ECLI:NL:RBAMS:2026:1353

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13/241391-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 350 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf op grond van gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een persoon die sinds minimaal vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon werd verdacht van vernieling en bedreiging, strafbare feiten volgens zowel Pools als Nederlands recht.

De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat hij rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet verliest door de opgelegde straf. Hoewel de tenuitvoerleggingstermijn van de Poolse straf volgens Nederlands recht was verjaard, zag de rechtbank af van weigering op die grond vanwege het belang van sociale re-integratie en de Europese samenwerking.

De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland kan worden overgenomen, mede omdat de opgeëiste persoon sterke economische en familiale banden met Nederland heeft. De overlevering werd geweigerd, maar de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland werd bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/241391-25
Datum uitspraak: 4 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2020 door
the Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 11 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 25 november 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank benodigde aanvullende informatie bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) en de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.
Zitting van 21 januari 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 25 november 2025

In de tussenuitspraak van 25 november 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 3.1) en de strafbaarheid van de feiten (onder 4). Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
4.1
Standpunt van de partijen
Zowel de raadsman als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander nu aan de twee vereisten voor gelijkstelling is voldaan. Daarnaast kan de straf door Nederland worden overgenomen, omdat door de Poolse autoriteiten het daarvoor vereiste certificaat en het veroordelende vonnis zijn verstrekt.
4.2
Oordeel van de rechtbank
4.2.1
Gelijkstelling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 25 november 2025. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.
Uit de brief van 2 december 2025 van de IND volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis van 1 oktober 2015 is veroordeeld er niet toe kunnen lijden dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
4.2.2
Samenhang met de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerleggingstermijn van het Poolse vonnis inmiddels naar Nederlands recht is verjaard. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dit verweer gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt. Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.
Er is sprake van een zekere samenhang tussen de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW omdat, vanwege de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, is voldaan aan het rechtsmachtvereiste. Dat vereiste is een voorwaarde voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Verder is verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf een factor die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW moet worden getoetst bij de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen in verband met hetgeen is opgenomen in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW. Deze verjaring komt als voorwaarde ook terug in de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande beoordelen of verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf aan de orde is alvorens te beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
4.2.3
Verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn
De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij vonnis van 1 oktober 2015 met kenmerk II K 557/15, welke straf na de beslissing van de
District Court in Bolesiawiecvan 2 februari 2017 voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, naar Nederlands recht is verjaard op 2 februari 2025. [4] De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht vrij recent is verjaard en dat binnen de Europese justitiële samenwerking zwaar gewicht toekomt aan het voorkomen van straffeloosheid. Daarnaast is het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden. Weigering van de overlevering op grond van verjaring betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de bij het vonnis opgelegde straf niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straf naar het recht van Polen niet is verjaard (wat volgens het EAB pas in 2040 aan de orde zou zijn), moet er rekening mee worden gehouden dat de opgeëiste persoon – wanneer hij zich buiten Nederland begeeft – vanuit een andere lidstaat kan worden overgeleverd aan Polen. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Polen zou de met tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen. [5]
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
4.2.4
Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
Op de onder 4.2.3 genoemde gronden ziet de rechtbank ook af van de weigeringsgrond van artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder g) Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Ook de overige in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren, zoals in de tussenuitspraak van 25 november 2025 reeds is vastgesteld, op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 9 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging in Nederland van de in overweging 3 in de tussenuitspraak van 25 november 2025 bedoelde vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden.
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Gelet op de artikelen 70, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht juncto 6:1:22 en 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering.
5.Rb Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8620.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (