ECLI:NL:RBAMS:2025:5639

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
13/370872-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding en kosten van rechtsbijstand in overleveringsprocedure na intrekking Europees Aanhoudingsbevel

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 30 juli 2025 uitspraak gedaan over verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand, ingediend door verzoeker, geboren in 1997. De verzoeken zijn ingediend naar aanleiding van de intrekking van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) door Duitsland, dat leidde tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de overleveringsprocedure. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker ten onrechte is gedetineerd in Nederland op basis van het EAB, dat op 5 februari 2025 door de Internationale Rechtshulpkamer (IRK) is ingetrokken. De verzoeker heeft schadevergoeding gevraagd voor de vrijheidsbeneming en de kosten van rechtsbijstand, die zijn ontstaan tijdens de overleveringsprocedure. De rechtbank heeft de verzoeken ontvankelijk verklaard en de verzoeker in het gelijk gesteld, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat de verzoeker recht heeft op schadevergoeding op grond van artikel 67 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand toegewezen, waarbij in totaal een bedrag van € 1.070,- is vastgesteld. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat hoger beroep open voor verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/370872-24
RK nummers: 25/006675 en 25/006673
BESCHIKKING
op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,
mr. P.M. Breukink, [adres] .
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 13 maart 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure. Deze procedure is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 5 februari 2025 tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering tot het in behandeling nemen van het Europees Aanhoudingsbevel (hierna: EAB).
De rechtbank heeft op 16 juli 2025 de gemachtigd raadsvrouw mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem, en de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, in openbare raadkamer gehoord. Met toestemming van de raadsvrouw en de officier van justitie heeft de rechtbank de raadsvrouw telefonisch laten deelnemen aan de behandeling, omdat zij door omstandigheden niet in staat was om in persoon aanwezig te zijn.
De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Op 13 november 2024 heeft het
Amtsgericht Hannover, Duitsland, een EAB uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Nederland, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek;
- Op 13 november 2024 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;
- Op 15 november 2024 heeft de rechter-commissaris de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst;
- Op vordering van de officier van justitie van 21 november 2024 is het EAB behandeld op de zitting van 22 januari 2025;
- Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de IRK de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW, omdat het EAB is ingetrokken. Daarbij is de geschorste overleveringsdetentie opgeheven;
- Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft een medewerker van de
Staatanwaltschaft Hannoverhet volgende meegedeeld over de intrekking van het EAB:
“The European arrest warrant was cancelled because the national arrest warrant had been suspended subject to conditions (regular reporting to a police station).
After these conditions were duly complied with, the national arrest warrant has now also been cancelled at the request of the public prosecutor's office because the accused was able to credibly demonstrate that he has a permanent residence in the Netherlands and is employed regularly. Furthermore, he can be contacted by the court through his German lawyer. Therefore, there is no longer any risk of absconding or other grounds for detention.
The court has not yet set a date for the hearing on the charges brought in connection with the allegations”.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 390,-
€ 390,-voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
3 dagen politiebureau: 3 x € 130,- = € 390,-
- € 380,-
€ 380,- dan wel
€ 680,-voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt.
De raadsvrouw heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Zij heeft onder verwijzing naar rechtspraak [1] aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 OLW toekomt, omdat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich in eerste instantie verzet tegen toewijzing van de verzoeken, omdat de vervolging in Duitsland nog gaande is en verzoeker mogelijk op een andere wijze wordt gecompenseerd dan door schadevergoeding.
Op 14 juli 2025 heeft de officier van justitie per e-mail meegedeeld dat het Openbaar Ministerie zijn standpunt heeft herzien als gevolg van recente rechtspraak van de rechtbank. Het Openbaar Ministerie verzet zich niet langer tegen toewijzing van de verzoeken.
In raadkamer heeft de officier van justitie opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak er doorgaans een recht is op schadevergoeding als de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Wellicht zou het anders zijn, indien het EAB zou zijn ingetrokken nadat de betrokkene zich zelf in de uitvaardigende lidstaat had gemeld, maar deze situatie doet zich hier niet voor. Er moet altijd worden onderzocht of de geleden schade al in de uitvaardigende lidstaat is gecompenseerd, maar in dit geval is sprake van een nog lopende vervolging, zodat compensatie hypothetisch is.

5.Toetsingskader

Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding toe voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018. [2] In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling - waarmee geen oordeel over het onrechtmatig of verwijtbaar handelen van de Nederlandse Staat is gegeven - vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikkingen bij beschikkingen van 9 juli 2019 bevestigd. [3] In die beschikkingen heeft het gerechtshof onder meer overwogen:
“Anders dan het openbaar ministerie heeft betoogd acht het hof niet van belang of sprake is van enige verwijtbaarheid aan de zijde van de Nederlandse Staat. Ook in geval van voorlopige hechtenis die niet wordt gevolgd door een veroordeling is immers niet zonder meer sprake van verwijtbaar overheidshandelen. Integendeel, voorlopige hechtenis wordt door de onafhankelijke rechter getoetst en gesanctioneerd en is in die zin - ook achteraf na niet-veroordeling - niet als onrechtmatig of verwijtbaar te bestempelen. Zij kan slechts als achteraf onterecht ondergaan worden gekwalificeerd, en daarvoor is een schadevergoedingsregeling in het leven geroepen. Indien de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig acht, vindt die vergoeding steeds plaats. Om na niet-veroordeling geen vergoeding toe te kennen moet dit billijkheidsoordeel verband houden met de eigen (proces)houding van de gewezen verdachte.”
Uit de rechtspraak van de rechtbank volgt dat niet alleen als sprake is van een weigering schade kan worden vergoed, maar bijvoorbeeld ook bij een rauwelijkse afwijzing door de officier van justitie op grond van artikel 23, eerste lid (oud), OLW, [4] bij een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat het EAB is uitgevaardigd door een niet-rechterlijke autoriteit [5] of bij een intrekking van de vordering als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW omdat het nationale aanhoudingbevel is ingetrokken. [6]
Al deze gevallen hebben gemeen dat het EAB nooit tot overlevering had kunnen leiden, indien het niet rauwelijks zou zijn afgewezen, indien het zou zijn gehandhaafd dan wel indien de vordering niet zou zijn ingetrokken. In zoverre staan dergelijke gevallen dus gelijk aan een weigering van de overlevering door de rechtbank. In dergelijke gevallen geldt dus ook dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, zodat vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar is. Een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie vanwege de intrekking van het EAB staat voor de toepassing van artikel 67 OLW dus niet zonder meer gelijk aan een weigering van de overlevering. [7] Die gelijkstelling hangt af van de reden van de intrekking van het EAB.
In dit geval was in Duitsland het nationale aanhoudingsbevel opgeschort en het EAB ingetrokken, waarna uiteindelijk ook het nationale aanhoudingsbevel is ingetrokken. De rechtbank overweegt dat een opgeschort nationaal aanhoudingbevel niet een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing is in de zin van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, OLW. Dit zou ertoe hebben geleid dat, indien het EAB niet zou zijn ingetrokken, de rechtbank ingevolge artikel 28, tweede lid, OLW de overlevering had moeten weigeren.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de – op grond van artikel 26, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ – op Duitsland rustende verplichting tot aftrek van de in Nederland ondergane overleveringsdetentie op dit moment louter theoretisch of een onzekere gebeurtenis in de toekomst is, omdat sprake is van een lopende vervolging. Het is daarom billijk om de verzoeken toe te wijzen.
De rechtbank zal de verzoeken dan ook geheel toewijzen.

7.Beslissing

De rechtbank
WIJST TOEde verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
  • € 390, -vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en
  • € 680, -voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt.
Deze beslissing is gegeven door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. H.J.H. van Meegen en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. dr. V.H. Glerum, griffier,
en op 30 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.070,- (duizendenzeventig euro) op
[rekeningnummer]
ten name van
Stichting Beheer Derdengelden Spijker Strafrechtadvocaten,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [naam verzoeker] – 533 Sv 20241267.
Aldus gedaan op
door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter.