Conclusie
1.Inleiding
2.Samenvatting
3.Het tweede middel
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
(het hof begrijpt: [betrokkene 3] )en [betrokkene 4]
(het hof begrijpt: [betrokkene 4] )betaald. Dat was het bedrag dat [betrokkene 3] en [betrokkene 4] van [betrokkene 1] wilden hebben. [betrokkene 2] en [verdachte] hebben dit bedrag samen betaald. De betaling is voldaan met 500.000,00 gulden contant geld en 400 kilo hasj. [verdachte] wist hiervan. Het bedrag van 1,3 miljoen gulden moest betaald worden, omdat de koop anders niet door zou gaan. Betalen van dat bedrag was dus nodig om [A] te kunnen kopen. [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat hij mede-eigenaar van [A] was maar dat dat niet op papier kon worden gezet omdat de zaak anders had kunnen sluiten. De reden daarvoor was volgens [betrokkene 2] dat hij een strafblad had, dat hij lid van de [motorclub] was en dat er ten tijde van de overname in 1999 onderzoeken liepen. [betrokkene 2] werd hoofd algemene zaken omdat ze toch een functie moesten bedenken.
(het hof begrijpt: met een strafblad en als (mede)eigenaar)op de vergunning zou staan. Verder heeft [betrokkene 5] verklaard dat de salarissen van [betrokkene 2] en de verdachte van het begin af aan gelijk waren. Zij verdienden allebei 10.000,00 gulden met uitzondering van een beginperiode toen de verdachte geen salaris kreeg. Later is dat door de boekhouder met terugwerkende kracht rechtgetrokken omdat niet toegestaan was dat een personeelslid
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] , die op papier personeelslid was)meer verdiende dan de verdachte. In 2005 werd het salaris 12.500.00 euro. De salarissen van de verdachte en [betrokkene 2] gingen steeds gelijktijdig omhoog.
(het hof begrijpt: met betrekking tot zijn mede-eigenaarschap)en dat er toen geprobeerd is om op twee manieren de helft van de eigendom van [A] met alles wat daarbij hoorde naar hem over te laten gaan: eerst via een vennootschap met de naam [E] B.V. en later via het testament van de verdachte. De verdachte wist van [E] B.V. en hij is ook bij de gesprekken over dit onderwerp aanwezig geweest. De bedoeling was dat met ingang van het jaar 2001 5% van de aandelen in de onderneming jaarlijks zou overgaan naar [E] B.V. om zo, na tien jaar, de helft van de eigendom aan deze vennootschap van [betrokkene 2] over te dragen. Het zou in etappes moeten gebeuren omdat het wettelijk gezien niet mogelijk is om in één keer 50% van de eigendom over te dragen. Dit is niet gelukt omdat er in 2001 een heel groot onderzoek door de Belastingdienst kwam. Later is geprobeerd om de helft van de eigendom over te dragen via het testament van de verdachte. De bedoeling van het testament was dat 50% zou gaan naar het kind van [betrokkene 2] en 50% naar de drie kinderen van de verdachte of diens vrouw. Het idee van het testament kwam van mr. [betrokkene 6] , de verdachte en [betrokkene 2] . Het testament was in drievoud: één was voor [betrokkene 2] , één lag op het kantoor van [betrokkene 6] en één bij de verdachte thuis. Uiteindelijk zijn de testamenten - die nog niet waren ondertekend - door de shredder gegaan in verband met een inval bij de [motorclub] en de arrestatie van [betrokkene 2] in de zaak Acroniem, aldus [betrokkene 5] .
(het hof begrijpt: na de overname door de verdachte)naar het gevoel van het personeel [betrokkene 2] de scepter zwaaide in [A] . [betrokkene 5] werd na de overname de manager van [A] . Toen het personeel ervan werd beschuldigd dat zij zelf meisjes naar klanten zou rijden, heeft [betrokkene 7] een gesprek aangevraagd met [betrokkene 5] en [betrokkene 2]
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] ).[betrokkene 7] zei naar aanleiding van dat gesprek niet meer bij [A] te willen werken en [betrokkene 2] zei dat hij daarover na moest denken. Gevraagd door de rechter commissaris waarom hij dat gesprek met [betrokkene 2] voerde, antwoordde de getuige:
"Ik denk dat [betrokkene 2](het hof begrijpt: [betrokkene 2] )
op dat moment voor iedereen het aanspreekpunt was, en niet [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte).
(..) Een andere reden was dat [verdachte] niet als aanspreekpunt van de zaak werd gezien. Als er bijvoorbeeld iels stuk was of anders moest, dan was het makkelijker met [betrokkene 2] te bespreken dan met [verdachte] . Het was eigenlijk automatisch dat je dat soort dingen met [betrokkene 2] besprak. (..) Als je als eigenaar van een zaak je gezicht niet laat zien, en niet met het personeel praat, dan trekken het personeel, de klanten en de dames daaruit bepaalde conclusies. Ze vragen zich af: wie deelt hier eigenlijk de lakens uit.'''Deze verklaring ondersteunt de lezing dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was, zich ook als zodanig gedroeg en dat dit werd geaccepteerd door de verdachte.
" [betrokkene 1] heeft ons meer dan duidelijk proberen te maken dat de man die het overnam, [verdachte] , niks met de onderwereld te maken had. [betrokkene 1] legde er zo vaak de nadruk op, dat het lachwekkend werd en hiermee aangaf dat het allemaal een groot toneelstuk was."En op de vraag of [betrokkene 2] zich weleens uitliet over zijn positie verklaart [betrokkene 8] :
" [betrokkene 2] stak het ook niet onder stoelen of banken."
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
(het hof begrijpt hier en verder: de twee panden waarin [A] was gevestigd)gekocht. Hij heeft het eerst gehuurd, want het pand was de eerste jaren na de overdracht
(het hof begrijpt: van de exploitatie, inventaris, goodwill, merkenrecht en voorraad van [A] )nog mijn eigendom. In 2002 heeft [verdachte] het pand gekocht. Ook deze verkoop is door mij gefinancierd. De overdracht van het pand was ook nog kosten verkoper.
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
de verdachte:
[betrokkene 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
(het hof begrijpt: ook op papier)mede-eigenaar zou kunnen worden. Daar was [verdachte] gewoon bij.
[betrokkene 5]afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
(het hof begrijpt: door [betrokkene 1] )ben ik in dienst gekomen bij [medeverdachte] B.V. Ik deed de administratie en begeleidde de prostituees. Het klopt dat ik op een ochtend op kantoor een gesprek heb gehad met [betrokkene 2] en [verdachte] . In dat gesprek is mij verteld dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was van [A] . De aanleiding voor dat gesprek was dat [betrokkene 2] 's ochtends op kantoor kwam en altijd aan mij vroeg wat de omzet van de avond daarvoor was geweest en ik mij afvroeg waarom ik hem deze informatie moest geven. [betrokkene 2] was in dienst als hoofd beveiliging, dus hij ging niet over de cijfers. Ik raakte geïrriteerd dat hij steeds naar de cijfers bleef vragen. Hij raakte geïrriteerd omdat ik geen bedragen noemde. Toen is er in dat gesprek open kaart met mij gespeeld en heeft [verdachte] haar verteld dat [betrokkene 2] mede-eigenaar was en dat hij en [betrokkene 2] "gelijken” waren, maar dat dit stil moest blijven. De prostitutie zou in 1999 of 2000 gelegaliseerd worden, en er zou geen exploitatievergunning worden verleend aan de club door de gemeente als iemand met "een bepaalde achtergrond” zoals [betrokkene 2] daar eigenaar was.
[betrokkene 7]:
[betrokkene 2]:
een huurovereenkomstvan 25 mei 1999 betreffende het onroerend goed aan het [a-straat 1] en [b-straat 1]
(het hof begrijpt hier en verder voor zoveel nodig: [b-straat 1] )te [plaats] tussen [betrokkene 1] (verhuurder) en [verdachte] (huurder) (D-008). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
overeenkomst betreffende koop en verkoopvan activa tussen [B] B.V. (verkoper), vertegenwoordigd door haar enige bestuurder de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [H] B.V., vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 1] (verhuurder) en [medeverdachte] B.V. (koper) en [verdachte] , gedateerd
1 oktober 1999(D-005). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
akte van leveringbetreffende het onroerend goed aan het [a-straat 1] en [b-straat 1] te [plaats] tussen [betrokkene 1] en [verdachte] . deze laatste handelend als zelfstandig bevoegd directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [C] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van [medeverdachte] B.V., gedateerd
31 januari 2002(D-004). Deze overeenkomst houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
entertainment in het algemeen en het verlenen van hostess-
service
oprichtingsakte
(het hof begrijpt: [verdachte] ).Deze beschikking houdt in voor zover hier van belang:
eerste deelklachtkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de door [betrokkene 2] ingebrachte gelden uit misdrijf afkomstig zijn, met name dat het hof dit oordeel mede heeft gebaseerd op de overweging dat [betrokkene 2] heeft geweigerd te verklaren over de herkomst van deze gelden. Daarmee zou de verdachte ten onrechte zijn gehouden tot de “onmogelijke” opgave om een verklaring te geven voor de herkomst van de gelden van een ander.
tweede deelklachthoudt in dat de bewezenverklaring niet naar de eisen de wet met redenen is omkleed omdat de verklaringen van [betrokkene 1] enerzijds en [betrokkene 2] anderzijds “onderling onverenigbaar zijn”.
4.Het derde middel
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
4.3.2. Witwassen van 1.325.000 gulden uit drie leningen (feit 2) - veroordeling
eerste deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een openbaarmaking in de zin van art. 336 Sr Pro. Dit artikel luidt als volgt:
lid der Commissie van Rapporteurs; Een enkel woord tot toelichting van ons nieuw artikel. Het artikel geldt niet voor valsche balansen, althans niet voor zoover die balansen kunnen geacht worden tot bewijs bestemd te zijn, vermits in dat geval art. 225, handelende over de valschheid, van toepassing is. Maar dit artikel gaat eenigzins verder en bepaalt daarom ook eene niet zoo hooge straf [destijds een jaar; MvW] als in art. 225 [destijds vijf jaren; MvW] is bepaald. Het gaat verder, omdat het de publicering van onware balansen straft, onverschillig of die al dan niet overeenkomen met wat er in de boeken voorkomt. Het geval kan zich ook voordoen, dat een koopman in het geheel geen balans heeft in zijne boeken; dan zou hij niet kunnen gestraft worden wegens valschheid, altijd gesteld, dat een balans een bewijsstuk is; maar dan kan hij toch het publiek misleiden door een onwaren staat zijner boeken te publiceren. Met het oog daarop is deze bepaling gemaakt.
Minister van Justitie: Gelijk ik reeds aan de Commissie te kennen gaf, neem ik dit artikel gaarne in het ontwerp op. Ook ik stel er prijs op uitdrukkelijk te constateren, dat het hierbedoelde misdrijf niet is een species van valschheid, maar zelfstandig naast het misdrijf van valschheid staat. Wanneer in de boeken zelve een valsche balans is ingeschreven, kan er vervolging plaats hebben wegens valschheid in geschriften van koophandel, natuurlijk in zoover
in concretodie balans of de daarmede onafscheidelijk verbonden staat iemand eenig regt geeft of bestemd is tot bewijs in regten te strekken. Maar als er geen balans in de boeken staat of wel een deugdelijke balans in de boeken is ingeschreven, kan toch door de publicatie van een balans die den waren staat van zaken niet aanwijst, groot nadeel gesticht worden. Dikwerf zal er dan poging tot opligting zijn, doch dikwerf ook niet. Voor alle zekerheid make men dus van het feit ook een zelfstandig delict.
Minister van Justitie: Het opnemen van dit element van strafbaarheid zou aan het misdrijf geheel noodeloos den valschen schijn geven van valschheid. Geheel noodeloos. De vorige geachte spreker vreest dat de koopman soms een valsche balans publiceert uit bluf. Als dergelijke casus
non dabiliszich voordeed, dan moet men voor dien bluf maar eens een dag gevangenis ondergaan. Laat ons liever denken aan het feit zoo als het in werkelijkheid voorkomt.
lid der Commissie van Rapporteurs: Ik geloof dat het publiceren van eene verkeerde balans altijd er toe kan leiden, dat iemand misleid wordt, al kan men het niet bewijzen. Het gevaar daarvoor bestaat zeker, klaar in art. 334 moet Pro het oogmerk bepaald bewezen worden, omdat anders ieder, die te goeder trouw een berigt in de couranten doet opnemen omtrent de plaatsing van schuldbrieven, dat in strijd is met de waarheid, vervolgd zou kunnen worden. Dit is onmogelijk. Hier moet bepaald bewezen worden, dat de man, van wien het berigt afkomstig is, wist dat het berigt onwaar was. Maar in het geval van art. 335a [nu art. 336 Sr Pro; MvW] wist de koopman, die het berigt mededeelde, dat het onwaar is, want het betreft eene mededeeling uit zijne eigene boeken.”
tweede deelklachtzal ik dan ook onbesproken laten.
5.Het eerste middel
GERECHTSHOF AMSTERDAM
5 februari 2024 en 4 maart 2024.