ECLI:NL:RBAMS:2007:BF8828
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ongewenstverklaring EU-onderdaan onder artikel 197 Sr
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak van een verdachte die werd vervolgd wegens het overtreden van artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht, omdat hij als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij ongewenst was verklaard. De ongewenstverklaring dateerde van 2 september 2003 en was gebaseerd op criteria die niet in overeenstemming waren met het destijds geldende gemeenschapsrecht, zoals bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in juni 2007.
De rechtbank stelde vast dat de beschikking tot ongewenstverklaring onjuist was omdat niet was getoetst of het persoonlijke gedrag van verdachte een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde, zoals vereist door richtlijn 64/221. Hoewel de beschikking onherroepelijk was omdat verdachte geen bezwaar of beroep had ingesteld, achtte de rechtbank dat dit in de strafrechtelijke procedure niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van de vervolging mocht leiden.
De officier van justitie mocht volgens de rechtbank uitgaan van de formele rechtskracht van het bestuursrechtelijke besluit, en het feit dat de beschikking op onjuiste gronden was genomen, was een kwestie voor een herzieningsverzoek. De rechtbank verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid, maar oordeelde dat het telastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen omdat niet was komen vast te staan dat verdachte daadwerkelijk de persoon was die ongewenst was verklaard.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. De uitspraak benadrukt de spanningen tussen bestuursrechtelijke besluiten en strafrechtelijke vervolgingen in het kader van EU-burgers en de toepassing van gemeenschapsrechtelijke waarborgen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend is vastgesteld dat hij de persoon is die ongewenst is verklaard.