De rechtbank Amsterdam heeft op 6 mei 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de erkenning van een minderjarige door een derde partij werd betwist. De moeder had geen geldige toestemming gegeven voor deze erkenning omdat zij al een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning door de biologische vader had ingediend en dit verzoek was toegewezen. Hierdoor werd de toestemming van de moeder aan de derde partij geacht niet te bestaan, waardoor de erkenning nietig is.
De procedure omvatte schriftelijke stukken, een mondelinge behandeling achter gesloten deuren en aanvullende schriftelijke reacties. De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Nederlands recht van toepassing was. De verwekker, hoewel niet standaard ontvankelijk, werd ontvankelijk verklaard op grond van jurisprudentie vanwege de bijzondere omstandigheden.
De rechtbank weegt het belang van het kind om duidelijkheid te hebben over de afstamming en stelt dat de erkenning door de derde partij nietig is. De moeder's bezwaren tegen de vernietiging konden niet leiden tot instandhouding van de erkenning. Verder concludeert de rechtbank dat het verlies van de erkenning niet zal leiden tot verlies van het Nederlanderschap of EU-burgerschap van het kind. De achternaam van het kind blijft ongewijzigd. Het verzoek tot raadsonderzoek werd afgewezen omdat dit reeds in Suriname was onderzocht.
De rechtbank verklaart de erkenning nietig, draagt de ambtenaar van de burgerlijke stand op de erkenning te herroepen en beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator, tenzij er beroep wordt ingesteld.