Eisers ontvingen een bijstandsuitkering en werden door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een boete opgelegd wegens het niet tijdig doorgeven van hun werkelijke woonadres, wat een schending van de inlichtingenplicht onder de Participatiewet inhoudt.
De rechtbank beoordeelde of het college de boete terecht had opgelegd en of het college aan de zware bewijslast had voldaan. Eisers stelden dat het boeterapport niet correct was opgesteld en dat het college geen zelfstandig oordeel had gevormd over de schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat het rapport uitkeringsfraude van 8 juli 2021 voldeed aan de wettelijke eisen en dat het college niet dezelfde persoon was die het rapport opstelde en de boete oplegde.
De feiten, waaronder pintransacties, huurbetalingen, laag waterverbruik en een sportschoolabonnement in een ander adresgebied, ondersteunden het oordeel dat eisers niet op het opgegeven adres woonden. De rechtbank verwierp de bezwaren van eisers en verklaarde het beroep ongegrond.
De rechtbank stelde dat het college geen griffierecht of proceskosten hoeft te vergoeden en wees op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.