ECLI:NL:PHR:2026:722
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken handtekening cassatieadvocaat
Bij vonnis van 17 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland Ogim B.V. in staat van faillissement verklaard op verzoek van Samenbinding B.V. Ogim B.V. stelde hiertegen hoger beroep in, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde het vonnis bij arrest van 19 mei 2026.
Op 27 mei 2026 diende [verzoekster 1], indirect bestuurder van Ogim B.V., namens Ogim B.V. een verzoekschrift tot cassatie in bij de Hoge Raad. Dit verzoekschrift was echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat volgens vaste rechtspraak een vereiste is voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De griffie van de Hoge Raad wees verzoekster hierop en gaf haar de mogelijkheid om het gebrek binnen twee weken te herstellen door alsnog een cassatieadvocaat in te schakelen. Verzoekster verzocht uitstel tot 22 juni 2026, maar dit werd afgewezen. Zij heeft het gebrek niet hersteld.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de procesinleiding niet voldoet aan de vereisten van art. 426a lid 1 Rv en het verzuim niet is hersteld. Dit vereiste is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in art. 6 EVRM Pro.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeksters in hun cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad onder de procesinleiding.