waarbij de Centrale Raad van Beroep de aangewezen rechter was in hoger beroep (art. 8:2 lid 1 sub Pro a, onder 1° (oud) Awb en art. 10 van Pro Bijlage 2 bij de Awb (oud)).
krachtens een arbeidsovereenkomst naar Nederlands rechtmet een
overheidswerkgeverwerkzaam is. Ambtenaren hebben sinds 2020 dus niet langer een publiekrechtelijke aanstelling, maar een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Daarmee zijn zij in een privaatrechtelijke rechtsverhouding met hun overheidswerkgever komen te staan. Sindsdien vallen ambtenaren onder de werking van titel 7.10 BW.
Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene.” [16]
Deze aanvulling wordt evenwel niet in alle voorheen als „in-en-door” aangemerkte gevallen verleend, omdat het causaliteitsbeginsel dan toch langs een omweg zou worden gehandhaafd. Voor het verlenen van een aanvulling wordt slechts aanleiding gezien, wanneer op de Overheid een zekere morele verplichting rust, omdat de ziekten of gebreken, welke tot de ongeschiktheidsverklaring of het overlijden van de ambtenaar hebben geleid, in belangrijke mate hun oorzaak vinden in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en overigens niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid zijn te wijten.Een op dezelfde gedachte gebaseerde bepaling is thans opgenomen in het voorgestelde tweede lid, dat onder de hier bedoelde omstandigheden voorziet in doorbetaling van de volle bezoldiging ook nadat de in het eerste lid genoemde termijnen zijn verstreken.”
militaire ambtenareneen aanvullende uitkering krijgen bij arbeidsongeschiktheid (art. 2 lid 1 in Pro verbinding met art. 10 Besluit Pro aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen en art. 2 lid 5 Kaderwet Pro militaire pensioenen). [29] Op deze aanvullende uitkering is (in essentie) hetzelfde criterium van toepassing als het criterium dat in art. 7.3 lid 1 Cao Gemeenten is opgenomen. Uit een toelichting op het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen blijkt dat dit criterium is ontleend aan de Algemene militaire pensioenwet. [30] De Algemene militaire pensioenwet ontleende dit criterium op zijn beurt aan “
bestaande rechtspositievoorschriften van het burgerlijk overheidspersoneel”, [31] waarmee voorschriften in het ARAR zullen zijn bedoeld. Ook voor burgerlijke ambtenaren bij het Ministerie van Defensie geldt het criterium. [32]
politieambtenarenheeft het criterium dat in art. 7.3 lid 1 Cao Gemeenten is opgenomen voor een groot deel zijn betekenis verloren. In het recentelijk in werking getreden Besluit beroepsgerelateerde gezondheidsklachten politie gaat het namelijk alleen nog maar om de vraag of er sprake is van beroepsgerelateerde gezondheidsklachten. Het doel daarvan is om complexe criteria als ‘buitensporige werkomstandigheden’ geen rol meer te laten spelen, omdat de focus op formele erkenning als beroepsziekte of dienstongeval in de weg bleek te staan aan het herstel van arbeidsongeschikte politiemedewerkers. [35]
buitensporigmoeten worden aangemerkt. Het ligt op de weg van de ambtenaar om voldoende feiten aan te dragen ter onderbouwing van de stelling dat van dergelijke omstandigheden sprake is.
werkomgeving. Denk aan onvoldoende personele en materiële ondersteuning bij de uitvoering van werkzaamheden/mismanagement, [40] een arbeidsconflict, [41] gebrekkige communicatie en ongemakken in een ambtelijke organisatie/reorganisatieperikelen, [42] slechte collegiale verhoudingen in combinatie met beweerdelijke slecht gecoördineerde werkdruk, [43] vervelende situaties op de werkvloer en fysiek gezien onvoldoende en onveilige werkomstandigheden, [44] een roddelcultuur met grof taalgebruik, [45] onzekerheden in de werksfeer en onvoldoende werkopdrachten, [46] communicatieproblemen met collega’s/leidinggevenden, [47] aanraking met fysiek en verbaal geweld in combinatie met (andere) incidenten en het draaien van extra diensten, [48] een tekortschietende werksfeer, [49] slechte collegiale verhoudingen in combinatie met complexe/onduidelijke/kinderachtige werkverplichtingen en onbehoorlijk leidinggeven, [50] de houding van een directeur, [51] een tekortschietende leidinggevende, [52] door een werkgever gestelde eisen, [53] disciplinaire straffen en spanningen op het werk, [54] een arbeidsconflict in combinatie met veroorzaakte onzekerheid over de rechtspositie, [55] of een veelheid aan taken zonder duidelijke kaders en de benodigde gegevens en zonder de nodige begeleiding in combinatie met een onveilige werkomgeving. [56]
werk. Voorbeelden zijn overbelasting, [57] een opdracht tot het verrichten van technisch tekenwerk op een computer en geuite kritiek op het functioneren, [58] langdurige/structurele overbelasting, [59] incidenten bij het verrichten van politiewerkzaamheden, [60] stelselmatig overwerk/werkdruk, [61] zware werkbelasting in combinatie met conflicten op de werkvloer en het niet bieden van de gelegenheid om werk vanuit huis te verrichten, [62] verschuivende werkzaamheden als gevolg van reorganisaties en inadequate communicatie/support, [63] emotioneel belastende werkzaamheden en inadequate begeleiding daarbij, [64] een realistische oefening incidentenbestrijding, [65] ingrijpende incidenten bij uitvoering van (controle)werkzaamheden als gemeenteambtenaar, [66] en hoge werkdruk en werklast in combinatie met overwerk en langdurige consignatie, ongeregeldheden en ingrijpende incidenten/calamiteiten. [67]
re-integratieworden verricht kan sprake zijn van buitensporige werkomstandigheden, zo blijkt uit meerdere uitspraken. [68]
de buitensporigheid moet worden bezien in verhouding tot de opgedragen werkzaamheden en de bij die werkzaamheden behorende omstandigheden. [70]
naeen ziekmelding (en die betrekking hebben op een periode waarin niet meer is gewerkt) niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling of iemand arbeidsongeschikt is geworden ‘in en door de dienst’, heeft de Centrale Raad van Beroep tot nu echter nadrukkelijk onbeantwoord gelaten. Het gaat dan dus niet om omstandigheden in verband met werkzaamheden die in het kader van re-integratie worden verricht, maar om andere omstandigheden tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, zoals het uitoefenen van druk om tot mediation te komen [71] of de opstelling van de werkgever bij de begeleiding tijdens het ziekteverzuim en de re-integratie van de zieke werknemer. [72]
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel Iis dat het hof heeft miskend dat ook de wijze waarop de werkgever de re-integratie vormgeeft (of juist niet vormgeeft), valt onder het arbeidsongeschikt raken “in en door de dienst” in de zin van art. 7.3 lid 1 Cao Gemeenten. Het onderdeel wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen (randnummers 1.1-1.5).
subonderdeel 1.2kan echter ook de wijze waarop de re-integratie van een zieke werknemer (niet) is vormgegeven, tot het oordeel leiden dat sprake is geweest van buitensporige werkomstandigheden.
subonderdeel 1.3is dit zeker het geval indien:
subonderdeel 1.4staat vast dat de onder subonderdeel 1.3 onder (i) tot en met (iv) genoemde omstandigheden zich in de voorliggende zaak hebben voorgedaan en dat Werkneemster zich ook daarop heeft beroepen. [75] Verwezen wordt naar het gezag van gewijsde van de volgende rechtsoverwegingen uit de beschikking van de kantonrechter van 25 februari 2022 (rov. 4.6-4.9 en 4.19-4.20): [76]
geen werkzaamheden worden verricht(en dit te wijten is aan de werkgever).
in het geheel geen werkzaamhedenzijn verricht (als gevolg van het schenden van de re-integratieverplichtingen door de gemeente), geldt het volgende.
onderdeel II.
6.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
volledigeuitbetaling van loon gedurende een bepaalde periode vanaf het moment dat bedongen arbeid niet meer kan worden verricht bij ‘arbeidsongeschiktheid in en door de dienst’)
nietdat alleen werkomstandigheden van vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid, althans vóór het moment waarop een werknemer aanspraak heeft op een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering, relevant kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van buitensporige werkomstandigheden. De door de gemeente voorgestane uitleg sluit ook niet aan bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep over ‘arbeidsongeschiktheid in en door de dienst’ onder het (oude) ambtenarenrecht (zie onder 4.28 e.v.).
onderdeel 2– dat ‘zekerheidshalve wordt voorgedragen’ – kunnen in elk geval omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode vanaf het moment van het intreden van de arbeidsongeschiktheid geen rol spelen, indien de werknemer in die periode feitelijk geen (re-integratie)werkzaamheden heeft verricht.
nooitsprake kan zijn van buitensporige werkomstandigheden in een periode dat betrokkene wegens arbeidsongeschiktheid geen werkzaamheden verricht (zie onder 5.17).