Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:1515

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
13-408480-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 7 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Polen ondanks remand regime

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 maart 2025 de vordering van het Openbaar Ministerie tot inwilliging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1979 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van strafbare feiten onder Pools recht die ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, waaronder handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en verduistering.

De rechtbank heeft het algemene reële gevaar van schending van grondrechten in het Poolse remand regime erkend, met name de beperkte celruimte en detentieomstandigheden. Echter, op basis van aanvullende garanties van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon minimaal 3 m² celruimte krijgt en dagelijks tot vier uur buiten de cel kan doorbrengen met activiteiten, concludeerde de rechtbank dat het individuele gevaar voor schending van grondrechten voor deze persoon is weggenomen.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces, ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk volgens de Overleveringswet. De zaak illustreert de afweging tussen algemene mensenrechtelijke zorgen en individuele garanties bij internationale overleveringen.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe op basis van voldoende garanties over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-408480-24
Datum uitspraak: 6 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 30 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 oktober 2024 door de
Circuit Court in Sieradz - Criminal Divison No. IIin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 februari 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision in case II Kp 225/24 regarding temporary arrestvan 18 juni 2025 van
the District Court in Sieradz.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verduistering.

5.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in het Poolse remand regime

Inleiding

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten voor gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen. [4] Het kernpunt daarbij is dat in een
remand regimeslechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
Ten aanzien van voornoemd algemeen reëel gevaar heeft het Openbaar Ministerie op 9 januari 2025 aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Naar aanleiding van deze vragen heeft
The Circuit Prosecutor's Office in Sieradz, 1st Investigation Divisionop 17 januari 2025 aanvullende informatie verstrekt waarin ten aanzien van de opgeëiste persoon het volgende wordt gegarandeerd:
1. Suspect [opgeëiste persoon] , after being handed over to Poland, will initially stay for a few to several days in the detention centre closest to the place where the suspect was taken over by Polish Police officers, and then, upon the prosecutor's order, he will be transported in accordance with the district of detention to the Penal Institution in Sieradz, where a preventive measure in the form of temporary detention will be executed.
2. While in the Penal Institution in Sieradz, Mr. [opgeëiste persoon] will be able to take advantage of to walks he is entitled to, cultural and educational activities, club activities, religious services and sports activities. Participation in all activities is voluntary. There are no compulsory activities for temporarily detained prisoners in the Penal Institution in Sieradz.
3. [opgeëiste persoon] will spend 23 hours a day in his residential cell if he decides to take advantage of his 1 hour of daily walk. If he decides to participate in all the offered activities lasting 2-3 hours, he will spend 20 hours in his residential cell.
(…)
7. A detainee under pre-trial detention in the Penal Institution in Sieradz will be provided with a residential cell area of at least 3 (three) square meters. Therefore, the administration of the Penal Institution in Sieradz cannot guarantee an inmate 4 (four) square meters of personal space.
De standpunten van de partijen
Volgens de officier van justitie wordt het gevaar van schending van grondrechten in het Poolse
remand regimeop basis van de in de aanvullende informatie vervatte garanties voor de opgeëiste persoon weggenomen.
De raadsman heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de in de aanvullende informatie vervatte garanties voldoen om het gevaar van schending van grondrechten van gedetineerden in het
remand regimein Polen ten aanzien van de opgeëiste persoon weg te nemen. Uit de garanties blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in een cel wordt gedetineerd waarin hij ten minste 3 m² persoonlijke ruimte tot zijn beschikking heeft. De rechtbank gaat ervan uit, mede gelet op de omstandigheid dat onder 7 wordt gesproken over ‘personal space’, dat daarmee gedoeld wordt op het in Polen geldende wettelijke minimumvereiste van 3m2 celruimte exclusief sanitaire voorzieningen. [5] Verder kan uit de garanties worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon – indien hij gebruik maakt van de in
the Penal Institution in Sieradzaangeboden dagelijkse wandeling en andere activiteiten – vier uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat artikel 11 OLW Pro niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 321 Wetboek van Strafrecht, 31 en 55 Wet wapens en munitie en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan de
Circuit Court in Sieradz - Criminal Divison No. IIin Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.
5.Zie het CPT-rapport naar aanleiding van het bezoek aan Polen van 21 maart tot 1 april 2022 (CPT/Inf (2024) 10), p. 4.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).