3.1Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming
Standpunt van de opgeëiste persoon
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet kan worden getoetst of de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) de bevoegdheid had tot het uitvaardigen van het EAB. Weliswaar is in het EAB sprake van een bedrag aan btw-schade van €22.000.000,-, maar dit is ongefundeerd. Dit is voorts van belang, omdat niet is getoetst door een rechter in Duitsland of het nodig was een EAB uit te vaardigen.
Ook heeft de opgeëiste persoon zelf aangevoerd dat ten onrechte niet door een rechter, maar slechts door een openbaar aanklager, getoetst is of het uitvaardigen van het EAB in het onderhavige geval proportioneel was. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat de gevolgen van het EAB voor hem en zijn familie groot zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit bevoegd is om een EAB uit te vaardigen, hetgeen onder meer blijkt uit de uitspraak van de rechtbank van 23 november 2023.
Bevoegdheid gedelegeerd Europees aanklager tot het uitvaardigen van een EAB
De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 23 november 2023 geoordeeld dat een gedelegeerd Europese aanklager de zelfstandige bevoegdheid heeft om een EAB uit te vaardigen op grond van de Verordening 2017/1939 (“EOM-Verordening”). Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de gedelegeerd Europese aanklager in dit geval mogelijk niet bevoegd was, naar de rechtbank begrijpt op grond van artikel 22, eerste lid EOM-Verordening, omdat het schadebedrag niet hoger is dan 10 miljoen euro, gaat de rechtbank hier aan voorbij, alleen al omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Het EAB vermeldt immers dat de schade minimaal 22 miljoen euro bedraagt en er bestaat geen reden om daaraan te twijfelen.
Effectieve rechterlijke bescherming bij het uitvaardigen van een EAB
Indien een lidstaat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een vervolgings-EAB heeft opgedragen een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat deelneemt, maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is (zoals het Openbaar Ministerie), moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de beslissing om een EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming.
De vraag rijst of deze rechtspraak ook geldt, indien een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager. Dat de gedelegeerd Europese aanklager bevoegd is om een EAB uit te vaardigen betekent immers niet zonder meer dat ook sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming bij het uitvaardigen van dit EAB.
In dit verband wijst de rechtbank voorts op overweging 30 van de preambule van de EOM-verordening (onderstreping rechtbank):
De onderzoeken van het EOM dienen in de regel te worden uitgevoerd door gedelegeerd Europese aanklagers in de lidstaten. Zij dienen dit te doen overeenkomstig deze verordening en wat betreft aangelegenheden die niet onder deze verordening vallen, overeenkomstig het nationale recht. Gedelegeerd Europese aanklagers dienen hun taken uit te voeren onder het toezicht van de toezichthoudende Europese aanklager en onder leiding en op instructie van de bevoegde permanente kamer. Indien het nationale recht van een lidstaat voorziet in interne toetsing van bepaalde besluiten binnen de structuur van het openbaar ministerie, dient de toetsing van dergelijke door de gedelegeerd Europese aanklager genomen besluiten te vallen onder de toezichtsbevoegdheden van de toezichthoudende Europese aanklager, overeenkomstig het reglement van orde van het EOM. In dergelijke gevallen dienen de lidstaten niet verplicht te worden te voorzien in toetsing door de nationale rechter,zonder evenwel afbreuk te doen aan artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank acht het van belang om hieromtrent duidelijkheid te krijgen, met het oog op het volgende.
Bij uitspraak van 13 november 2025heeft deze rechtbank ten aanzien van een Grieks overleveringsverzoek prejudiciële vragen gesteld over – kort gezegd – onder meer effectieve rechterlijke bescherming in het geval van een vervolgings-EAB dat door een Griekse officier van justitie was uitgevaardigd en waarbij het nationale aanhoudingsbevel door een rechterlijke instantie was uitgevaardigd. De rechtbank wil onderzoeken of zij in lijn met de voornoemde uitspraak van 13 november 2025 hierover in deze zaak eveneens een prejudiciële vraag moet stellen. Het is namelijk ook in deze zaak vooralsnog niet voldoende duidelijk of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming, hetzij op het niveau van het EAB, hetzij op het niveau van de nationale rechterlijke beslissing waarop het EAB is gebaseerd. Indien echter blijkt dat in deze zaak daarvan wel sprake is geweest, kan de hiervoor opgeworpen vraag of de bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie ook van toepassing is indien een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europees aanklager, in het midden blijven.
Dat in het onderhavige geval het nationale aanhoudingsbevel door een rechter (het kantongerecht in München) is afgegeven, maakt immers niet zonder meer dat aan de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU vastgelegde vereisten is voldaan. Mogelijk heeft deze rechter ook de proportionaliteit en evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB beoordeeld, maar dat is zonder nadere toelichting niet vast te stellen en moet worden nagevraagd bij de uitvaardigende autoriteit. Daarbij geldt dat, anders dan de rechtbank in enkele eerdere uitspraken heeft geoordeeld, met de eventuele mogelijkheid om een beslissing tot uitvaardiging van het EAB achteraf - dus na overlevering ("a posteriori”) - rechterlijk te toetsen niet per definitie is voldaan aan de vereisten van een effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank wenst dan ook geïnformeerd te worden over de reikwijdte van de rechterlijke toetsing bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, met name over de vraag of de rechter daarbij geoordeeld heeft over de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB. Indien dat niet het geval is, is mogelijk op andere wijze in het Duitse recht voorzien in een dergelijke toets door een rechter. Daarom wenst de rechtbank te worden geïnformeerd of de beslissing van de gedelegeerd Europese aanklager tot uitvaardiging van een EAB met het oog op strafvervolging vatbaar is voor een afzonderlijke toets door een rechter in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering.
De rechtbank verzoekt het openbaar ministerie daarom aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
1) Zijn bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment, (ook) de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan, getoetst door de rechter die dat aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd dan wel een andere rechter?
2) Zo nee, is er dan wel de mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen, voordat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Duitsland plaatsvindt?
De rechtbank zal het onderzoek ter zitting daarom heropenen en direct schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen te stellen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met zestig dagen.