Conclusie
eiser tot cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland en M.E.A. Möhring
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
tot hun gezamenlijkbeloop teniet. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW bestaat de bevoegdheid tot verrekening indien is voldaan aan de vereisten dat de door de schuldenaar te vorderen prestatie beantwoordt aan zijn schuld jegens
dezelfdewederpartij en dat hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. Op grond van artikel 6:127 lid 3 BW bestaat de bevoegdheid tot verrekening niet ten aanzien van een vordering en een schuld die in van
elkaar gescheiden vermogensvallen.
Overige leningen en rekening-courant vorderingenbij de jaarrekening van Driesprong Finance van 2017 onder het rijtje als zevende een bedrag wordt vermeld van € 3.033.546, daarnaast het rijtje over 2016 toen dezelfde lening kennelijk € 2.725.026 bedroeg met daarachter het rentepercentage vermeld van 8,00 %. Links van dit rijtje zijn (vermoedelijk) de namen zwart gemaakt. In de bijlage 1
Overige leningen en rekening-courant vorderingenbij de jaarrekening van Driesprong Finance van 2018, is vervolgens alleen het rijtje over 2018 vermeld (dus niet ernaast het rijtje van 2017, het rentepercentage en een (zwartgemaakte) kolom links ervan). Als zevende in die rij wordt een bedrag vermeld van € 873.856 (met daarbij een handgeschreven pijl en de letters HOH). Het hof gaat ervan uit dat dit de vordering op [eiser] wegens aan hem uitgeleende bedragen betreft. Weliswaar heeft [eiser] zich tijdens de tweede mondelinge behandeling in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat geen sprake was van leningen maar voorschotten op een bonus en dat er nooit iets van hem kon worden gevorderd, maar dit standpunt overtuigt het hof niet. Op de grootboekkaarten werden de door [eiser] opgenomen bedragen geboekt op de grootboekrekening met als titel lening [eiser] , waarbij de jaarlijkse daarover verschuldigde rente eveneens in debet werd geboekt. Ook in de VSO wordt vermeld dat sprake is van een geldlening, schuldenaar en de op de balans van Driesprong vorderingen op de Finance opgenomen vordering. Nergens spreekt men van een opgenomen voorschot op een bonus. Tot slot heeft [eiser] in een verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor" zelf gesteld dat hij van Driesprong Finance bedragen leende ten behoeve van de bouw van vakantieappartementen in Oostenrijk.
3.Belang bij het cassatieberoep
eindeneemt, erg gelukkig is. Het kan immers gebeuren dat het faillissement vroeger of later eindigt
zonderdat de vordering van de gefailleerde schuldenaar/beslagdebiteur op de derde aan de boedel is voldaan en ook
zonderdat de beslagleggende schuldeiser is voldaan. [18] Laatstgenoemde zal dan zijn derdenbeslag – dat in dat geval op grond van art. 33 lid 2 tweede zin Fw herleeft – willen vervolgen. Niet goed valt in te zien dat hij de betwistingsprocedure dan helemaal opnieuw zou moeten beginnen, zeker niet als dan al een lange en moeizame betwistingsprocedure is gevoerd, zoals in dit geval. Er is dan ook veel voor te zeggen om aan te nemen dat in dat geval ook de betwistingsprocedure herleeft, op grond van een ‘analoge toepassing’ van art. 33 lid 2 Fw. [19] Daartegen kan weinig bezwaar bestaan omdat die procedure in beginsel toch al doorloopt in verband met een beslissing over de proceskosten en mogelijk ook in verband met andere ingestelde vorderingen, zoals met name die tot betaling van schadevergoeding wegens het doen van een onjuiste verklaring. [20]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
primairdat hij (hoofdelijke) bonusaanspraken had op de [groep] en, daarmee, op alle tot die groep behorende vennootschappen (en dus niet alleen op Driesprong Participaties), waarbij [eiser] ook heeft gewezen op de schriftelijke bevestiging van de bonus van 30 juli 2007 (productie 16, op briefpapier van de [groep] ) en op de e-mail van 12 december 2012 (productie 5) en heeft gewezen op de verklaring van [accountant] , die bevestigt dat de afspraken op groepsniveau zijn gemaakt, en (ii)
subsidiairdat de aan [eiser] uitbetaalde voorschotten zijn gedaan door of ten behoeve van Driesprong Participaties. Het hof heeft in rov. 2.32 overwogen dat de stelling dat als [betrokkene 2] als bestuurder iets belooft, hij automatisch de hele [groep] (kennelijk hoofdelijk) verbindt, niet nader is onderbouwd. In rov. 2.34 heeft het hof overwogen dat als een bestuurder een vennootschap wil verbinden voor een bepaalde verplichting duidelijk moet zijn welke vennootschap daarmee wordt gebonden, en dat van een hoofdelijke verbondenheid niet is gebleken. Voor zover het hof met deze overwegingen heeft bedoeld te responderen op de hiervoor genoemde verweren, is dit volgens het subonderdeel een onvoldoende (begrijpelijke) motivering in het licht van de geconcretiseerde en met stukken onderbouwde verweren van [eiser] . Voor zover het hof heeft gemeend dat het niet hoefde te responderen op die verweren, geeft dat blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
voorschottenaan [eiser] geen sprake was. Het ging om een lening, aldus het hof. De feiten die in de stellingen van het subonderdeel worden genoemd, zijn dus ook anders vastgesteld door het hof. Het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag in het arrest van het hof in de zin van art. 419 lid 2 Rv, door uit te gaan van een onjuiste lezing van dat arrest, maar ook in de zin van art. 419 lid 3 Rv (‘De Hoge Raad is gebonden aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld’).
subonderdeel 1.3onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
alleenbewijs van de juistheid van de verklaring kan worden geleverd door middel van (objectieve) verificatoire stukken (en/of schriftelijke stukken), is dat oordeel rechtens onjuist, zo luidt het subonderdeel.
alleengeleverd zou kunnen worden met (objectieve) verificatoire stukken (en/of schriftelijke stukken), en heeft het hof het aanbod tot het horen van getuigen evenmin op die grond gepasseerd. Het hof heeft, als al gezegd, in de eerste plaats geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd welk bedrag op welk moment, op basis van welke overeenkomst, tussen welke partijen precies kon worden verrekend (rov. 2.35). Daarbij heeft het hof in rov. 2.36, zoals eveneens al gezegd, in de beoordeling betrokken dat bewijsstukken die zich bij uitstek bevinden in het domein van [eiser] of van de desbetreffende vennootschappen van de [groep] (Driesprong Finance en Driesprong Participaties) die [eiser] medewerking geven bij het voeren van deze procedure, niet zijn overgelegd, ook niet nadat het hof [eiser] daartoe uitdrukkelijk had uitgenodigd bij tussenarrest, dat de wet
voorschrijftdat [eiser] dergelijke stukken overlegt, dat [eiser] niet heeft gesteld en niet is gebleken dat hij niet in staat zou zijn om de benodigde gegevens in deze procedure aan te leveren en dat het beroep op verrekening bij uitstek met verificatoire bewijsstukken valt te onderbouwen.
subonderdeel 1.7wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 2.35 dat [eiser] te weinig concreet heeft gesteld om te worden toegelaten tot het bewijs van de (bevoegdheid tot de) gestelde verrekeningen in 2018. Dat oordeel geeft volgens het subonderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de mate van concreetheid van het verweer van [eiser] die nodig is om tot bewijslevering te worden toegelaten. Dit geldt te meer waar het hof is uitgegaan van een verzwaarde motiveringsplicht. Althans heeft het hof volgens het subonderdeel, in het licht van de door [eiser] ingenomen stellingen, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat [eiser] onvoldoende concreet heeft gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar een aantal stellingen van [eiser] , waaruit volgens het subonderdeel volgt dat [eiser] wel aan zijn stelplicht heeft voldaan.