ECLI:NL:RBAMS:2026:122

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13/248279-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees Aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat door Griekenland is uitgevaardigd. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1960 in Griekenland, die momenteel gedetineerd is in Nederland. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 24 december 2025 gestart, waarbij de officier van justitie, mr. A. Keulers, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, en een tolk in de Griekse taal. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft vragen geformuleerd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de geldigheid van het nationaal aanhoudingsbevel en de detentieomstandigheden in Griekenland. De rechtbank heeft ook de mogelijkheid van effectieve rechtsbescherming in het kader van het EAB onderzocht, met specifieke aandacht voor de detentieomstandigheden in Griekenland, die mogelijk in strijd zijn met de Europese normen voor mensenrechten. De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd en de zaak opnieuw gepland voor 25 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/248279-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2025 door
the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] (Griekenland),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Griekse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting onderbroken tot de zitting van 14 januari 2026, waar het onderzoek – met toestemming van partijen enkelvoudig – wordt gesloten en direct uitspraak wordt gedaan.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
- The Arrest Warrant no. 15/29-05-2018 issued by the Examining Magistrate of the First Instance Court of Katerini, as filled out by the Order no. 192/22-10-2018 of the Examining Magistrate and kept in force under the decree no. 26/2019 of the Misdemeanours Council of Katerini;
- Final decision no. 1819/09.11.2015 of the Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessaloniki;
- Final decision no. 1747/15.06.2018 of the First One-Member Misdemeanors Court of Katerini. (Under the decision no. 1457/15.06.2018 of the same court the granted suspension of enforcement was revoked);
- Final decision no. 1880/21.09.2018 of the Second One-Member Misdemeanors Court of Katerini;
- Final decision no. 1194/24.04.2015 of the Second One-Member Misdemeanors Court of Katerini. (Under the decision no. 2433/23.09.2016 of the same court the granted suspension of enforcement was revoked).
3.1
Vervolging
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Grieks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
In onderdeel f) van het EAB staat dat feit 2 onder het nationale aanhoudingsbevel met nummer 15/29-05-2018 op 1 december 2025 verjaart.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor dit feit daarom moet worden geweigerd op grond van artikel 9 OLW. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het nationaal aanhoudingsbevel nog steeds geldig is, omdat feit 1 onder dat bevel nog niet is verjaard.
De rechtbank overweegt dat onduidelijkheid bestaat over de geldigheid van het nationaal aanhoudingsbevel doordat de mogelijkheid om de opgeëiste persoon voor feit 2 te vervolgen, naar Grieks recht verjaard lijkt te zijn. Om de grondslag van het EAB te kunnen toetsen, wil de rechtbank – middels de officier van justitie – de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorleggen:
1) is het nationaal aanhoudingsbevel met nummer 15/29-05-2018 nog geldig ten aanzien van feit 2, nu in onderdeel f) van het EAB de datum 1 december 2025 als verjaringstermijn voor feit 2 is genoemd?
3.2
Executie
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van vijf jaar (1819/2015), twee jaar (1747/2017), één jaar (1880/2014) en vier maanden (1194/2015), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de straf met nummer 1819/2015 resteren volgens het EAB nog vier jaar, drie maanden en één dag. De overige straffen dienen geheel te worden tenuitvoergelegd. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [4]
In de aanvullende informatie van 26 november 2025 staat onder B) dat de gevangenisstraf van vier maanden in het vonnis van 24 april 2015 met nummer 1194/2015 aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd. Voorts is vermeld dat bij beslissing van 3 september 2016 (nummer 2433) de opschorting van de gevangenisstraf is herroepen en dat de gevangenisstraf van vier maanden is omgezet in een geldboete. Het EAB vermeldt daarentegen dat het gaat om de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vier maanden. De rechtbank wil daarom – middels de officier van justitie – de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorleggen:
2) strekt het EAB, voor wat betreft het vonnis met nummer 1194/2015 en de beslissing met nummer 2433/2016, tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden?

4.Rechterlijke autoriteit

Bij uitspraak van 13 november 2025 [5] heeft deze rechtbank een prejudiciële vraag gesteld over – kort gezegd – de effectieve rechtsbescherming bij Griekse vervolgings-EAB’s die door de Griekse officier van justitie zijn uitgevaardigd. In die prejudiciële procedure is de vraag aan de orde of is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming indien een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie die aangemerkt kan worden als uitvaardigende rechterlijke autoriteit, maar wiens beslissing niet voor toetsing door een rechter vatbaar is, terwijl het nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter die de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB niet heeft getoetst en wiens beslissing niet voor een dergelijke toetsing vatbaar is vóór de overlevering van de opgeëiste persoon.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vraag.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de effectieve rechtsbescherming is gewaarborgd, omdat het EAB ook ziet op de tenuitvoerlegging van vier vonnissen. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hierover een aanvullende vraag bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) kan worden gesteld.
De rechtbank overweegt dat zij in het kader van het onderzoek of de voornoemde prejudiciële vraag relevant is voor deze zaak en of zij mogelijk een aanvullende prejudiciële vraag moet stellen, aanleiding ziet om de volgende vragen – middels de officier van justitie – voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
3) zijn ten tijde van de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment (ook) de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van het vervolgingsgedeelte van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan, getoetst door een rechter in de uitvaardigende lidstaat?
4)- zo nee, is er een mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB, voor zover dat ziet op het vervolgingsgedeelte, door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen vóórdat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Griekenland plaatsvindt?
Gelet op de mogelijkheid dat de beantwoording van een in een andere zaak gestelde prejudiciële vraag relevant is voor de beslissing in deze zaak, ziet de rechtbank reden om de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, onder a, OLW met zestig dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid OLW.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

5.1
Arrest met nummer 1819/2015
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [6]
Het EAB vermeldt in onderdeel b) onder meer dat de overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vijf jaren, opgelegd als
Final decisionvan
9 november 2015 door de
Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikimet kenmerk 1819/2015. Het EAB vermeldt in onderdeel d) dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. In onderdeel f) van het EAB staat voorts vermeld dat de opgeëiste persoon beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing en dat dit beroep
“was rejected as unsupported by the decisison no. 397/27.09.2021
door
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessaloniki. Uit het EAB kan de rechtbank niet afleiden bij welke van deze beslissingen de zaak definitief ten gronde is afgedaan als hiervoor bedoeld. Indien de zaak ten gronde is afgedaan in de beslissing van
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikivan 27 september 2021 met nummer 397, ontbreekt in het EAB informatie over de vraag of de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot die beslissing zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen.
De rechtbank verzoekt daarom om – via de officier van justitie - aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
5) is de zaak, genoemd onder 2.1 van onderdeel b) van het EAB, definitief ten gronde afgedaan (als bedoeld in de uitspraak van HvJ EU van 21 december 2023, C-397/22, punt 47) door
the Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikibij beslissing van 9 november 2015 met kenmerk 1819/2015? Of is dit het geval geweest door de beslissing van
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikivan 27 september 2021 met het nummer 397 bij?
6) indien de zaak definitief ten gronde is afgedaan door
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikibij beslissing van 27 september 2021 met kenmerk 397, kunt u dan voor die beslissing onderdeel d) van het EAB invullen?
5.2
Vonnis met nummer 1747/2017
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d), voor zover hier van belang:
X 3.4. the decision no. 1747/2017 of the First One-Member Misdemeanours Court of Katerini (…) were not served to him in person, but
-the decision shall be served to him in person and promptly after his surrender and
-when the decision is served to him, he shall be explicitly informed of his right to stand trial anew or to exercise remedies, the hearing of which he is entitled to attend, and the merits of the case, including any new evidence, shall be reviewed and the hearing may lead to reversal of the initial decision and
- the person concerned shall be informed of the time limit in which he may request a retrial or to exercise remedies, which shall be ten (10) days.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the First One-Member Misdemeanors Court of Katerinivan 15 juni 2018 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen vanwege een veroordeling voor een strafbaar feit.
Uit het arrest van het HvJ EU van 23 maart 2023 [7] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 15 juni 2018 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [8] Het proces waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld voor het strafbare feit waardoor de tenuitvoerlegging van dit vonnis is bevolen moet wel aan artikel 12 OLW worden getoetst. Uit de aanvullende informatie van
26 november 2025 volgt dat dit de veroordeling in het arrest met nummer 1819/2015 is geweest. De vragen die bij de rechtbank ten aanzien van dat arrest onder overweging 5.1 zijn gerezen, zijn daarom ook relevant voor de toetsing van het vonnis met nummer 1747/2017 aan de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De rechtbank zal de beslissing daarover daarom aanhouden in afwachting van de beantwoording van die vragen.
5.3
Vonnis met nummer 1880/2014
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d) voor zover hier van belang:
X 3.4. the decision (…) no. 1880/2018 (…) of the Second One-Member Misdemeanours Court of Katerini were not served to him in person, but
-the decision shall be served to him in person and promptly after his surrender and
-when the decision is served to him, he shall be explicitly informed of his right to stand trial anew or to exercise remedies, the hearing of which he is entitled to attend, and the merits of the case, including any new evidence, shall be reviewed and the hearing may lead to reversal of the initial decision and
- the person concerned shall be informed of the time limit in which he may request a retrial or to exercise remedies, which shall be ten (10) days.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
5.4
Vonnis met nummer 1194/2015
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering voor dit vonnis moet worden geweigerd, omdat er geen informatie is over de processen die hebben geleid tot de vonnissen met nummers 1183 en 8400 DS 332 JS 36805/1996 waardoor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van het vonnis met nummer 1194/2015 is bevolen.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zich de omstandigheid van sub a voordoet omdat de uitvaardigde autoriteit die in onderdeel d) van het EAB heeft aangekruist. Verder heeft officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, nu de verzetgarantie is aangekruist, geen informatie nodig is over de processen van de triggerende feiten. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor dit vonnis moet worden geweigerd.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
X 3.4. the decision (…) 1194/2015 of the Second One-Member Misdemeanours Court of Katerini were not served to him in person, but
-the decision shall be served to him in person and promptly after his surrender and
-when the decision is served to him, he shall be explicitly informed of his right to stand trial anew or to exercise remedies, the hearing of which he is entitled to attend, and the merits of the case, including any new evidence, shall be reviewed and the hearing may lead to reversal of the initial decision and
- the person concerned shall be informed of the time limit in which he may request a retrial or to exercise remedies, which shall be ten (10) days.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the First One-Member Misdemeanors Court of Katerinivan 15 juni 2018 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen vanwege veroordelingen voor strafbaar feiten.
Uit het arrest van het HvJ EU van 23 maart 2023 [9] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 15 juni 2018 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. [10] De processen waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld voor strafbare feiten waardoor de tenuitvoerlegging van dit vonnis is bevolen, moeten wel aan artikel 12 OLW worden getoetst. De opgeëiste persoon heeft weliswaar de garantie dat hij de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf in een verzetprocedure kan aanvechten, maar daarmee is niet gezegd dat die verzetprocedure daadwerkelijk zal plaatsvinden. De opgeëiste persoon kan er immers ook voor kiezen om daarvan af te zien.
Uit de aanvullende informatie van 26 november 2025 volgt dat het vonnis met nummer 1183 van 28 maart 2014 van
the First One-Member Misdemeanors Court of Katerinien het vonnis met nummer 8400 DS 332 JS 36805/1996 van 21 augustus 1996 van een Duitse rechtbank hebben geleid tot de beslissing om de voorwaardelijke straf in dit vonnis ten uitvoer te leggen. Over de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de processen die hebben geleid tot het vonnis met nummer 1183 en het vonnis met nummer 8400 DS 332 JS 36805/1996 is geen informatie beschikbaar.
7) De rechtbank verzoekt daarom via de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (nogmaals) te vragen formulier d) voor de processen die tot deze beslissingen hebben geleid, in te vullen.

6.Strafbaarheid

6.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten onder het arrest met nummer 1819/2015 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten van het aanhoudingsbevel met nummer 15/2018, en van de vonnissen met nummers 1747/2017, 1880/2018 en 1194/2015 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan wat het executiedeel betreft in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd voor de feiten van de vonnissen. Wat het vervolgingsdeel betreft, kan de overlevering in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
aanhoudingsbevel met nummer 15/2018
zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;
vonnis met nummer 1747/2017
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
vonnis met nummer 1880/2018
diefstal
vonnis met nummer 1194/2015
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7.Gelijkstelling

Standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering - wat betreft het vervolgingsdeel - afhankelijk te maken van een door de uitvaardigende justitiële autoriteit te verstrekken terugkeergarantie om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan, en – wat betreft het executiedeel - weigering en strafovername ten aanzien van de feiten waarvoor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen wordt verzocht. . Hiertoe heeft de raadsman stukken overgelegd waaruit volgt dat de opgeëiste persoon zich vanaf 8 januari 2021 heeft gemeld bij [huisartsenzorg] voor medische zorg. Gelet op het feit dat uit de Strafrechtketendatabank (SKDB) volgt dat de opgeëiste persoon in ieder geval in 2020 en 2021 ingeschreven heeft gestaan op twee verschillende adressen in Rotterdam, staat vast dat hij tenminste vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat ze minder dan tien dagen voor de zitting zijn overgelegd. Subsidiair kan de opgeëiste persoon niet worden gelijk gesteld met een Nederlander omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in zijn standpunt dat de stukken buiten beschouwing gelaten moeten worden. Weliswaar zijn de stukken minder dan tien dagen voorafgaand aan de zitting – want op 16 december 2025 – door de raadsman aan de rechtbank verstrekt. Nog daargelaten dat de termijn van tien dagen geen harde termijn is, heeft de raadsman toegelicht en onderbouwd wat de reden is dat hij de stukken niet eerder dan
16 december 2025 heeft kunnen toezenden aan de rechtbank.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW dan wel artikel 6a negende lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Ook in het geval uit de stukken afgeleid zou kunnen worden dat de opgeëiste persoon gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland heeft verbleven, zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe de opgeëiste persoon in die periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Nu niet aan de eerste voorwaarde is voldaan, kan een beroep op gelijkstelling niet slagen.

8.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini [11] Thessaloniki [12] en Trikala [13] een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). [14]
Op 26 november 2025 heeft
the Hellenic Republic Prosecutor’ office appeal court of Thessalonikibericht dat de opgeëiste persoon in de gevangenis in Nigrita zal worden gedetineerd. Uit de bijgevoegde informatie over deze gevangenis blijkt dat geen persoonlijke levensruimte van 3 m2 kan worden gegarandeerd.
Het Internationaal Rechtshulpcentrum heeft hierop aanvullende vragen gesteld. Bij brief van
16 december 2025 is door
the Public Prosecutor’s office at the court of appeals of Thessalonikiaangegeven dat de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in
the Penitentiary of Drama.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de detentieomstandigheden in Griekenland een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon opleveren dat op dit moment niet is weggenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor de overlevering. Er is geen algemeen gevaar aangenomen voor de gevangenis in Drama en de raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit dit algemene gevaar wel zou blijken.
Oordeel van de rechtbank
In het rapport van de
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 12 juli 2024 wordt melding gemaakt van een detentie-instelling in Drama (te weten Paranesti PRDC). De rechtbank leest hierin dat deze instelling wordt gebruikt als detentiecentrum voor vreemdelingen/asielzoekers. De opgeëiste persoon is echter een Griekse onderdaan. Om die reden wil de rechtbank –via de officier van justitie – de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorleggen:
8) betreft de
Penitentiary of Dramadezelfde instelling als waarover de CPT in haar rapport van 12 juli 2024 heeft gerapporteerd, te weten Paranesti PRDC?
9) zo ja, beschikt Paranesti PRDC, naast een afdeling voor vreemdelingen/asielzoekers, ook over een afdeling voor voorlopig gehechten of afgestraften?
10) zo ja, op welke afdeling zal de opgeëiste persoon na overlevering worden geplaatst?
11) zo ja, kunt u meer informatie geven over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon na overlevering in de instelling van Paranesti PRDC zal worden gedetineerd, mede in het licht van de bevindingen van de CPT in haar rapport van 12 juli 2024 onder 25, 72 en 86 (gelet op de medische problematiek van de opgeëiste persoon)?

9.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen
:
1) is het nationaal aanhoudingsbevel met nummer 15/29-05-2018 nog geldig ten aanzien van feit 2, nu in onderdeel f) van het EAB de datum 1 december 2025 als verjaringstermijn voor feit 2 is genoemd?
2) strekt het EAB, voor wat betreft het vonnis met nummer 1194/2015 en de beslissing met nummer 2433/2016, tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden?
3) zijn ten tijde van de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel dan wel op een later moment (ook) de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van het vervolgingsgedeelte van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan getoetst door een rechter in de uitvaardigende lidstaat?
4) zo nee, is er een mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB, voor zover dat ziet op het vervolgingsgedeelte, door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen vóórdat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Griekenland plaatsvindt?
5) is de zaak, genoemd onder 2.1 van onderdeel b) van het EAB definitief ten gronde afgedaan (als bedoeld in de uitspraak van het HvJ EU van 21 december 2023, C-397/22, punt 47) door
the Three-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikibij beslissing van 9 november 2015 met kenmerk 1819/2015? Of is dit het geval geweest door de beslissing van
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikivan 27 september 2021 met het nummer 397?
6) indien de zaak definitief ten gronde is afgedaan door
the Five-Member Appeal Court of Felonies of Thessalonikibij beslissing van 27 september 2021 met kenmerk 397, kunt u dan voor die beslissing onderdeel d) van het EAB invullen?
7) de rechtbank verzoekt via de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (nogmaals) te vragen formulier d) voor de processen die hebben geleid tot het vonnis met nummer 1183 en het vonnis met nummer 8400 DS 332 JS 36805/1996 in te vullen.
8) betreft de
Penitentiary of Dramadezelfde instelling als waarover het CPT in zijn rapport van 12 juli 2024 heeft gerapporteerd, te weten Paranesti PRDC?
9) zo ja, beschikt Paranesti PRDC, naast een afdeling voor vreemdelingen/asielzoekers, ook over een afdeling voor voorlopig gehechten of afgestraften?
10) zo ja, op welke afdeling zal de opgeëiste persoon na overlevering worden geplaatst?
11) zo ja, kunt u meer informatie geven over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon na overlevering in de instelling van Paranesti PRDC zal worden gedetineerd, mede in het licht van de bevindingen van de CPT in haar rapport van 12 juli 2024 onder 25, 72 en 86 (gelet op de medische problematiek van de opgeëiste persoon)?
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a en b, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 25 maart 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping tegen nader te bepalen datum en tijdstip van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.,
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Griekse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
7.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
8.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
9.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
10.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
11.o.a. Rb. Amsterdam 22 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3306.
12.o.a. Rb. Amsterdam 14 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2324 en 31 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3097.
13.Rb. Amsterdam 18 jan 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1897.
14.Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:1995) en Rb. Amsterdam 28 april 2016 (ECLI:NL:RBAMS:20 16:2630).