ECLI:NL:PHR:2026:690

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/01170
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 336 SrArt. 341 lid 3 SvArt. 311 lid 4 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen witwassen en onware balans openbaar maken in zaak nachtclub Yab Yum

De verdachte, indirect bestuurder en enig aandeelhouder van een vennootschap, werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van witwassen, witwassen en het opzettelijk openbaar maken van een onware balans. De zaak betreft de overname van de nachtclub Yab Yum, waarbij crimineel geld en illegale goederen betrokken waren. Het hof stelde vast dat de verdachte samen met anderen de onderneming en panden voorhanden had en gebruikte, terwijl zij wisten dat deze (middellijk) uit misdrijf afkomstig waren.

De verdachte voerde verweren aan tegen de bewezenverklaringen, waaronder het onderscheid tussen zijn hoedanigheid als natuurlijk persoon en als vertegenwoordiger van de rechtspersoon, en de criminele herkomst van gelden. De Hoge Raad verwierp deze verweren, behalve het middel dat zich richtte op het oordeel dat het versturen van een balans aan Dienst Justis in het kader van een Bibob-procedure als openbaarmaking in de zin van art. 336 Sr Pro kwalificeert.

De Hoge Raad oordeelde dat het enkel toezenden van een balans aan een overheidsinstantie in het kader van een Bibob-procedure niet als openbaarmaking kan worden aangemerkt, omdat deze gegevens onder geheimhouding vallen en niet voor het brede publiek bestemd zijn. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bewezenverklaring en strafoplegging voor het feit van het openbaar maken van een onware balans en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling van dat onderdeel.

Uitkomst: Veroordeling voor medeplegen witwassen en witwassen bevestigd; bewezenverklaring en strafoplegging voor openbaar maken onware balans vernietigd en zaak terugverwezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01170
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 18 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnummer 23-000008-21) [1] wegens onder 1 “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”, onder 2 “witwassen” en onder 3 “het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware balans”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01146. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Voor een beter begrip van de zaak begin ik met de bespreking van het tweede middel.

2.Samenvatting

2.1
De verdachte is indirect bestuurder en enig aandeelhouder van [medeverdachte] B.V., de medeverdachte in zaak 24/01446. In 1999 heeft de verdachte met deze vennootschap de nachtclub [A] (de goodwill, activa en intellectuele-eigendomsrechten) overgenomen van [betrokkene 1] en diens besloten vennootschap. In eerste instantie werden de panden waarin de nachtclub was gevestigd gehuurd. In 2002 zijn deze door de verdachte en [medeverdachte] B.V. gekocht. Het hof heeft vastgesteld dat behalve de verdachte ook [betrokkene 2] voor de helft eigenaar is geworden van [A] , maar dat de verdachte dit verborgen heeft gehouden.
2.2
Het hof heeft ook vastgesteld dat [A] uit misdrijf afkomstig was. Daarbij heeft het hof betrokken dat [betrokkene 1] in 1999 werd bedreigd door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Een van de vraagpunten die aan het hof werden voorgelegd, was of deze bedreiging een afpersing was, gericht op de overdracht van [A] door [betrokkene 1] en dat daardoor kon worden gezegd dat [A] door de verdachten door misdrijf was verkregen. Het hof heeft echter uiteindelijk in het midden gelaten of sprake was van een rechtstreekse (onmiddellijke) verkrijging uit een afpersing. Wel heeft het hof geoordeeld dat [A] via een tussenstap (middellijk) afkomstig was uit een misdrijf. Voor de overdracht zou [betrokkene 2] namelijk crimineel geld en illegale goederen hebben betaald aan [betrokkene 1] (1 miljoen gulden) en aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (500.000 gulden en 400 kg hasj).
2.3
Het hof heeft dan ook onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte samen met [medeverdachte] B.V. en [betrokkene 2] [A] heeft witgewassen, dat wil zeggen handelingen heeft verricht met een voorwerp dat (middellijk of onmiddellijk) uit misdrijf afkomstig is. Het tweede middel richt zich tegen dit oordeel. Ten eerste wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de door [betrokkene 2] betaalde gelden een criminele herkomst hebben. Door dit oordeel zou het hof ten onrechte van de verdachte hebben verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van dit geld. Dit lees ik echter niet in het arrest en een dergelijke verklaring was ook niet nodig voor het oordeel van het hof. Als tweede wordt, in de kern, aangevoerd dat de betaling aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] er niet toe kan leiden dat [A] door misdrijf is verkregen, omdat zij niet betrokken waren bij de koop. Dit is de vraag naar het causale verband tussen een misdrijf en het ‘voorwerp’ [A] dat rechtstreeks of door een tussenstap door dit misdrijf is voortgebracht. Het hof heeft naar mijn mening kunnen oordelen dat de betaling aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] noodzakelijk was voor de verkrijging van [A] . Daarmee is er een voldoende sterk causaal verband.
2.4
Het hof heeft onder 2 nog een ander witwasfeit bewezenverklaard. Daarbij ging het om geldbedragen die de verdachte had ontvangen. Die bedragen zijn volgens het hof ten onrechte als leningen opgenomen op de balans van een vennootschap onder firma waarvan de verdachte vennoot was. Die balans is opgestuurd naar de Dienst Justis van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte daarmee een onware balans (en toelichting) ‘openbaar heeft gemaakt’. Tegen dit laatste oordeel is het derde middel gericht. Naar mijn mening slaagt dit middel. Het enkel versturen van een balans aan de Dienst Justis in het kader van een zogenoemde Bibob-procedure kan niet worden aangemerkt als openbaar maken in de zin van het toepasselijke artikel 336 Sr Pro.
2.5
Daardoor kom ik tot een vernietiging van de bewezenverklaring onder 3 en de strafoplegging. Het vierde middel, dat gaat over de strafoplegging, zal ik daarom niet bespreken. Wel ga ik nog in het op eerste middel. Dat komt erop neer dat het hof op de zitting onvoldoende oog heeft gehad voor het onderscheid tussen het optreden van de verdachte als verdachte in zijn eigen zaak en als vertegenwoordiger van [medeverdachte] B.V. Het middel faalt omdat het hof dit wel degelijk heeft gedaan.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu daaraan ten grondslag is gelegd “(i) het feit dat [betrokkene 2] zich niet nader heeft kunnen of willen verklaren ten aanzien van de door hem ingelegde gelden (met bewijsvermoeden witwassen ten aanzien van [verdachte] tot gevolg) en (ii) het hof tot het bewijs in aanmerking heeft genomen verklaringen van [betrokkene 2] enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds terwijl die verklaringen onderling onverenigbaar zijn”.
3.2
Aan de verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd dat:
“1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juli 2004 tot en met 15 december 2011 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] B.V. en/of een of meer (andere) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) van een of meer voorwer(pen), te weten van (één of meer) vermogensrecht(en) en/of eigendomsrecht(en) op onroerende goed(eren) en/of registergoed(eren) en/of goed(eren) voortvloeiende uit
- de overeenkomst betreffende koop en verkoop van activa tussen [B] B.V. en [betrokkene 1] en [medeverdachte] B.V. en [verdachte] ondertekend op 1 oktober 1999 (D-005) en/of
- de huurovereenkomst tussen [verdachte] en [betrokkene 1] d.d. 25 mei 1999 (D-008) en/of
- de akte van levering d.d. 31 januari 2002 tussen [betrokkene 1] en [verdachte] (handelend als zelfstandig bevoegd directeur van [C] B.V. welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [medeverdachte] B.V. (D-004),
zijnde de/het navolgende vermogensrecht(en) en/of eigendomsrecht(en) op onroerende goed(eren) en/of registergoed(eren) en/of goed(eren):
A. de onroerende zaken / register goederen / appartementsrechten:
- [a-straat 1] , [postcode 1] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] nummer […] ) en/of
- [b-straat 1] , [postcode 2] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente [plaats] . Sectie […] complexaanduiding […] , appartementsindex […] ) en/of
B. de exploitatie en/of de bedrijfsvoering en/of de uitoefening van de nachtclub en/of prostitutiebedrijf [A] gevestigd aan de [a-straat 1] ( [postcode 1] [plaats] ) alsmede aan de [b-straat 1] ( [postcode 2] te [plaats] ) en/of
C. de goodwill van de nachtclub en/of prostitutiebedrijf [A] en/of
D. de intellectuele eigendomsrechten op / verbonden aan:
- het woordmerk [D] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 18 november 1993 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] en/of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] en/of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] /of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 23 november 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] en […] en/of
- het beeldmerk ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] en/of
- het beeldmerk ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] en/of
E. de activa (de voorraad en/of inventariszaken) zoals die zich bevinden op de adressen: [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] ( […] ),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van dat/die vermogensrecht(en) en/of onroerende zaak/zaken en/of registergoed(eren) en/of goed(eren) is/zijn, en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) dit/deze vermogensrecht(en) en/of onroerende zaak/zaken en/of registergoed(eren) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wist(en), dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het hof heeft ten laste van verdachte onder feit 1 bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 15 juli 2004 tot en met 15 december 2011 te [plaats] , tezamen en in vereniging met [medeverdachte] B.V. en een ander persoon, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders van voorwerpen, te weten van vermogensrechten en/of eigendomsrechten op onroerende goederen en/of registergoederen en/of goederen voortvloeiende uit
- de overeenkomst betreffende koop en verkoop van activa tussen [B] B.V. en [betrokkene 1] en [medeverdachte] B.V. en [verdachte] ondertekend op 1 oktober 1999 en
- de akte van levering d.d. 31 januari 2002 tussen [betrokkene 1] en [verdachte] (handelend als zelfstandig bevoegd directeur van [C] B.V. welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [medeverdachte] B.V.),
zijnde de navolgende vermogensrechten en/of eigendomsrechten op onroerende goederen en/of registergoederen en/of goederen:
A. de onroerende zaken / register goederen / appartementsrechten:
- [a-straat 1] , [postcode 1] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] nummer […] ) en
- [b-straat 1] , [postcode 2] te [plaats] (kadastraal bekend gemeente [plaats] . Sectie […] complexaanduiding […] , appartementsindex […] ) en
C. de goodwill van de nachtclub en/of prostitutiebedrijf [A] en
D. de intellectuele eigendomsrechten op / verbonden aan:
- het woordmerk [D] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 18 november 1993 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] en/of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] en/of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] en/of
- het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 23 november 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] en […] en/of
- het beeldmerk ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] en/of
- het beeldmerk ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] en
E. de activa (de voorraad en inventariszaken) zoals die zich bevonden op de adressen: [a-straat 1] te [plaats] en/of [b-straat 1] te [plaats] ,
verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van die vermogensrechten en/of onroerende zaken en/of registergoederen en/of goederen zijn,
en hebben hij, verdachte en zijn mededaders deze vermogensrechten en/of onroerende zaken en/of registergoederen en of goederen voorhanden gehad en daarvan gebruik gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.4
De bewijsoverwegingen van het hof ten aanzien van feit 1 luiden als volgt:

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Feiten
De verdachte is en was ten tijde hier van belang bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V., welke vennootschap op haar beurt bestuurder was en is van de op 15 juni 1999 opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [medeverdachte] B.V. (verder ook te noemen: [medeverdachte] ).
[betrokkene 1] was in de jaren voorafgaand aan oktober 1999 middellijk eigenaar van [B] B.V., waarin (de exploitatie van) het [plaats] prostitutiebedrijf [A] was ondergebracht en eigenaar van de panden waarin dit bedrijf was gevestigd: [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] .
Uit het dossier, meer in het bijzonder uit diens aangifte van 22 januari 1999, volgt dat [betrokkene 1] zich voorafgaand en na die datum dermate bedreigd voelde door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , van wie hij zegt te weten dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie en geweld niet zouden schuwen, dat hij zich gedwongen voelde om over te gaan tot de verkoop van [A] en de daartoe behorende activa en vermogensrechten en de panden. In een overeenkomst betreffende koop en verkoop van activa, ondertekend op 1 oktober 1999 tussen [B] B.V. (verkoper), [betrokkene 1] (verhuurder), [medeverdachte] (koper) en [verdachte] is daartoe de koop/verkoop geregeld van activa (exploitatie/inventaris/intellectuele eigendomsrechten) en het onroerend goed aan [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] (hierna als gezamenlijkheid ook aan te duiden als: [A] ). In deze overeenkomst is, onder andere, opgenomen dat voornoemd onroerend goed wordt verhuurd met een optie tot koop en dat bij gebruikmaking van die optie de koopprijs 4.400.000,00 gulden bedraagt en alle kosten voor rekening van de verkoper komen. Met betrekking tot de verhuur/huur van het onroerend goed is een afzonderlijke overeenkomst opgesteld, gedateerd 25 mei 1999. Hierin is, onder andere, opgenomen dat [betrokkene 1] (verhuurder) voornoemde panden aan [verdachte] (huurder) verhuurt met ingang van 1 mei 1999, met een optie om het onroerend goed te kopen.
Gelet op de ingangsdatum van de huur op 1 mei 1999 gaat het hof er van uit dat de zaak (exploitatie/activa/merkenrecht [A] ) op 1 mei 1999 aan [medeverdachte] is overgedragen.
Op 31 januari 2002 is [medeverdachte] eigenaar geworden van het bedrijfspand met ondergrond en verder aanbehoren aan [a-straat 1] en het appartementsrecht verbonden aan [b-straat 1] te [plaats] .
Op 27 juli 2023 heeft ten overstaan van de civiele rechter in de rechtbank Amsterdam op verzoek van [betrokkene 2] een voorlopig getuigenverhoor (zaaknummer/rekestnummer C/13/705412/HA RK 21-259) plaatsgevonden bij welke gelegenheid onder meer [betrokkene 2] en [betrokkene 5] als getuige zijn gehoord. De verdachte en [medeverdachte] zijn in deze procedure verweerders. [betrokkene 2] heeft aan zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dat de verdachte en hij in 1999 mondeling hebben afgesproken dat [betrokkene 2] recht heeft op 50% (van de opbrengst) van het onroerend goed van [A] . [betrokkene 2] was niet op papier maar wel in werkelijkheid als mede-eigenaar betrokken bij [A] .
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 1] als gevolg van de bedreigingen door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zich genoodzaakt heeft gevoeld [A] voor een bijzonder lage som - die hij zelf aan de verdachte heeft geleend - en onder onzakelijke voorwaarden aan de verdachte te verkopen.
De verdachte was geen willekeurige koper: er was sprake van een opzetje. De verdachte was een goede vriend en de zwager van [betrokkene 2] , destijds vice-president van [motorclub] en tevens een goede bekende van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . De advocaat-generaal gaat uit van een (schijn)constructie waarbij de verdachte (en [medeverdachte] B.V.) naar voren zijn geschoven als oplossing om te maskeren wie de werkelijke eigenaren van [A] werden en waarbij [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en/of [motorclub] zeggenschap kregen over [A] . Naar de mening van de advocaat-generaal was de verdachte een stroman voor [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en is [betrokkene 2] als waarnemer voor hen opgetreden. Een en ander was zo opgezet omdat het ondenkbaar was dat [betrokkene 3] , [betrokkene 4] of [betrokkene 2] de voor exploitatie van [A] benodigde vergunningen zouden krijgen. De verdachte wist dat [betrokkene 1] verkocht omdat hij werd bedreigd en afgeperst. Daarom kan witwassen, naar de mening van de advocaat-generaal, wettig en overtuigend worden bewezen. Daarbij hoeft niet vast komen te staan dat de bedreiging/afpersing was gericht op het overnemen van [A] door de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een opzetje en dat de verdachte geen stroman is geweest. Er is geen causaal verband tussen de afdreiging/bedreiging van [betrokkene 1] en het verwerven van [A] door de verdachte via diens vennootschap [medeverdachte] B.V. Anders dan door het openbaar ministerie is gesteld, is de enkele wetenschap van de verdachte dat [betrokkene 1] werd bedreigd dan wel afgeperst, onvoldoende voor een veroordeling ter zake van witwassen. De raadsman heeft verder aangevoerd dat voor zover het openbaar ministerie de stelling zou betrekken dat een ander gronddelict dan afpersing/bedreiging, met als doel [A] te verwerven, is tenlastegelegd, dit in strijd is met de grondslagleer. De verdachte mag niet worden verrast door wijzigingen in de tenlastelegging.
Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hetgeen [betrokkene 2] als getuige op 27 juli 2023 in het kader van een civielrechtelijk voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Die verklaring is ongeloofwaardig en wordt slechts door de verklaring van [betrokkene 2] vriendin [betrokkene 5] ondersteund.
Het oordeel van het hof
Bewezenverklaring
Het hof acht het onder 1 aan de verdachte tenlastegelegde bewezen in die zin dat de verdachte zich met zijn vennootschap [medeverdachte] en [betrokkene 2] schuldig heeft gemaakt aan witwassen door te verbergen en/of verhullen wie de werkelijke rechthebbenden waren op de door [B] B.V. en [betrokkene 1] bij de in de tenlastelegging genoemde overeenkomst en akte overgedragen panden en/of appartementsrechten [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] , de goodwill van de nachtclub en/of het prostitutiebedrijf [A] en de daarbij behorende activa en beeld- dan wel woordmerken. Zij hebben tevens deze zaken voorhanden gehad en daar gebruik van gemaakt. Dit deden zij in de wetenschap dat die zaken middellijk van misdrijf afkomstig waren. Het tenlastegelegde verwerven van deze voorwerpen is niet bewezen nu die verwerving heeft plaatsgevonden vóór aanvang van de tenlastegelegde periode. In het midden kan blijven de vraag of de verdachte (bewust) onderdeel was van een vooropgezet plan van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] om [betrokkene 1] ertoe te brengen diens bedrijf [A] met toebehoren aan hen af te staan. De beantwoording van die vraag doet voor hetgeen het hof bewezen acht niet terzake.
Het hof stoelt zijn oordeel op het volgende.
De verklaringen
[betrokkene 2] is ter terechtzitting in hoger beroep in deze strafzaak als getuige onder ede gehoord. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij mede-eigenaar van [A] is. [betrokkene 1] had 12 miljoen gulden voor [A] gevraagd maar [betrokkene 2] heeft het "afgemaakt" op 10 miljoen gulden. [betrokkene 1] zou een bedrag van 8.4 miljoen gulden uit de zaak financieren en hij wilde 2 miljoen gulden contant hebben. Als de 2 miljoen gulden niet betaald werden, zou de koop niet doorgaan. Het was de bedoeling dat [betrokkene 2] en [verdachte] allebei 1 miljoen gulden zouden betalen; [betrokkene 2] heeft 1 miljoen gulden direct contant betaald en [verdachte] mocht 1 miljoen gulden in gedeeltes afbetalen. Op enig moment heeft [verdachte] een lening bij iemand genomen om het bedrag in één keer af te betalen. Verder hebben [betrokkene 2] en [verdachte] samen een bedrag van 1,3 miljoen gulden aan [betrokkene 3]
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] )en [betrokkene 4]
(het hof begrijpt: [betrokkene 4] )betaald. Dat was het bedrag dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van [betrokkene 1] wilden hebben. [betrokkene 2] en [verdachte] hebben dit bedrag samen betaald. De betaling is voldaan met 500.000,00 gulden contant geld en 400 kilo hasj. [verdachte] wist hiervan. Het bedrag van 1,3 miljoen gulden moest betaald worden, omdat de koop anders niet door zou gaan. Betalen van dat bedrag was dus nodig om [A] te kunnen kopen. [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat hij mede-eigenaar van [A] was maar dat dat niet op papier kon worden gezet omdat de zaak anders had kunnen sluiten. De reden daarvoor was volgens [betrokkene 2] dat hij een strafblad had, dat hij lid van de [motorclub] was en dat er ten tijde van de overname in 1999 onderzoeken liepen. [betrokkene 2] werd hoofd algemene zaken omdat ze toch een functie moesten bedenken.
Ook [betrokkene 5] - een vriendin van [betrokkene 2] - is ter terechtzitting in hoger beroep onder ede als getuige gehoord. Zij verzorgde nadat [A] was overgenomen van [betrokkene 1] de administratie en begeleidde de prostituees. [betrokkene 2] was volgens haar in dienst als hoofd beveiliging. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij in die periode op een ochtend met de verdachte en [betrokkene 2] op kantoor zat en dat toen is uitgekomen dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was maar dat dit stil moest blijven. De aanleiding van dat gesprek was dat [betrokkene 2] 's ochtends op kantoor kwam en haar altijd vroeg wat de avond daarvoor de omzet was geweest. [betrokkene 5] was niet gewend dat alle personeelsleden alles mochten weten; zij vertelde alleen of het een goede of een slechte avond was geweest. [betrokkene 2] raakte geïrriteerd als zij geen bedragen noemde. Daarom heeft [betrokkene 5] tijdens een gesprek met de verdachte en [betrokkene 2] gevraagd of [betrokkene 2] de omzet mocht weten en toen is er open kaart gespeeld. De verdachte vertelde haar dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was en dat hij en [betrokkene 2] ‘gelijken’ waren. Later is besproken waarom dat niet op papier stond. [betrokkene 5] wist wie [betrokkene 2] was en wat zijn achtergrond was. Prostitutie zou - in de herinnering van [betrokkene 5] in 1999-2000 - gelegaliseerd worden en men was bang dat geen vergunning voor het voeren van een prostitutiebedrijf zou worden verleend als iemand met een bepaalde achtergrond
(het hof begrijpt: met een strafblad en als (mede)eigenaar)op de vergunning zou staan. Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat de salarissen van [betrokkene 2] en de verdachte van het begin af aan gelijk waren. Zij verdienden allebei 10.000,00 gulden met uitzondering van een beginperiode toen de verdachte geen salaris kreeg. Later is dat door de boekhouder met terugwerkende kracht rechtgetrokken omdat niet toegestaan was dat een personeelslid
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] , die op papier personeelslid was)meer verdiende dan de verdachte. In 2005 werd het salaris 12.500.00 euro. De salarissen van de verdachte en [betrokkene 2] gingen steeds gelijktijdig omhoog.
Ook in de praktijk was te merken dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was. Behalve dat hij naar de omzet vroeg, werden (grote) beslissingen samen met hem genomen; hij was of daarbij aanwezig of het werd later met hem besproken. Hij kwam en ging wanneer hij wilde en hij hoefde ook niet te overleggen om met vakantie te kunnen gaan. Er hoefden geen vakantiedagen te worden bijgehouden; hij belde en zei dat hij er even niet was.
Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat [betrokkene 2] op enig moment iets op papier wilde hebben
(het hof begrijpt: met betrekking tot zijn mede-eigenaarschap)en dat er toen geprobeerd is om op twee manieren de helft van de eigendom van [A] met alles wat daarbij hoorde naar hem over te laten gaan: eerst via een vennootschap met de naam [E] B.V. en later via het testament van de verdachte. De verdachte wist van [E] B.V. en hij is ook bij de gesprekken over dit onderwerp aanwezig geweest. De bedoeling was dat met ingang van het jaar 2001 5% van de aandelen in de onderneming jaarlijks zou overgaan naar [E] B.V. om zo, na tien jaar, de helft van de eigendom aan deze vennootschap van [betrokkene 2] over te dragen. Het zou in etappes moeten gebeuren omdat het wettelijk gezien niet mogelijk is om in één keer 50% van de eigendom over te dragen. Dit is niet gelukt omdat er in 2001 een heel groot onderzoek door de Belastingdienst kwam. Later is geprobeerd om de helft van de eigendom over te dragen via het testament van de verdachte. De bedoeling van het testament was dat 50% zou gaan naar het kind van [betrokkene 2] en 50% naar de drie kinderen van de verdachte of diens vrouw. Het idee van het testament kwam van mr. [betrokkene 6] , de verdachte en [betrokkene 2] . Het testament was in drievoud: één was voor [betrokkene 2] , één lag op het kantoor van [betrokkene 6] en één bij de verdachte thuis. Uiteindelijk zijn de testamenten - die nog niet waren ondertekend - door de shredder gegaan in verband met een inval bij de [motorclub] en de arrestatie van [betrokkene 2] in de zaak Acroniem, aldus [betrokkene 5] .
Overwegingen
Het hof overweegt dat de uitgebreide en gedetailleerde verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] op essentiële punten overeenkomen en dat deze geloofwaardig zijn. De inhoud daarvan wordt daarnaast op in het oog springende punten ondersteund door de verklaring die [betrokkene 7] op 7 april 2017 in deze strafzaak heeft afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Hij heeft verklaard van 1993 tot januari 2008 bij [A] te hebben gewerkt, aanvankelijk als DJ maar later als barkeeper. Hij heeft verklaard dat
(het hof begrijpt: na de overname door de verdachte)naar het gevoel van het personeel [betrokkene 2] de scepter zwaaide in [A] . [betrokkene 5] werd na de overname de manager van [A] . Toen het personeel ervan werd beschuldigd dat zij zelf meisjes naar klanten zou rijden, heeft [betrokkene 7] een gesprek aangevraagd met [betrokkene 5] en [betrokkene 2]
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] ).[betrokkene 7] zei naar aanleiding van dat gesprek niet meer bij [A] te willen werken en [betrokkene 2] zei dat hij daarover na moest denken. Gevraagd door de rechter commissaris waarom hij dat gesprek met [betrokkene 2] voerde, antwoordde de getuige:
"Ik denk dat [betrokkene 2](het hof begrijpt: [betrokkene 2] )
op dat moment voor iedereen het aanspreekpunt was, en niet [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte).
(..) Een andere reden was dat [verdachte] niet als aanspreekpunt van de zaak werd gezien. Als er bijvoorbeeld iels stuk was of anders moest, dan was het makkelijker met [betrokkene 2] te bespreken dan met [verdachte] . Het was eigenlijk automatisch dat je dat soort dingen met [betrokkene 2] besprak. (..) Als je als eigenaar van een zaak je gezicht niet laat zien, en niet met het personeel praat, dan trekken het personeel, de klanten en de dames daaruit bepaalde conclusies. Ze vragen zich af: wie deelt hier eigenlijk de lakens uit.'''Deze verklaring ondersteunt de lezing dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was, zich ook als zodanig gedroeg en dat dit werd geaccepteerd door de verdachte.
De door voormalig barman [betrokkene 8] op 29 september 2011 ten overstaan van de politie afgelegde verklaring past in dat beeld. Op de vraag wat [betrokkene 1] het personeel heeft verteld over de overname door [verdachte] antwoordt hij:
" [betrokkene 1] heeft ons meer dan duidelijk proberen te maken dat de man die het overnam, [verdachte] , niks met de onderwereld te maken had. [betrokkene 1] legde er zo vaak de nadruk op, dat het lachwekkend werd en hiermee aangaf dat het allemaal een groot toneelstuk was."En op de vraag of [betrokkene 2] zich weleens uitliet over zijn positie verklaart [betrokkene 8] :
" [betrokkene 2] stak het ook niet onder stoelen of banken."
Ten slotte overweegt het hof dat het niet aannemelijk is dat een werknemer dezelfde maandelijkse beloning uit een onderneming krijgt als de eigenaar. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat [betrokkene 2] vanaf het begin een beloning van 10.000,00 gulden per maand kreeg.
Medeplegen witwashandelingen
Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was van (de rechten op en activa in) [A] en in een later stadium van de panden waarin het prostitutiebedrijf werd uitgeoefend. Ten aanzien van het eigenaarschap is een schijnconstructie gebruikt waarbij het leek of alleen de verdachte/ [medeverdachte] eigenaar was omdat dat anders voor problemen met de gemeente zou zorgen. Daarmee werd het mede-eigenaarschap van [betrokkene 2] , ook nog in de tenlastegelegde periode, verborgen en/of verhuld. De verdachte heeft daar samen met zijn vennootschap welbewust aan meegewerkt. Evenzeer is er sprake geweest in de tenlastegelegde periode van het gezamenlijk voorhanden hebben en gebruik maken van één en ander.
Van misdrijf afkomstig
Daarbij ging het om onmiddellijk of middellijk uit misdrijf verkregen voorwerpen. Het hof komt tot de slotsom dat het geld en de verdovende middelen waarmee de eerste betalingen van (de rechten op en activa in) [A] zijn gedaan van één of meer (niet nader bekend geworden) misdrijf/ven afkomstig was/waren. Een belangrijke indicatie daarvoor is dat dit grote geldbedrag in contanten is voldaan. Voorts leidt het hof uit het dossier af dat [betrokkene 2] ten tijde van de overname van de rechten op en activa van [A] in 1999 vice-president was van de [plaats] afdeling van de [motorclub] . Tegen leden van de [motorclub] , onder wie [betrokkene 2] , zijn opsporingsonderzoeken en strafvervolging ingesteld in verband met een reeks strafbare feiten. [betrokkene 2] heeft ook zelf verklaard dat hij destijds een strafblad had, waaruit het hof concludeert dat hij toen was veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. [betrokkene 2] heeft over de herkomst van het contant door hem betaalde geld niets willen verklaren; ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij zich daaromtrent op zijn verschoningsrecht beroepen. Het hof is daarom, bij gebreke van een aannemelijke andersluidende verklaring over de herkomst van de betalingen, van oordeel dat het niet anders kan dan dat in ieder geval hetgeen door [betrokkene 2] is voldaan van enig misdrijf afkomstig was. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
De conclusie is dat van de koopsom, die in eerste instantie is voldaan door 2 miljoen gulden contant te betalen, ten minste de helft - het gedeelte dat door [betrokkene 2] is betaald - een criminele herkomst had. De verdachte wist daarnaast dat, om de koop te kunnen doen plaatsvinden, [betrokkene 3] en [betrokkene 4] werden betaald met crimineel vermogen en met 400 kilo hasj. Het onroerend goed is later betaald uit de opbrengsten die na verkoop van de activa zijn behaald met [A] , dat toen door de verdachte en zijn medeverdachten ten minste voor de helft met crimineel geld was verkregen. Daarmee zijn de legale en criminele geldstromen vermengd geraakt. Het resultaat is dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen door vermenging van misdrijf afkomstig zijn.
Vrijspraak gewoontewitwassen en deelvrijspraak onderdeel B
Het hof zal vrijspreken van het tenlastegelegde ‘van witwassen een gewoonte maken’, nu het tenlastegelegde geen opeenvolging van verschillende witwashandelingen betreft, maar één voortdurend samenstel daarvan. Tevens zal het hof vrijspreken van het witwassen ter zake van B. genoemd in feit 1, nu de exploitatie, bedrijfsvoering en of uitoefening van een nachtclub en/of prostitutiebedrijf activiteiten betreffen en als zodanig niet vallen onder de noemer vermogensrecht, eigendomsrecht op onroerende goederen, registergoed of anderszins goed.
Bespreking van gevoerde verweren ten aanzien van feit 1
De raadsman heeft betoogd dat de enkele wetenschap van de verdachte dat [betrokkene 1] werd bedreigd dan wel afgeperst, onvoldoende is voor een veroordeling ter zake van witwassen. De beantwoording van die vraag is voor hetgeen het hof bewezen acht niet van belang, zodat deze kwestie verder onbesproken kan blijven.
De raadsman heeft aangevoerd dat, voor zover het openbaar ministerie de stelling zou betrekken dat een ander gronddelict dan afpersing/bedreiging met als doel [A] te verwerven is tenlastegelegd, dit in strijd is met de grondslagleer. De verdachte mag niet worden verrast door wijzigingen in de tenlastelegging.
Dit verweer - wat daar van zij - kan onbesproken blijven nu van een wijziging van de tenlastelegging geen sprake is.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hetgeen [betrokkene 2] als getuige op 27 juli 2023 in het kader van het civielrechtelijk voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard, niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Nu het hof die verklaring niet voor het bewijs zal bezigen, behoeft dit verweer geen verdere bespreking.
Tot slot heeft de raadsman bepleit dat de verklaring van [betrokkene 2] , afgelegd in bedoeld voorlopig getuigenverhoor, ongeloofwaardig is en slechts door de verklaring van [betrokkene 2] vriendin [betrokkene 5] in de civiele zaak wordt ondersteund.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 5] is verklaard ongeloofwaardig is, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor over de geloofwaardigheid van die verklaringen is overwogen.
Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tol het horen van getuigen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting het voorwaardelijk verzoek gedaan om, in het geval dat het hof de verklaring van de [getuige] voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde wil gebruiken, [getuige] te kunnen horen.
Dit verzoek kan onbesproken blijven nu het hof de verklaring van de [getuige] niet als bewijsmiddel zal bezigen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet intreedt.
Het hof constateert verder dat het in de pleitnota geformuleerde voorwaardelijke verzoek om [betrokkene 2] als getuige te doen horen, is ingehaald door de omstandigheid dat deze getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord in het bijzijn van de verdachte en diens raadsman, waarbij de verdediging de getuige vragen heeft kunnen stellen.”
3.5
Verder bevat de aanvulling op het arrest ten aanzien van feit 1 de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van 22 januari 1999, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (ordner getuigen, dossierpagina 126 t/m 130). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Ik wens aangifte te doen van bedreiging c.q. afpersing. Ik ben eigenaar van [B] B.V., waarin [A] is ondergebracht. De daders maken deel uit van een criminele organisatie. Het gaat hier om [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
Op 14 januari 1999 had ik een ontmoeting met [betrokkene 3] in [A] . [betrokkene 3] zei tegen mij: " [betrokkene 1] , ik kom net van [betrokkene 4] , die gek, vandaan. Hij zit in de [c-straat] bij de Italiaan met die jongens van [naam] en ze willen je doodschieten."
[betrokkene 3] benadrukte dat [betrokkene 4] tot alles in staat was. Op een gegeven moment haalde [betrokkene 3] een vuurwapen tevoorschijn. Ik begreep uit het verhaal van [betrokkene 3] dat hij toespelingen maakte dat ik geliquideerd zou worden. [betrokkene 3] kwam met het voorstel van een afkoopsom van 1,3 miljoen gulden. Het is mij bekend dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] zich bezighouden met de grootschalige handel in verdovende middelen en dat zij geweld niet schuwen. Het is een bekend gegeven in [plaats] dat deze personen verantwoordelijk zijn voor liquidaties.
2. Het proces-verbaal van 10 maart 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren S019 en S073 (ordner getuigen, dossierpagina 132 t/m 139). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Ik werd in 1999 dusdanig bedreigd door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] dat ik geen andere oplossing meer zag dan [A] van de hand te doen.
[verdachte] was bereid [A] van mij over te nemen. [verdachte] kocht de exploitatie, inventaris, goodwill en voorraad voor 4 miljoen gulden. Hij had geen geld. Toen hebben we een oplossing gevonden. Op papier heb ik hem een lening verstrekt. Hij heeft mij vervolgens betaald uit de omzet van [A] . Hij heeft eerst de goodwill etc. betaald en toen alles betaald was heeft hij het pand
(het hof begrijpt hier en verder: de twee panden waarin [A] was gevestigd)gekocht. Hij heeft het eerst gehuurd, want het pand was de eerste jaren na de overdracht
(het hof begrijpt: van de exploitatie, inventaris, goodwill, merkenrecht en voorraad van [A] )nog mijn eigendom. In 2002 heeft [verdachte] het pand gekocht. Ook deze verkoop is door mij gefinancierd. De overdracht van het pand was ook nog kosten verkoper.
Ik zou schade hebben berokkend, die later is begroot op 1,3 miljoen gulden.
3. De verklaring van
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
De vennootschappen [medeverdachte] en [C] zijn beide op 15 juni 1999 opgericht met als doel de aankoop en activiteiten van de club [A] daarin onder te brengen.
Ik heb [A] in oktober 1999 van [betrokkene 1] gekocht. Hij zou zelf de verkoop financieren. [betrokkene 1] zei tegen mij dat ik de aankoop binnen 10 jaar zou kunnen afbetalen, maar het ging financieel zo goed met de club, dat ik hem binnen vijf jaar kon afbetalen.
Het klopt dat [betrokkene 2] vanaf het begin 10.000 gulden per maand aan loon ontving en ik in het begin niets. Toen bleek dat ik niet minder dan een werknemer mocht verdienen. Ik heb toen 150.000 euro dividend opgenomen.
Alle papieren staan op mijn naam. [betrokkene 2] was mijn zwager. Hij verdiende 10.000 gulden per maand. U zegt mij dat [betrokkene 2] toentertijd vicepresident van de [motorclub] was. Dat klopt, dat is hem ten voeten uit.
[betrokkene 3] en [betrokkene 4] wilden 1,3 miljoen gulden van [betrokkene 1] hebben.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 mei 2005, door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren […] en […] (ordner persoonsdossier [verdachte] , dossierpagina 111 t/m 114). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
de verdachte:
Ik ben eigenaar van [A] . [medeverdachte] is van mij. [betrokkene 1] heeft vorig jaar zijn laatste afbetaling gehad. Ik ben van alles wat er in [C] en [medeverdachte] BV gebeurt op de hoogte en ik ben overal verantwoordelijk voor. [C] is een lege holding.
5. De verklaring van de getuige
[betrokkene 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was mede-eigenaar van [A] . maar op papier stond dat ik in dienst was van de besloten vennootschap. Ik ben de eerste die met [betrokkene 1] en zijn vrouw [betrokkene 9] gesproken heeft over het feit dat hij werd bedreigd door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . [betrokkene 1] wilde zijn club [A] verkopen omdat hij bedreigd werd. Die bedreigingen kwamen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . [verdachte] was niet bij dat eerste gesprek, maar ik ben meteen daarna naar hem toegegaan en heb het hem allemaal verteld.
Ik heb tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] gezegd dat ik het pand wilde kopen. [betrokkene 1] had nog een schuld aan hen van 1,3 miljoen gulden. [betrokkene 1] wilde dat niet betalen. Wij, [verdachte] en ik, hebben dat toen betaald. Dat hebben wij gedaan door 500.000 gulden contant geld en 400 kilogram hasj aan [betrokkene 3] ( [betrokkene 3] ) en [betrokkene 4] ( [betrokkene 4] ) te geven. [verdachte] wist hier natuurlijk van; wij bespraken alles met elkaar. Toen hebben wij het betaald want wij hadden besloten dat de zaak gekocht ging worden, maar dat moest wel betaald worden anders ging het ook niet door.
[betrokkene 1] vroeg 12 miljoen gulden voor [A] en ik heb het afgemaakt op 10 miljoen gulden. [betrokkene 1] zou 8,4 miljoen zelf financieren en twee miljoen contant ontvangen. Als die twee miljoen niet contant betaald werd, ging de verkoop niet door. Het was de bedoeling dat ik 1 miljoen zou betalen en [verdachte] het andere miljoen. Ten aanzien van de vraag hoe ik aan die 1 miljoen contant geld kwam, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ik heb die 1 miljoen gulden direct in één keer betaald en [verdachte] mocht het in gedeeltes afbetalen. Op enig moment heeft [verdachte] een lening bij iemand genomen om het bedrag in één keer af te betalen.
Ik was hoofd algemene zaken. Ik was gewoon mede-eigenaar, we moesten toch een functie bedenken. De zaken waar ik mij mee bezig hield waren beveiliging, personele aangelegenheden of als er wat verbouwd moest worden. Eigenlijk gewoon de hoofdzaken. U vraagt mij waarom niet vanaf het begin op papier stond dat ik voor de helft eigenaar was. Dat kon niet. Ik had een strafblad en ik was vice-president van de [motorclub] . Als mijn naam op de koopakte van het pand had gestaan, zouden wij binnen één week gedwongen worden om te sluiten. Helemaal omdat er toentertijd in 1999 politieonderzoeken naar de motorclub liepen. Het klopt dat wij een schijnconstructie hebben opgemaakt waardoor het leek dat alleen [verdachte] eigenaar was van [A] .
Het klopt dat er vanaf 1999 over werd gesproken hoe ik
(het hof begrijpt: ook op papier)mede-eigenaar zou kunnen worden. Daar was [verdachte] gewoon bij.
Op de vraag waar de 400 kilogram hasj vandaan kwam beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.
6. De verklaring van de getuige
[betrokkene 5]afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Na de verkoop van [A]
(het hof begrijpt: door [betrokkene 1] )ben ik in dienst gekomen bij [medeverdachte] B.V. Ik deed de administratie en begeleidde de prostituees. Het klopt dat ik op een ochtend op kantoor een gesprek heb gehad met [betrokkene 2] en [verdachte] . In dat gesprek is mij verteld dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was van [A] . De aanleiding voor dat gesprek was dat [betrokkene 2] 's ochtends op kantoor kwam en altijd aan mij vroeg wat de omzet van de avond daarvoor was geweest en ik mij afvroeg waarom ik hem deze informatie moest geven. [betrokkene 2] was in dienst als hoofd beveiliging, dus hij ging niet over de cijfers. Ik raakte geïrriteerd dat hij steeds naar de cijfers bleef vragen. Hij raakte geïrriteerd omdat ik geen bedragen noemde. Toen is er in dat gesprek open kaart met mij gespeeld en heeft [verdachte] haar verteld dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was en dat hij en [betrokkene 2] "gelijken” waren, maar dat dit stil moest blijven. De prostitutie zou in 1999 of 2000 gelegaliseerd worden, en er zou geen exploitatievergunning worden verleend aan de club door de gemeente als iemand met "een bepaalde achtergrond” zoals [betrokkene 2] daar eigenaar was.
Ik merkte in de praktijk ook dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was doordat bepaalde grote beslissingen samen werden genomen. Hij hoefde nooit vrij te vragen. Er werden geen vakantiedagen bijgehouden; hij belde en zei dat hij er even niet was. In het begin is hij er heel vaak geweest.
[betrokkene 2] en [verdachte] hadden hetzelfde salaris. Volgens mij was dat 10.000 gulden netto per maand. Het kan kloppen dat dit in 2005 verhoogd werd naar 12.500 euro per maand. Volgens mij zijn zij allebei steeds op hetzelfde moment omhoog gegaan wat betreft salaris. In het begin heeft [verdachte] geen salaris gehad, maar dit is door de boekhouding in 2000 met terugwerkende kracht gelijk getrokken omdat het niet is toegestaan dat een werknemer meer verdient dan de eigenaar.
U vraagt mij naar [E] B.V. Op enig moment wilde [betrokkene 2] iets op papier hebben omdat [betrokkene 2] niets voor zijn vrouw en kind geregeld had. De bedoeling was dat met ingang van 2001, 5 procent van de aandelen van [A] per jaar zouden overgaan naar [E] B.V. [verdachte] wist daarvan en was bij de gesprekken daarover aanwezig. [E] B.V. zou zo na tien jaar de helft van de eigendom van [A] verkrijgen. Je kan immers iemand niet zomaar 50 procent van de eigendom weggeven; dat moest geleidelijk gaan. Het is niet gelukt omdat er in 2001 een heel groot onderzoek door de Belastingdienst kwam. In die tijd liep er al een Van Traa-onderzoek en de criminele inlichtingendienst was ook al vragen komen stellen.
Het testament is gekomen omdat [E] B.V. niet lukte omdat er toen een groot belastingonderzoek begon. Het testament zou van [verdachte] zijn en daarin stond dat 50% van [A] naar het kind van [betrokkene 2] zou gaan en de rest naar de vrouw en/of de drie kinderen van [verdachte] . Het concept testament is opgemaakt op het kantoor van [F] . [betrokkene 6] heeft daartoe de opdracht gegeven aan de notaris [G] notarissen. Het idee van het testament kwam voort uit een overleg tussen [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] .
Het testament is uiteindelijk door de shredder gehaald nadat [betrokkene 2] was gearresteerd in de zaak Acroniem na de inval bij de [motorclub] . Een week voor de arrestatie had ik het testament opgehaald. Dit was in drievoud; eentje was voor [betrokkene 2] , een exemplaar lag op kantoor en de ander lag bij [verdachte] thuis. Er was nog niet getekend. Ik heb na de arrestatie samen met [verdachte] de drie exemplaren opgehaald en ze vernietigd.
7. Een proces-verbaal van 7 april 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door mr. [betrokkene 10] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op genoemde datum tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van
[betrokkene 7]:
Ik heb bij [A] gewerkt van 1993 tot het einde, januari 2008. Ik begon als DJ en na twee jaar heb ik me het vak van barkeeper eigen gemaakt. U vraagt naar de rol van [betrokkene 2] na de overname. Wat ik heb begrepen is dat hij op de loonlijst stond als Hoofd Bewaking. U vraagt wat [betrokkene 2] dan kwam doen. Aan de bar zitten, drinken, hij zat er bijna iedere dag. Er stonden twee jongens van de [motorclub] voor de deur. Dat waren zijn makkers natuurlijk. [betrokkene 2] zat er bijna iedere dag. Ik zag hem meer dan [verdachte] ( [verdachte] ). [verdachte] zag ik misschien twee of drie keer in de maand en dan alleen tien minuten aan het begin van de avond. Daarna vertrok hij weer. Naar ons gevoel zwaaide [betrokkene 2] de scepter. Volgens collega's had [betrokkene 2] ook een keer geroepen: "Dit is mijn zaak". [betrokkene 5] heb ik een maand na de overname voor het eerst gezien. Ze stelde zich niet eens voor. Pas later werd bekend dat zij de manager, de voorzitter van de maatschap was. Er gingen geruchten dat het personeel zelf meisjes naar klanten bracht en dat er cocaïne gedeald zou worden. Ik werd zelf ook beschuldigd. Ik heb daarna tegen [betrokkene 5] gezegd dat ik een gesprek wilde met [betrokkene 2] en [betrokkene 5] erbij. [betrokkene 2] zei alleen: "dat hebben we gehoord". Ik zei toen dat ik niet langer bij de [A] wilde werken. [betrokkene 2] zei dat ik erover na moest denken. De rechter-commissaris vraagt waarom ik dat gesprek over het ontslag met [betrokkene 2] voerde. Ik denk dat [betrokkene 2] op dat moment voor iedereen het aanspreekpunt was, en niet [verdachte] . Een andere reden was dat [verdachte] niet als aanspreekpunt van de zaak werd gezien. Als er bijvoorbeeld iets stuk was of wat anders, was het makkelijker met [betrokkene 2] te bespreken dan met [verdachte] . Het was eigenlijk automatisch dat je dat soort dingen met [betrokkene 2] besprak. Als je als eigenaar van een zaak je gezicht niet laat zien, en niet met het personeel praat, dan trekken het personeel, de klanten en de dames daaruit bepaalde conclusies. Ze vragen zich af: wie deelt hier eigenlijk de lakens uit?
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 september 2011, door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren S019 en S073 (ordner 4 getuigen, dossierpagina 221 t/m 225). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang, als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Ik ben in 1991/1992 in dienst gekomen bij [A] en in 2002 ben ik ontslagen. Ik ben daar begonnen als barman. Wat heeft [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) verteld over de overname door [verdachte] ? [betrokkene 1] heeft ons meer dan duidelijk proberen te maken dat de man die het overnam, [verdachte] , niks met de onderwereld te maken had. [betrokkene 1] legde er zo vaak de nadruk op, dat het lachwekkend werd en hiermee aangaf dat het allemaal een groot toneelstuk was. [verdachte] was er alleen aan het begin van de avond. [verdachte] ( [verdachte] ) bleef, als hij er al was, meestal tot een uur of negen. [betrokkene 2] was er regelmatig. In ieder geval op dinsdagavond, dan was er clubavond van de [motorclub] . Dichter tegen het weekend aan was hij er altijd wel. [betrokkene 2] zat vaak in het hoekje van de bar.
V: Liet hij zich wel eens uit over zijn positie?
A: met [betrokkene 2] kon je wel praten. Hij stak het ook niet onder stoelen of banken.
9. Een geschrift, zijnde
een huurovereenkomstvan 25 mei 1999 betreffende het onroerend goed aan het [a-straat 1] en [b-straat 1]
(het hof begrijpt hier en verder voor zoveel nodig: [b-straat 1] )te [plaats] tussen [betrokkene 1] (verhuurder) en [verdachte] (huurder) (D-008). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
De ondergetekenden
1. [betrokkene 1] (hierna: verhuurder)
2. [verdachte] (hierna: huurder)
[…]
In aanmerking nemende:
Dat huurder en verhuurder hebben onderhandeld over de overname door huurder van verhuurder van de activa en exploitatie van de nachtclub [A] gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: te noemen: Nachtclub).
[...]
Dat verhuurder eigenaar is van het onroerend goed gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , alsmede van het onroerend goed gelegen aan [b-straat 1] te [plaats] waarin de exploitatie van de Nachtclub wordt uitgeoefend.
[…]
Zijn het volgende overeengekomen:
[…]
Artikel 4 duur Pro verlenging en opzegging
4.1
Duur.Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf (5) jaar, ingaande op mei 1999 en aldus voortdurend tot en met 30 april 2004.
4.2
Verlenging.De overeenkomst waarvan deze huurovereenkomst deel uitmaakt, voorziet in een koopoptie op het gehuurde door de huurder.
[...]
Artikel 5 betalingsverplichting Pro
5.1
Betalingsverplichting.De betalingsverplichting van huurder bestaat uit de huurprijs en de daarover verschuldigde omzetbelasting dan wel een daarmee overeenkomend bedrag in gevallen als bedoeld in artikel 6.3
5.2
Huurprijs.De huurprijs bedraagt f 440.000 per jaar te vermeerderen met BTW
10. Een geschrift, zijnde een
overeenkomst betreffende koop en verkoopvan activa tussen [B] B.V. (verkoper), vertegenwoordigd door haar enige bestuurder de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [H] B.V., vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 1] (verhuurder) en [medeverdachte] B.V. (koper) en [verdachte] , gedateerd
1 oktober 1999(D-005). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
In aanmerking nemende:
dat verkoper en [verdachte] hebben onderhandeld over de overname door koper van de activa en de exploitatie van de nachtclub [A] gevestigd aan het [a-straat 1] in [plaats] .
dat verhuurder eigenaar is van het onroerend goed gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , alsmede van het onroerend goed gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] waarin de exploitatie van de nachtclub wordt uitgeoefend.
dat partijen de voorwaarden en bepalingen waaronder zij bereid zijn de activa en de exploitatie van de nachtclub over te dragen c.q. over te nemen hierbij schriftelijk willen vastleggen.
Zijn liet volgende overeengekomen:
Artikel 2: koop Pro/verkoop en overdracht van activa
2.1
Verkoper verkoopt hierbij aan koper de activa.
[...]
Artikel 6 intellectuele Pro eigendomsrechten
6.1.
Intellectuele eigendomsrechten. Verkoper heeft een aantal intellectuele eigendomsrechten zoals een handelsnaam, merken en logo's in het bijzonder het recht op de handelsnaam en merk [A] .
[…]
Artikel 7 koopprijs Pro en betaling
7.1.
Koopprijs. De koopprijs voor de overname van de activa en de contracten bedraagt ƒ 4.000.000 (zegge: vier miljoen guldens)
Artikel 8 huurovereenkomst Pro en koopovereenkomst
8.1.
Huurovereenkomst. Op de overnamedatum zal verhuurder een huurovereenkomst aangaan met koper vanaf de overnamedatum met een gefixeerde huurprijs van 440.000 gulden per jaar.
8.2.
Koopoptie. Onder de opschortende voorwaarde van betaling door koper aan verkoper van de gehele activa koopprijs overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 (opschortende voorwaarde) verleent verhuurder aan koper [...] het recht om het onroerend goed van verhuurder te kopen voor een bedrag van 4.400.000 (zegge: vier miljoen vierhonderdduizend gulden) vrij op naam [...].
8.3.
Levering en betaling van onroerend goed. Indien de koopoptie door koper wordt uitgeoefend geldt liet navolgende.
8.4. [...]
Alle kosten van de levering en overdracht, waaronder begrepen de overdrachtsbelasting en het kadastrale recht, de notariële kosten ter zake van de koop en verkoop van het onroerend goed, alsmede de over die kosten verschuldigde omzetbelasting zijn voor rekening van verkoper. [...]
11. Een geschrift, zijnde een
akte van leveringbetreffende het onroerend goed aan het [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] tussen [betrokkene 1] en [verdachte] . deze laatste handelend als zelfstandig bevoegd directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [medeverdachte] B.V., gedateerd
31 januari 2002(D-004). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
Verkoper en koper hebben [...] een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan verkoper bij deze levert aan koper, die bij deze in eigendom aanvaardt:
Omschrijving registergoed(eren)
a. Het bedrijfspand met ondergrond en verder aanbehoren, staande en gelegen te [plaats] aan het [a-straat 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] , nummer […] .
b. Het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond van het gebouw plaatselijk bekend als [b-straat 1] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] , complexaanduiding […] , appartementsindex […] .
Koopprijs
De koopprijs van het verkochte bedraagt:
Een miljoen negenhonderd zesennegentigduizend zeshonderd tweeëndertig euro en vijfennegentig eurocent (1.996.632,95) ofwel viermiljoen vierhonderdduizend gulden (4.400.000.00).
12. Een geschrift, zijnde een verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir leveringsbeslag op onroerend zaak, appartementsrechten, roerende zaken en ook merkenrechten van 16 september 2010 (bijlage 6, persoonsdossier verdachte p. 31 t/m 39). Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
Op basis van de met [I] gesloten koopovereenkomst heeft [medeverdachte] zich als verkoper verplicht om aan [I] als koper de volgende zaken/vermogensrechten ten titel van koop te leveren:
A. Het bedrijfspand met ondergrond en verder aanbehoren, staande en gelegen te [plaats] op het adres [a-straat 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] , nummer […] .
Het appartemensrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond van het gebouw plaatselijk bekend te [postcode 2] [plaats] als [b-straat 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie […] , complexaanduiding […] . appartementsindex […] .
D. De merkenrechten zoals hierna te melden:
het woordmerk [D] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 18 november 1993 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] ;
het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] ;
het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer 0702518 voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] ;
het woordmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 23 november 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] en […] ;
het beeldmerk [A] . ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 25 februari 1986 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] , […] , […] , […] , […] , […] en […] ;
het beeldmerk [A] , ingeschreven onder nummer […] en gedeponeerd op 12 augustus 1987 onder nummer […] voor waren en/of diensten in de klassen […] en […] ;
E. De inventariszaken zoals die zich bevinden op de adressen:
[a-straat 1] te [plaats] en
[b-straat 1] te [plaats] .
13. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 26 oktober 2010 (D-006). Dit geschrift houdt in – kort en zakelijk weergegeven –
Rechtspersoon: besloten vennootschap
Naam [medeverdachte] B.V. (oude naam)
Statutaire zetel [plaats]
Akte van oprichting 15 juni 1999
Maatschappelijk kapitaal 100.000 euro
Geplaatst kapitaal 20.000 euro
Gestort kapitaal 20.000 euro
Adres [a-straat 1] te [plaats]
Bedrijfsomschrijving exploitatie van kamerverhuurbedrijf, verzorging van
entertainment in het algemeen en het verlenen van hostess-
service
Bestuurder [C] B.V.
In functie treding 15 juni 1999
Titel directeur
Bevoegdheid alleen/zelfstandig bevoegd
Handelsregisterhistorie
Rechtsvorm rechtspersoon in oprichting
Datum ingang 30 maart 1999
Bevoegde functionaris [C] BV
In functie treding 30 maart 1999
Uit functie treding 15 juni 1999
14. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 26 oktober 2010 (D-007). Dit geschrift houdt in – kort en zakelijk weergegeven –
Rechtspersoon: besloten vennootschap
Naam [C] B.V. (oude naam )
Statutaire zetel [plaats]
Akte van oprichting 15 juni 1999
Maatschappelijk kapitaal 100.000 euro
Geplaatst kapitaal 40.000 euro
Gestort kapitaal 40.000 euro
Adres [a-straat 1] te [plaats]
Bedrijfsomschrijving beheervennootschap
Enig aandeelhouder [verdachte] , [verdachte]
sinds 15 juni 1999
Bestuurder [verdachte] , [verdachte]
In functie treding 15-06-1999
bevoegdheid alleen/zelfstandig bevoegd
15. Een geschrift, zijnde een uittreksel uit het aandeelhoudersregister van [medeverdachte] B.V. met daarin de gegevens van de vennootschap vanaf 15 juni 1999, ondertekend door [verdachte] . (D025). Dit geschrift houdt in – kort en zakelijk weergegeven –
Naam en vestiging [medeverdachte] B.V.
Aandeelhouder [C] B.V.
Houder van 200 gewone aandelen genummerd 1 tot en met 200
Verkregen op 15 juni 1999 krachtens deelname in het kapitaal bij
oprichtingsakte
ondertekend door bestuurder [verdachte]
maatschappelijk kapitaal 100.000
geplaatst kapitaal 20.000
16. Een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2021 onder zaaknummer/rekestnummer C/13/705412/ HA RK 21-259, in de civiele zaak van [betrokkene 2] tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [medeverdachte] B.V. en [C] B.V. en [verdachte]
(het hof begrijpt: [verdachte] ).Deze beschikking houdt in voor zover hier van belang:
4.5.
[betrokkene 2] wil getuigen laten horen omdat [medeverdachte] c.s. ontkennen dat hij recht heeft op 50% (van de opbrengst) van het onroerend goed [A] . Hij wil bewijzen dat [verdachte] en hij dat in 1999 mondeling hebben afgesproken. [betrokkene 2] erkent dat [verdachte] en hij die afspraak nooit op papier hebben gezet of laten zetten en dat hij geen aandelen houdt in [medeverdachte] of [C] .
17. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 januari 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Dit proces verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:
Op woensdag 3 januari 2024 hebben wij op de rechtbank Amsterdam de afschriften van de voorlopige getuigenverhoren in de zaak [betrokkene 2] tegen [medeverdachte] BV, [C] BV en [verdachte] mogen inzien. In de ter beschikking gestelde documenten hebben wij gelezen dat op 27 juli 2023 voorlopige getuigenverhoren hebben plaatsgevonden met [betrokkene 2] en [betrokkene 5] .
18. Een geschrift, zijnde een akte van levering onder voorwaarden zonder kwijting, opgesteld op 15 december 2011, waarbij - kort en zakelijk weergegeven - verkoper ( [medeverdachte] BV) levert aan koper ( [J] BV ( [betrokkene 11] ) het pand [a-straat 1] te [plaats] en - kort gezegd - het appartementsrecht ten aanzien van het gebouw " [K] ” ( [b-straat 1] te [plaats] ).”
3.6
Onder feit 1 is door het hof bewezenverklaard dat de verdachte zich in de periode van 15 juli 2004 tot en met 15 december 2011 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Voorwerp van dat witwassen was, kort gezegd, de door [B] B.V. en [betrokkene 1] (middellijk eigenaar van [B] B.V.) overgedragen panden en/of appartementsrechten [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] (hierna ook wel gezamenlijk: de panden), de goodwill van de nachtclub en/of het prostitutiebedrijf [A] en de daarbij behorende activa en (intellectuele-eigendomsrechten op) beeld- en woordmerken (hierna ook wel gezamenlijk: de onderneming). Van deze voorwerpen heeft de verdachte tezamen met de vennootschap [medeverdachte] B.V. (waarvan de verdachte middellijk bestuurder was) en een ander persoon, waarmee het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen doelt op de [betrokkene 2] , verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op deze voorwerpen is. Voorts hebben zij deze voorwerpen voorhanden gehad en daarvan gebruikgemaakt. Dit alles terwijl de verdachte en zijn mededaders wisten dat deze voorwerpen geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.
3.7
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de overdracht van [A] in twee fasen is verlopen. In de eerste fase in 1999 werd de onderneming overgenomen en zijn de panden gehuurd. In de tweede fase volgde de overdracht van de panden.
3.8
De eerste fase is neergelegd in de voor het bewijs gebezigde overeenkomst betreffende koop en verkoop van activa van 1 oktober 1999 tussen [B] B.V. als verkoper, de [betrokkene 1] als verhuurder, [medeverdachte] als koper en de verdachte, in welke overeenkomst de overdracht van de onderneming is geregeld (voor 4.000.000 gulden). Met betrekking tot de verhuur van het onroerend goed volgt uit een huurovereenkomst van 25 mei 1999 (bewijsmiddel 9) dat de [betrokkene 1] de panden aan de verdachte verhuurt met ingang van 1 mei 1999, met een optie tot koop. Uit deze overeenkomsten leidt het hof af dat de onderneming [A] op 1 mei 1999 aan [medeverdachte] B.V. is overgedragen.
3.9
Voor wat betreft de tweede fase, de panden, stelt het hof vast dat [medeverdachte] B.V. op 31 januari 2002 eigenaar is geworden van het onroerend goed aan [a-straat 1] en [b-straat 1] te Amsterdam tegen betaling van 4.400.000 gulden (bewijsmiddel 11).
3.1
De betaling voor de overgang van de onderneming en de panden is volgens de verklaring van [betrokkene 2] als volgt gegaan:
(i) [betrokkene 1] financierde het hiervoor genoemde bedrag van totaal 8.400.000 gulden voor, dit bedrag is in de loop van de tijd aan [betrokkene 1] voldaan uit de opbrengsten van de onderneming; [2]
(ii) [betrokkene 2] heeft daarnaast 1 miljoen gulden in één keer contant aan [betrokkene 1] betaald;
(iii) de [verdachte] heeft eveneens daarnaast (in delen) 1 miljoen gulden contant aan [betrokkene 1] betaald;
(iv) [verdachte] en [betrokkene 2] hebben gezamenlijk 1,3 miljoen gulden voldaan aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de vorm van 500.000 gulden contant en 400 kg hasj (bewijsmiddel 5). [3]
3.11
Voor wat betreft de criminele herkomst van de onderneming en de panden, overweegt het hof dat (in ieder geval) het geld en de verdovende middelen genoemd onder (ii) en (iv) , van één of meer (niet nader bekend geworden) misdrijf/misdrijven afkomstig was/waren. Daartoe overweegt het hof dat (a.) een belangrijke indicatie is dat het grote geldbedrag in contanten is voldaan, (b.) [betrokkene 2] ten tijde van de overname van de onderneming in 1999 vicepresident van de [motorclub] [plaats] was, tegen leden van de [motorclub] – waaronder [betrokkene 2] – opsporingsonderzoeken en strafvervolging zijn ingesteld en [betrokkene 2] zelf heeft verklaard destijds een strafblad te hebben en (c.) [betrokkene 2] zich voor wat betreft de herkomst van het contant voldane bedrag zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. [4] Het hof is gelet hierop, “bij gebreke van een aannemelijke andersluidende verklaring over de herkomst van de betalingen, van oordeel dat het niet anders kan dan dat in ieder geval hetgeen door [betrokkene 2] is voldaan van enig misdrijf afkomstig was” en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat de koopsom, die in eerste instantie is voldaan door een contante betaling van 2 miljoen gulden, ten minste voor de helft – aldus het gedeelte dat door [betrokkene 2] is betaald – een criminele herkomst had. Het hof voegt daaraan toe dat om de koop te kunnen doen plaatsvinden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] moesten worden betaald en dat dit is gebeurd met crimineel vermogen en 400 kilo hasj. Verder stelt het hof vast dat de panden later zijn betaald uit de opbrengsten die na de eerdere verkoop van de onderneming zijn behaald met [A] en dat die onderneming toen reeds door de verdachte en medeverdachten ten minste voor de helft met crimineel geld was verkregen. Daarmee is sprake van vermenging van legale en criminele geldstromen zodat de bewezenverklaarde voorwerpen door deze vermenging van misdrijf afkomstig zijn, aldus het hof.
3.12
In de toelichting op het middel legt de steller van het middel aan de beide door hem geformuleerde deelklachten kort gezegd ten grondslag dat het openbaar ministerie steeds het standpunt heeft ingenomen dat de verdachte de onderneming en de panden heeft verkregen door afpersing (door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ). Door, na de getuigenverklaringen ter zitting van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] , niet meer uit te gaan van verkrijging door afpersing, maar door betaling met uit misdrijf verkregen geld en verdovende middelen, is sprake van een geval waarin door het hof “de bordjes fundamenteel zijn verhangen”. Ik zou hierop de nuancering willen aanbrengen dat het hof niet heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een afpersing gericht op de overdracht van [A] , maar dat die vraag in het midden kan blijven, waarna het hof heeft geoordeeld als hiervoor samengevat.
3.13
De
eerste deelklachtkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de door [betrokkene 2] ingebrachte gelden uit misdrijf afkomstig zijn, met name dat het hof dit oordeel mede heeft gebaseerd op de overweging dat [betrokkene 2] heeft geweigerd te verklaren over de herkomst van deze gelden. Daarmee zou de verdachte ten onrechte zijn gehouden tot de “onmogelijke” opgave om een verklaring te geven voor de herkomst van de gelden van een ander.
3.14
Dat het hof van de verdachte een dergelijke verklaring heeft verlangd dan wel zijn oordeel mede heeft gebaseerd op het uitblijven van een dergelijke verklaring, lees ik niet in het arrest. Het hof heeft overwogen dat uit het feit dat [betrokkene 2] , als een eerder gestrafte en thans van strafbare feiten verdacht persoon die leiding geeft aan een organisatie die van strafbare feiten wordt verdacht, kan beschikken over een contant geldbedrag van in totaal 1.500.000 gulden en 400 kg hasj, een sterke aanwijzing volgt dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Bij gebreke van een aannemelijke andersluidende verklaring heeft het hof deze aanwijzingen voldoende geacht voor het bewijs dat de gelden (net als uiteraard de verdovende middelen) inderdaad een criminele herkomst hebben.
3.15
Deze wijze van bewijsvoering van het hof is in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad over de vaststelling van de criminele herkomst van een voorwerp bij een onbekend gebleven gronddelict, waarvan hier volgens het hof sprake is. [5] Bewezenverklaard is verder meer specifiek dat de verdachte samen met anderen de onderneming en de panden voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt en dat zij de rechthebbende op die goederen hebben verborgen en/of verhuld. Uit de aangehaalde bewijsoverwegingen volgt dat het hof daarbij heeft geoordeeld dat de onderneming en de panden (op zijn minst) gedeeltelijk en middellijk van misdrijf afkomstig zijn. Niet [A] zelf, maar (een deel van) het geld waarmee [A] is verworven, is afkomstig van een misdrijf. Ik acht het niet problematisch dat bij het oordeel over de herkomst van deze gelden enkel wordt betrokken dat een verklaring daarvoor ontbreekt van degene die de gelden heeft ingebracht.
3.16
Een andere vraag is of een medeverdachte, zoals de verdachte, wetenschap had van deze criminele herkomst. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte deze wetenschap had en heeft dit onder andere gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 2] . Tegen dit oordeel is de klacht niet gericht.
3.17
De eerste deelklacht faalt.
3.18
De
tweede deelklachthoudt in dat de bewezenverklaring niet naar de eisen de wet met redenen is omkleed omdat de verklaringen van [betrokkene 1] enerzijds en [betrokkene 2] anderzijds “onderling onverenigbaar zijn”.
3.19
Voor zover daarmee wordt betoogd dat de concreet voor het bewijs gebruikte verklaringen van [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 1 en 2) en [betrokkene 2] (bewijsmiddel 5) naar inhoud onderling tegenstrijdig zijn, wordt in het middel niet nader uiteengezet op welke punten dit het geval is. Kort gezegd verklaart [betrokkene 1] over de schriftelijk vastgelegde overeenkomsten voor de overdracht van de onderneming en de panden. [betrokkene 2] heeft het daarentegen over een aanvullende, mondelinge en geheime overeenkomst. Beide overeenkomsten kunnen naast elkaar bestaan.
3.2
De toelichting op het middel lijkt echter ook op een tegenstrijdigheid te doelen in die zin dat de overdracht van [A] volgens [betrokkene 1] ter voldoening was van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en volgens [betrokkene 2] niet. De steller van het middel voert aan dat geen geld en verdovende middelen zijn overgedragen als betaling voor (de onderneming) [A] , omdat deze gelden en verdovende middelen volgens [betrokkene 2] zijn afgedragen aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en nadrukkelijk niet aan de eigenaar [betrokkene 1] als eigenaar van [A] . Bovendien heeft [betrokkene 1] nooit een betaling aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] gedaan. Daaraan wordt toegevoegd dat deze betaling c.q. schadeloosstelling van de derden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] geen onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst, zodat niet zonder meer begrijpelijk is om welke redenen het hof tot de gevolgtrekking komt dat dit bedrag betaald moest worden voor het doorgaan van de koop. Gelet daarop maakt deze betaling in geld en verdovende middelen aan derden niet dat [A] is verkregen door van misdrijf verkregen geld en/of goederen. Daarmee bestrijdt de steller van het middel het oordeel van het hof dat mede door de betaling aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de onderneming en de panden uit enig misdrijf afkomstig zijn.
3.21
Volgens vaste rechtspraak kan een voorwerp in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig (…) uit enig misdrijf’ als het afkomstig is uit een misdrijf in de zin van art. 420bis Sr dat is gepleegd voorafgaand aan de in art. 420bis Sr genoemde witwashandelingen (in dit geval het voorhanden hebben, gebruiken en verbergen/verhullen van de rechthebbende van [A] ). [6] Met de (toenmalige) AG’s Bleichrodt [7] en Aben [8] en met verschillende stemmen in de literatuur [9] ben ik van mening dat de woorden ‘afkomstig uit’ een causale relatie eisen, in die zin dat het gronddelict het voorwerp (vermogensbestanddeel) moet hebben voortgebracht. Dit is meer dan enkel een chronologisch verband in de zin dat het gronddelict vooraf moet gaan aan de witwashandelingen. Het is ook meer dan een conditio sine qua non-verband. Zo mag het gronddelict niet te ver verwijderd zijn van de oorsprong van het voorwerp, hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn als nog een ander strafbaar feit staat tussen een gesteld gronddelict en het voortgebrachte voorwerp. [10]
3.22
Daarbij teken ik aan dat deze rechtspraak en literatuur betrekking hebben op de vraag of voorwerpen rechtstreeks uit een bekend gronddelict afkomstig zijn. In de onderhavige zaak is sprake van voorwerpen, te weten (de rechten op) de activa van [A] , die niet rechtstreeks, maar middellijk afkomstig zijn uit misdrijf door de besteding van gelden die op hun beurt afkomstig zijn uit een onbekend gronddelict. [11] Omdat ook dan ‘afkomst uit enig misdrijf’ is vereist, geldt de causaliteitseis onverminderd, met dien verstande dat wordt aanvaard dat met het voorwerp dat rechtstreeks door het gronddelict is voortgebracht een handeling wordt verricht die weer een ander voorwerp voortbrengt. Hierin is een relativering van het causaliteitsvereiste te herkennen in die zin dat het oorzakelijk verband uit verschillende opeenvolgende stappen mag bestaan. [12] Bovendien worden geen nadere eisen gesteld aan de handeling met het uit misdrijf afkomstige voorwerp die het andere voorwerp voortbrengt.
3.23
Het hof heeft geoordeeld dat betaling van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] een noodzakelijke voorwaarde was voor het laten plaatsvinden van de overdracht van [A] . Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat een causaal verband bestaat tussen enerzijds de betaling van de uit misdrijf afkomstige 500.000 gulden en 400 kg hasj aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en anderzijds de verkrijging van de onderneming en de panden door de verdachte en [betrokkene 2] , waardoor ook in zoverre (de rechten op) de activa in [A] middellijk door misdrijf zijn verkregen. Dat oordeel acht ik gelet op de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 5) niet onbegrijpelijk. Aan die begrijpelijkheid wordt niet afgedaan door de als bewijsmiddel gebruikte verklaring van [betrokkene 1] . Diens uitlatingen over de afpersing door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] onderbouwen immers de vaststelling van het hof dat de betaling aan deze heren een noodzakelijke voorwaarde was voor de verkrijging van de onderneming en de panden, waarbij het hof het verband legt tussen de ‘schade’ van 1,3 miljoen gulden die [betrokkene 1] zou hebben veroorzaakt en de betaling van dit bedrag aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . [13]
3.24
Van de tegenstrijdigheid die in de klacht wordt genoemd, is dus geen sprake. Alleen al daarom kan worden voorbijgegaan aan de hierop gebaseerde klacht dat het hof ambtshalve [betrokkene 1] had moeten horen, dan wel dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Voor een verdere toets van het oordeel van het hof, verweven als het is met vaststellingen van feitelijke aard, is in cassatie geen ruimte.
3.25
Ook de tweede deelklacht faalt en daarmee het middel in zijn geheel.

4.Het derde middel

4.1
In het derde middel wordt geklaagd over de bewezenverklaring van feit 3. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
4.2
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het verzenden van een balans kwalificeert als openbaarmaking in de zin van art. 336 Sr Pro getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd. Dit nu uit de bewijsvoering volgt dat de informatie enkel is toegezonden aan Dienst Justis in het kader van een Bibob-procedure, de informatie die in het kader van een Bibob-procedure wordt verkregen onder een in de wet opgenomen geheimhoudingsverplichting valt en behoudens uitzonderingsgevallen niet met derden mag worden gedeeld, terwijl openbaarmaking in de zin van art. 336 Sr Pro beoogt te voorkomen dat het brede publiek wordt misleid door de publicatie van de balans, met name om te voorkomen dat men op basis van die stukken besluit zaken te doen met de betrokken (rechts)persoon.
4.3
De tweede deelklacht houdt in dat de verdachte is veroordeeld als pleger, terwijl uit de bewijsvoering niet blijkt dat het de verdachte is geweest die de antwoordbrief aan Dienst Justis, met als bijlage een onware balans, heeft gestuurd nu deze brief – die geadresseerd was aan zowel de verdachte als [betrokkene 12] – ook door [betrokkene 12] of een derde (bijvoorbeeld een boekhouder) kan zijn verzonden.
De tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
4.4
Onder feit 3 is tenlastegelegd dat:
“3.
hij, als vennoot van de vennootschap onder firma VOF [L] en/of als koopman, op of omstreeks 11 augustus 2014 en/of 30 oktober 2014 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk
een onware staat en/of (een) onware (geconsolideerde) balans, en/of een onware (geconsolideerde) winst en verliesrekening en/of een staat van baten en lasten en/of een onware toelichting op (een van) die stukken van die vennootschap onder firma VOF [L]
openbaar heeft gemaakt, dan wel de openbaarmaking hiervan opzettelijk heeft toegelaten.
immers heeft verdachte in de 'Antwoorden op vragenbrief 16 oktober 2014 mbt Bibob onderzoek [L] vof, dhr en mw [verdachte] 30-10-2014' aan Dienst Justis, Ministerie van Veiligheid en Justitie (pag. 164), onder 7a en 7b vermeld dat de drie leningsovereenkomsten door [N] betrekking hebben op [L] vof met verwijzing naar de jaarstukken die bij het betreffende antwoordenbrief zijn gevoegd en/of
- op de balans per 31 december 2013 onder de post 'langlopende schulden' een langlopende schuld van 652.938,- euro opgenomen (pag. 1170),
terwijl dit/deze bedrag(en) van 652.938,- euro geen langlopende schuld(en) betrof(fen).”
4.5
Het hof heeft onder feit 3 bewezenverklaard dat:
“3
Hij, als vennoot van de vennootschap onder firma VOF [L] , op 30 oktober 2014 in Nederland, opzettelijk een onware balans, en een onware toelichting op die stukken van die vennootschap onder firma VOF [L] , openbaar heeft gemaakt,
immers heeft verdachte in de 'Antwoorden op vragenbrief 16 oktober 2014 mbt Bibob onderzoek [L] vof, dhr en mw [verdachte] 30-10-2014' aan Dienst Justis, Ministerie van Veiligheid en Justitie, onder 7a en 7b vermeld dat de drie leningsovereenkomsten door [N] betrekking hebben op [L] vof met verwijzing naar de jaarstukken die bij de betreffende antwoordenbrief zijn gevoegd en op de balans per 31 december 2013 onder de post 'langlopende schulden' een langlopende schuld van 652.938,00 euro opgenomen, terwijl dit bedrag van 652.938,00 euro geen langlopende schuld betrof.”
4.6
Het onder feit 3 bewezenverklaarde is vervolgens door het hof gekwalificeerd als “het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware balans”.
4.7
Het hof heeft ten aanzien van onder meer feit 3 het navolgende overwogen:

Ten aanzien van de feiten 2 en 3
Ten aanzien van feiten 2 en 3 neemt het hof over de overwegingen van de rechtbank en de bewijsmiddelen waarop deze gebaseerd zijn, zoals opgenomen in paragraaf 4.3.2 en 4.3.3 van het vonnis. Het vonnis wordt om die reden als bijlage bij dit arrest gevoegd.”
4.8
De door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank luiden als volgt (met overneming en vernummering van voetnoten):

4.3.2. Witwassen van 1.325.000 gulden uit drie leningen (feit 2) - veroordeling
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte ruim 1.3 miljoen gulden heeft witgewassen. [14]
In de administratie van verdachte zijn drie leningsovereenkomsten uit 1982, 1985 en 1987 aangetroffen tussen het bedrijf van verdachte (ontvanger) en het bedrijf [N] in Costa Rica (uitlener). Het gaat in totaal om 1.325.000 gulden. [15]
Voor een veroordeling voor witwassen moet de rechtbank vaststellen:
- dat het geld van misdrijf afkomstig was,
- dat verdachte dat wist (opzetwitwassen) of redelijkerwijs moest vermoeden (schuldwitwassen) en
- dat verdachte daarmee een of meer witwasgedragingen heeft verricht (bijvoorbeeld voorhanden hebben of verhullen van rechthebbende/ herkomst / vindplaats).
Van misdrijf afkomstig?
In het dossier zit geen bewijsmiddel waaruit rechtstreeks blijkt dat het geld van misdrijf afkomstig is. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig zijn, kan witwassen in bepaalde gevallen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het geld. Zo'n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van dat geld worden bewezen.
Vermoeden van witwassen
De directeur van [N] is [betrokkene 13] , die zich ook [betrokkene 14] en [betrokkene 15] , noemt. [16] De rechtbank duidt hem hierna aan als [betrokkene 13] . [betrokkene 13] is in de jaren '80 in Frankrijk en Zwitserland veroordeeld voor betrokkenheid bij grootschalige internationale handel in verdovende middelen en fraude. In 1986 is [betrokkene 13] samen met [betrokkene 16] , volgens [betrokkene 1] een vriend van verdachte, in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar voor de handel in verdovende middelen en fraude. [17] In het Franse onderzoek is een schema aangetroffen met de namen van [betrokkene 16] en van verdachte. [18] In een ander Frans onderzoek naar drugshandel is een schema aangetroffen waarin [betrokkene 13] centraal staat en in direct verband wordt gebracht met onder andere [betrokkene 16] en [verdachte] . [19] Ook staat verdachte in een schema met [betrokkene 13] , met betrekking tot de smokkel van koffers heroïne. [20] [betrokkene 13] is in 1981 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij handel in honderdtachtig kilo heroïne. Bij die aanhouding was [betrokkene 13] in het gezelschap van verdachte en is bij verdachte 18.000 dollar en 12.000 Zwitserse franken in beslag genomen. [21]
Verdachte heeft verklaard dat het geld van [N] deels contant op zijn rekening is gestort en deels contant vanuit Engeland overgemaakt op diezelfde rekening. [22] Op de leningsovereenkomsten staat dat ze zijn aangegaan voor tien jaar, met een rentepercentage van zeven procent per jaar. Er worden geen zekerheden gesteld. [23] Verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft afgelost op de leningen en geen rente heeft betaald. Dit blijkt ook uit jaarrekeningen van 2006 tot en met 2009 en de aangifte inkomstenbelasting uit 2012. [24]
De rechtbank concludeert hieruit dat hoewel verdachte en [betrokkene 13] geen zakelijke banden hadden, [betrokkene 13] aan verdachte een flink bedrag ter beschikking heeft gesteld, zonder enige vorm van zekerheidstelling. Dat is gebeurd in de vorm van drie leningen, van het bedrijf van [betrokkene 13] aan het bedrijf van verdachte, terwijl er feitelijk, anders dan in de overeenkomsten staat, geen verplichting tot rentebetaling of aflossing bestond. Het geld is gedeeltelijk contant en gedeeltelijk via het buitenland op de rekening van het bedrijf van verdachte gestort. [betrokkene 13] werd in die periode veelvuldig verdacht van drugshandel, waarvoor hij in 1986 ook is veroordeeld. Op grond van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien vindt de rechtbank dat sprake is van een zeer stevig vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig is. Dat betekent dat van verdachte een verklaring over de legale herkomst van het geld mag worden verlangd.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft geen verklaring gegeven over de legale herkomst van het geld. Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij niets wist van het drugsverleden van [betrokkene 13] . Hij dacht dat [betrokkene 13] een sjeik was en dat hij zijn geld verdiende met de handel in goud en zilver. Verdachte heeft [betrokkene 13] niet gevraagd naar de herkomst van de 1,3 miljoen gulden omdat hij wist dat [betrokkene 13] heel rijk was. Op grond van deze verklaring van verdachte, die hij deels pas op de zitting heeft gegeven, heeft het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek hoeven doen.
Tussenconclusie: van misdrijf afkomstig
De rechtbank vindt dat het niet anders kan zijn dan dat de ruim 1,3 miljoen gulden die verdachte van [betrokkene 13] heeft ontvangen uit misdrijf afkomstig is.
Opzetwitwassen
De rechtbank vindt dat verdachte ook wist dat het om geld uit misdrijf ging. Dat verdachte niet zou hebben geweten van [betrokkene 13] 's betrokkenheid bij drugshandel vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig gelet op het feit dat [betrokkene 13] en verdachte in een aantal onderzoeken naar drugshandel samen voorkomen, en [betrokkene 13] en [betrokkene 16] daarvoor beiden veroordeeld zijn tot lange gevangenisstraffen. Ook is [betrokkene 13] in het bijzijn van verdachte aangehouden en werd een fors bedrag bij verdachte in beslag genomen. De rechtbank leidt hier uit af dat verdachte wist dat [betrokkene 13] zijn geld verdiende met de handel in drugs.
Witwasgedraging: verhullen werkelijke aard
De rechtbank stelt vast dat feitelijk nooit sprake is geweest van een lening van het bedrijf van [betrokkene 13] aan het bedrijf van verdachte. Verdachte heeft nooit 1 rente- of aflossingsbetaling gedaan, en [betrokkene 13] heeft hem daar ook nooit om gevraagd. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het van meet af aan duidelijk was dat hij het geld niet terug hoefde te betalen. De notariële akte uit 2014 waarin [betrokkene 13] zegt vanaf die datum het eerdere geleende geld aan verdachte te schenken, maakt dat niet anders. De akte verschijnt schijnbaar uit het niets en ruim nadat duidelijk is dat het onderzoek zich ook op de drie leningsovereenkomsten richt. De rechtbank kan deze akte niet meer verifiëren. De mededeling in 2014 maakt echter niet dat verdachte en [betrokkene 13] in 1982, 1985 en 1987 daadwerkelijk (dus niet uitsluitend op papier) leningsovereenkomsten zijn aangegaan. De rechtbank vindt dan ook dat de drie leningsovereenkomsten door [betrokkene 13] en verdachte zijn opgemaakt om de werkelijke aard en herkomst van het geld te verhullen en daar een zakelijke titel aan te geven. Door het geldbedrag in de boekhouding als langlopende schuld op te nemen, heeft verdachte de verhulling van de werkelijke aard voortgezet. Dat betekent dat verdachte zich in de hele periode van de tenlastelegging, augustus 2004 tot en met augustus 2016 schuldig heeft gemaakt aan witwassen. In die periode, 17 jaar na de laatste leningsovereenkomst, had verdachte het geld al lang uitgegeven en dus niet meer voorhanden. Voor wat betreft het verhullen gaat het hier weliswaar om een lange periode en hoge bedragen, maar feitelijk heeft verdachte, binnen deze tenlastelegging, na 1987 geen nieuwe bedragen meer witgewassen, maar is hij steeds de eerdere bedragen blijven verhullen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank dat er geen sprake is van gewoontewitwassen. Er zijn geen aanknopingspunten dat verdachte het verhuld houden van de werkelijke aard van het geld van [betrokkene 13] samen met iemand anders heeft gedaan. Van het medeplegen van witwassen wordt hij vrijgesproken.
4.3.3.
Het openbaar maken van een onware balans (feit 3) - veroordeling
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte een onware balans openbaar heeft gemaakt door deze aan Dienst Justis (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te sturen.
Verdachte heeft in het kader van een Bibob-procedure een vragenbrief ontvangen op 16 oktober 2014. De vragen zien onder andere op de drie leningen waar de beschuldiging onder 2 op ziet. Op 30 oktober 2014 hebben verdachte en zijn vrouw een reactie op de vragenbrief naar Dienst Justis gestuurd waarin zij schrijven dat de leningen zien op [L] VOF waarbij zij verwijzen naar de bijgevoegde jaarstukken. [25] Bij deze stukken zit een balans per 31 december 2013 waarop onder de post "langlopende schulden" een schuld van € 652.938 is opgenomen.
De rechtbank vindt dat geen sprake is geweest van leningen, zie ook hiervoor over feit 2. en dat ten onrechte een schuld op de balans is opgenomen. Doordat verdachte de balans aan Dienst Justis heeft verstrekt, heeft hij die openbaar gemaakt. Verdachte heeft zich daarom als vennoot van [L] VOF schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een onware balans.”
De bespreking van het middel
4.9
De
eerste deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een openbaarmaking in de zin van art. 336 Sr Pro. Dit artikel luidt als volgt:
“De koopman, de bestuurder, beherende vennoot of commissaris van een rechtspersoon of vennootschap, die opzettelijk een onware staat of een onware balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een van die stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
4.1
De wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van dit artikel vermeldt onder meer het volgende: [26]
“De heer DE SAVORNIN LOHMAN,
lid der Commissie van Rapporteurs; Een enkel woord tot toelichting van ons nieuw artikel. Het artikel geldt niet voor valsche balansen, althans niet voor zoover die balansen kunnen geacht worden tot bewijs bestemd te zijn, vermits in dat geval art. 225, handelende over de valschheid, van toepassing is. Maar dit artikel gaat eenigzins verder en bepaalt daarom ook eene niet zoo hooge straf [destijds een jaar; MvW] als in art. 225 [destijds vijf jaren; MvW] is bepaald. Het gaat verder, omdat het de publicering van onware balansen straft, onverschillig of die al dan niet overeenkomen met wat er in de boeken voorkomt. Het geval kan zich ook voordoen, dat een koopman in het geheel geen balans heeft in zijne boeken; dan zou hij niet kunnen gestraft worden wegens valschheid, altijd gesteld, dat een balans een bewijsstuk is; maar dan kan hij toch het publiek misleiden door een onwaren staat zijner boeken te publiceren. Met het oog daarop is deze bepaling gemaakt.
De heer MODDERMAN,
Minister van Justitie: Gelijk ik reeds aan de Commissie te kennen gaf, neem ik dit artikel gaarne in het ontwerp op. Ook ik stel er prijs op uitdrukkelijk te constateren, dat het hierbedoelde misdrijf niet is een species van valschheid, maar zelfstandig naast het misdrijf van valschheid staat. Wanneer in de boeken zelve een valsche balans is ingeschreven, kan er vervolging plaats hebben wegens valschheid in geschriften van koophandel, natuurlijk in zoover
in concretodie balans of de daarmede onafscheidelijk verbonden staat iemand eenig regt geeft of bestemd is tot bewijs in regten te strekken. Maar als er geen balans in de boeken staat of wel een deugdelijke balans in de boeken is ingeschreven, kan toch door de publicatie van een balans die den waren staat van zaken niet aanwijst, groot nadeel gesticht worden. Dikwerf zal er dan poging tot opligting zijn, doch dikwerf ook niet. Voor alle zekerheid make men dus van het feit ook een zelfstandig delict.
De heer VENING MEINESZ: Dit amendement, pas zoo even rondgedeeld, heeft, dunkt mij, eene tamelijk ruime strekking, die het moeijelijk is zoo dadelijk geheel te overzien; maar het komt mij toch voor, dat het te ver gaat. Wanneer alleen gesproken wierd van bestuurders van naamlooze vennootschappen of coöperative vereenigingen, zou ik er mij mede kunnen vereenigen, omdat die met een beperkt kapitaal werken en het publiek mag vorderen door de bestuurders niet op een dwaalspoor te worden gebragt. Maar een koopman strafbaar te stellen, omdat hij eene onware balans openbaar maakt, om welke reden ook, zou te ver gaan. Ik geef dus den Minister in overweging, de strafbaarheid te beperken tot bestuurders van naamlooze vennootschappen en coöperative vereenigingen.
De heer VAN GENNEP: Welk algemeen belang is er mede gemoeid, wanneer een gewoon koopman, geen naamlooze vennootschap, eene onware balans openbaar maakt. De Minister zegt dat het nieuwe misdrijf afgescheiden kan zijn van, maar toch eenigermate betrekking heeft op valschheid in geschriften. Maar voor de strafbaarheid van die valschheid is het noodig, dat er eenig nadeel uit kan ontstaan, en daarom moet ook hier die mogelijkheid van nadeel voor derden als criterium worden gesteld. Immers wanneer ik pleizier heb om zonder iemand te willen benadeelen, zonder zelfs iemand te kunnen benadeelen, misschien om mijne waar aan te prijzen, — om te bluffen, hoor ik daar zeggen, — en een groot denkbeeld van mijne zaken te geven, eene onware balans openbaar maak, welk nadeel heeft daar het publiek bij? Daarom acht ik de opneming van het door mij bedoeld criterium noodig.
De heer MODDERMAN,
Minister van Justitie: Het opnemen van dit element van strafbaarheid zou aan het misdrijf geheel noodeloos den valschen schijn geven van valschheid. Geheel noodeloos. De vorige geachte spreker vreest dat de koopman soms een valsche balans publiceert uit bluf. Als dergelijke casus
non dabiliszich voordeed, dan moet men voor dien bluf maar eens een dag gevangenis ondergaan. Laat ons liever denken aan het feit zoo als het in werkelijkheid voorkomt.
De heer Vening Meinesz acht beperking tot directeuren van naamlooze vennootschappen en coöperatieve vereenigingen noodig. Mij dunkt dat juist de ervaring ons geleerd heeft dat ook van individuele kooplieden publicatie van onware balansen te vreezen is. Kan het niet voorkomen dat een koopman, die tot dusver zaken deed voor eigen rekening, eene onware balans gebruikt als middel om eerst eene commanditaire, ten slotte welligt eene naamlooze vennootschap in het leven te roepen?
De heer VAN GENNEP: Ik moet opkomen tegen het beweren van den Minister, dat hier geen misdadig oogmerk omschreven moet zijn. Ik stelde het geval dat iemand de handeling pleegde zonder misdadig oogmerk. Nu klinkt het zeer aardig te zeggen dat die man dan maar voor zijne onvoorzigtigheid moet gestraft worden; maar is dit strafregtelijk juist, is dit het doel van het artikel? Het doel is het misdadig oogmerk te straffen. De Minister zegt: het is een casus non dabilis, dat iemand voor zijn pleizier dergelijke handeling zal verrigten. Maar waarom heeft men dan in art 334 de Pro woorden opgenomen „met oogmerk om zich of een ander wederregtelijk te bevoordeelen”? Wanneer die woorden daarin niet waren opgenomen en dezerzijds op die opneming ware aangedrongen, zou de Minister met meer regt welligt hebben kunnen zeggen: iemand die door het verspreiden van een logenachtig berigt den prijs van koopwaren, fondsen, enz. doet stijgen, moet maar voor die handeling gestraft worden. Doch daar achtte hij die woorden noodig, en te regt. De strafwet moet voorzien de mogelijkheid dat iemand het feit pleegt zonder misdadig doel, en daarom moet dit doel omschreven worden. Daarom zou ik wenschen dat ook in het nieuwe art. 335a de woorden: „met het oogmerk om zich of een ander wederregtelijk te bevoordeelen”, of iets dergelijks, werden opgenomen; de regter kan dan beoordeelen, of in het geval dat zich voordoet een misdadig oogmerk al dan niet aanwezig is.
De heer DE SAVORNIN LOHMAN,
lid der Commissie van Rapporteurs: Ik geloof dat het publiceren van eene verkeerde balans altijd er toe kan leiden, dat iemand misleid wordt, al kan men het niet bewijzen. Het gevaar daarvoor bestaat zeker, klaar in art. 334 moet Pro het oogmerk bepaald bewezen worden, omdat anders ieder, die te goeder trouw een berigt in de couranten doet opnemen omtrent de plaatsing van schuldbrieven, dat in strijd is met de waarheid, vervolgd zou kunnen worden. Dit is onmogelijk. Hier moet bepaald bewezen worden, dat de man, van wien het berigt afkomstig is, wist dat het berigt onwaar was. Maar in het geval van art. 335a [nu art. 336 Sr Pro; MvW] wist de koopman, die het berigt mededeelde, dat het onwaar is, want het betreft eene mededeeling uit zijne eigene boeken.”
4.11
Uit het voorgaande volgt dat de strafbaarstelling, geplaatst in de “Titel XXV. Bedrog” van het Wetboek van Strafrecht, verband houdt met de destijds geldende opvatting dat valse balansen mogelijkerwijs niet onder het bereik van art. 225 Sr Pro vallen en dat aan dergelijke stukken dermate grote belangen verbonden zijn dat strafrechtelijke bescherming tegen valsheid van die stukken nodig is. [27] Het gaat daarbij in het bijzonder om de bescherming van het publiek tegen misleiding, zodat het vertrouwen van het publiek in de juistheid van deze stukken, mede gelet op de daarbij betrokken belangen, wordt beschermd. [28]
4.12
Onder openbaarmaking zal in ieder geval kunnen worden begrepen de deponering van stukken bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor zover deze stukken door een ieder kunnen worden ingezien. [29] Ook in andere gevallen kan echter sprake zijn van openbaarmaking. De Hoge Raad overwoog hierover in 1924: “al is zeker niet iedere bekendmaking van een balans aan enkele personen te beschouwen als een openbaarmaking in den zin van artikel 336 Sr Pro., daaronder wel is te begrijpen het verspreiden van de balans eener bankinstelling onder cliënten, aandeelhouders en bevriende instellingen”. [30] Doorenbos merkt hierover op dat het ook kan gaan om toezending van een jaarrekening of onderdelen daarvan aan een beperkt aantal categorieën belanghebbenden, maar dat verdedigbaar is dat verstrekking aan slechts enkele personen geen openbaarmaking inhoudt. [31] Niet is vereist dat de openbaarmaking door enige wettelijke of statutaire bepaling is geboden. [32]
4.13
Het hof heeft door bevestiging van het vonnis van de rechtbank vastgesteld dat de verdachte in het kader van een Bibob-procedure een vragenbrief heeft ontvangen van de Dienst Justis van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Als antwoord op deze brief is aan de Dienst Justis onder andere een balans met toelichting gezonden van 31 december 2013, die volgens het hof onwaar is. Over toezending aan andere personen of instanties heeft het hof niets vastgesteld.
4.14
Gelet op het geschetste kader kan de enkele toezending van de balans met toelichting aan één overheidsinstantie niet als openbaarmaking worden aangemerkt, ook als binnen de (ondersteunende) organisatie van dit orgaan feitelijk meer dan enkele personen kennisnemen van de balans. De balans is immers overgelegd aan het orgaan als zodanig en het is diens vertrouwen in de balans dat op het spel staat. Van openbaarmaking zou eventueel wel sprake kunnen zijn als de balans door het betreffende bestuursorgaan verder zou worden verspreid of deze informatie voor een grotere groep personen in te zien of opvraagbaar zou zijn. Ook daarover heeft het hof echter niets vastgesteld.
4.15
Openbaarmaking volgt ook niet zonder meer uit het karakter van een Bibob-procedure. De Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur voorziet, kort gezegd, in de mogelijkheid voor bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak om beschikkingen (art. 3 Wet Pro Bibob), het geven van opdrachten (art. 5 Wet Pro Bibob) of vastgoedtransacties (art. 5a Wet Bibob) te weigeren als het gevaar bestaat dat zij dienen voor criminele activiteiten. Daartoe kan het betreffende bestuursorgaan of de rechtspersoon onderzoek doen naar degenen die bij deze handelingen betrokken zijn. Dit onderzoek kan ook worden uitgevoerd door het Landelijk Bureau Bibob (art. 9 Wet Pro Bibob), dat is ondergebracht bij de Dienst Justis van het ministerie van (thans) Justitie en Veiligheid. [33] Dit bureau is bevoegd gegevens op te vragen bij betrokkenen (art. 12 lid 3 Wet Pro Bibob).
4.16
Op de gegevens die het Bureau verkrijgt in het kader van zijn taak, is de Wet open overheid niet onverkort van toepassing (art. 20 Wet Pro Bibob). Bovendien geldt een algemene geheimhoudingsplicht voor degenen die kennis krijgen van deze gegevens (art. 28 lid 1 Wet Pro Bibob). Voor de gegevens die uiteindelijk in het advies van het Landelijk Bureau Bibob terechtkomen, geldt een beperkt verstrekkingsregime (art. 28 lid 2 Wet Pro Bibob).
4.17
Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de verdachte de balans en de toelichting daarop openbaar heeft gemaakt niet zonder meer begrijpelijk. De eerste deelklacht slaagt en daarmee het middel. De
tweede deelklachtzal ik dan ook onbesproken laten.

5.Het eerste middel

5.1
Het eerste middel houdt in dat het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de hoedanigheid van de [verdachte] als verdachte natuurlijk persoon enerzijds en zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon [medeverdachte] B.V. anderzijds en de ter terechtzitting afgelegde verklaring heeft aangemerkt als een verklaring van de [verdachte] in beide hoedanigheden. Daarmee heeft het hof de verklaring in strijd met art. 341 lid 3 Sv Pro voor het bewijs gebruikt. Daarnaast is het in art. 311 lid 4 Sv Pro neergelegde recht op het laatste woord geschonden, nu uit het proces-verbaal ter terechtzitting niet blijkt of aan de [verdachte] als verdachte natuurlijk persoon dan wel als vertegenwoordiger van de rechtspersoon [medeverdachte] B.V. de gelegenheid is geboden het laatste woord te voeren.
5.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummers: 23-000007-21 ( [medeverdachte] B.V.) en 23-000008-21 ( [verdachte] )
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzittingen van de meervoudige kamer voor strafkamer van dit gerechtshof op
5 februari 2024 en 4 maart 2024.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.F.J.M. de Werd, voorzitter,
mr. J.L. Bruinsma en mr. B.E. Dijkers, leden,
mr. S. Egidi, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.B. Develing, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaken tegen de hierna te noemen verdachten uitroepen.
Als verdachte en tevens als vertegenwoordiger van als verdachte opgeroepen rechtspersoon:
de besloten vennootschap [medeverdachte] ,
gevestigd op het adres: [d-straat 1] , [postcode 3] te [plaats] ,
is ter terechtzitting verschenen de navolgende persoon die antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn:
[verdachte] ,
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1947,
adres: [d-straat 1] , [postcode 3] te [plaats] .
De verdachte deelt mede dat hij enig (indirect) aandeelhouder en statutair bestuurder is van de besloten vennootschap [medeverdachte] en als zodanig bevoegd om deze ter terechtzitting in rechte te vertegenwoordigen.
De voorzitter vermaant de verdachte, ook in zijn capaciteit als vertegenwoordiger van de besloten vennootschap, oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Hetgeen in het hierna volgende door de [verdachte] wordt gezegd, geldt voor zowel hemzelf als voor de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt, tenzij dit anders is vermeld. Waar wordt gesproken over het ten laste gelegde feit wordt zowel het aan de rechtspersoon ten laste gelegde als het aan de [verdachte] onder 1 ten laste gelegde bedoeld, tenzij dit anders is vermeld. Bedoeld feit wordt aangeduid als het (onder 1) ten laste gelegde.
(…)
De zaken tegen de hiervoor genoemde verdachten worden gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.
(…)
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij zegt te ervaren dat hij al jaren in de cel zit, dat het hem teveel is geworden en dat het nu eens afgelopen moet zijn.”
5.3
Uit het proces-verbaal ter terechtzitting leid ik af dat de [verdachte] (i) als verdachte in zijn eigen strafzaak en (ii) als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon [medeverdachte] B.V. ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen. Hij heeft daarbij medegedeeld dat hij enig (indirect) aandeelhouder en statutair bestuurder is van [medeverdachte] B.V. en als zodanig bevoegd is om deze verdachte rechtspersoon ter terechtzitting in rechte te vertegenwoordigen. Daaropvolgend heeft de voorzitter de [verdachte] in beide hoedanigheden vermaand oplettend te zijn en heeft hij hen gewezen op het zwijgrecht. Uit deze omstandigheden leid ik allereerst af dat de verdachte zich ter terechtzitting voldoende bewust is (en zou moeten zijn) geweest van beide hoedanigheden.
5.4
In het proces-verbaal ter terechtzitting staat vervolgens vermeld dat “hetgeen in het hierna volgende door de verdachte [verdachte] wordt gezegd, geldt voor zowel hemzelf als voor de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt, tenzij dit anders is vermeld”. Ik leid hieruit af dat het hof oog heeft gehad voor de onderscheiden hoedanigheden van de [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep en voor het geval de [verdachte] niet hetzelfde zou willen verklaren in beide (gelijktijdig behandelde maar niet gevoegde) zaken vanuit zijn verschillende hoedanigheden of bijvoorbeeld zou willen zwijgen in één van de zaken, dit uitdrukkelijk in het proces-verbaal ter terechtzitting zou worden vermeld. [34] Daarmee heeft het hof onderscheid gemaakt tussen de beide hoedanigheden van de [verdachte] . Dat het hof het verhandelde ter terechtzitting in beide gelijktijdig behandelde maar niet gevoegde zaken in één proces-verbaal heeft vervat en de verklaringen van de [verdachte] in beide hoedanigheden als één verklaring heeft weergegeven (tenzij uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de [verdachte] niet hetzelfde wenst te verklaren vanuit beide hoedanigheden), maakt dat niet anders. Van strijd met art. 341 lid 3 Sv Pro, waarin kort gezegd is neergelegd dat een verklaring van de verdachte alleen te zijnen aanzien kan gelden, is dan ook geen sprake, nu de verklaring van de [verdachte] in beide hoedanigheden, en daarmee in beide zaken, is afgelegd.
5.5
Er is evenmin sprake van strijd met art. 311 lid 4 Sv Pro, nu voor wat betreft het recht op het laatste woord uit het proces-verbaal ter terechtzitting volgt dat “aan de verdachte […] het recht [is] gelaten het laatst te spreken” en “hetgeen in het hierna volgende door de [verdachte] wordt gezegd, […] voor zowel hemzelf [geldt] als voor de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt, tenzij dit anders is vermeld”.
5.6
Het middel faalt.

6.Afronding

6.1
Het eerste en tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende overweging. Voor het tweede middel ligt een dergelijke afdoeningswijze niet voor de hand. [35] Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen bij de vaststelling van de op te leggen sanctie met deze overschrijding rekening dienen te houden.
6.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Zie hierover bewijsmiddel 2 en 3.
3.Zie ook bewijsmiddelen 1, 2 en 5.
4.Zie bewijsmiddel 5. Dit geldt eveneens voor de vraag waar de 400 kilogram hasj vandaan kwam.
5.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.
6.HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, rov. 2.4; HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35, rov. 3.3.2; HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:571, rov. 2.3.
7.ECLI:NL:PHR:2018,1879, randnrs. 18-22; ECLI:NL:PHR:2019:137, randnr. 12; ECLI:NL:PHR:2020:41, randnrs. 28-30.
8.ECLI:NL:PHR:2017:1448, randnr. 10.
9.A.C.M. Klaasse en J.N. de Boer, ‘Een onvervalst causaal verband? Over het causaliteitsvereiste bij witwassen in relatie tot valsheden’,
10.Vgl. HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:774.
11.Wat de 400 kg hasj betreft, is niet alleen de aanschaf daarvan, maar ook de overdracht aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4] een zelfstandig strafbaar feit, zodat gesteld zou kunnen worden dat in zoverre [A] wel rechtstreeks door een gronddelict is verkregen.
12.Zie F. Diepenmaat,
13.Overigens was het uitdrukkelijke standpunt van de verdediging dat de afpersing door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] was gericht op geld. Zie de ter terechtzitting van het hof voorgedragen pleitnotities.
14.De bewijsmiddelen in de voetnoten zijn, tenzij anders vermeld, processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met D aangeduide bewijsmiddelen zijn geschriften. De bewijsmiddelen komen uit het dossier 13Basket met nummer 2010260408.
15.D-075, p. 612-629.
16.D-126, p. 991-996; D-072, p. 596-597.
17.BEV-002, p. 084 e.v.
18.D-139, p. 1076 Nazending.
19.D-134, p. 1066 Nazending.
20.D-135, p. 1068 Nazending.
21.RHV-15, p. 103; RHV-16, p. 235.
22.BEV-20, p. 633 e.v.
23.D-075, p. 611-629.
24.D-122 t/m D-125 en D-128.
25.Proces-verbaal van leningen VOF [L] / [O] van 13 juni 2016: D-146 doorgenummerde pagina 1164 e.v.
27.Zie ook
28.Zie hierover ook HR 19 november 1923, ECLI:NL:HR:1923:51,
29.Art. 21 Handelregisterwet Pro 2007. Van deponering van jaarstukken was bijvoorbeeld sprake in de zaak besproken door AG Spronken in ECLI:NL:PHR:2025:860 (81 RO) en HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:450 (zie hiervoor het aangehaalde arrest in de conclusie van AG Keulen). In geen van deze zaken was de openbaarmaking het geschilpunt.
30.HR 19 november 1923, ECLI:NL:HR:1923:51,
31.D.R. Doorenbos, ‘Jaarrekening en strafrecht’, in: J.B.S. Hijink, M.P. Nieuwe Weme, G.P. Oosterhoff & L. in ’t Veld (red.),
32.Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 336 Sr Pro, aant. 3. Zie ook H. de Groot, Bestuurdersaansprakelijkheid (Serie Recht en Praktijk nr. ONR2), Deventer: Kluwer 2021, p. 253.
33.https://www.justis.nl/producten/wet-bibob/landelijk-bureau-bibob
34.De belangen van de [verdachte] als verdachte en de [verdachte] als vertegenwoordiger van de rechtspersoon [medeverdachte] B.V. kunnen immers tegenstrijdig zijn. Zie hierover bijv. J.T.C. Leliveld, ‘Mogelijke tegenstrijdige belangen bij de verdediging van rechtspersonen in strafzaken’,
35.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40.