ECLI:NL:RBAMS:2026:2339

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13/019243-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 189 SrArt. 188 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering onder gelijktijdige strafovername wegens sociale re-integratie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Roemenië tegen de opgeëiste persoon, die werd verdacht van het opzettelijk verbergen van een verdachte om diens aanhouding te ontlopen. De opgeëiste persoon was deels aanwezig bij de strafprocedures en werd vertegenwoordigd door een advocaat, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) niet van toepassing werd geacht.

De rechtbank beoordeelde de dubbele strafbaarheid en concludeerde dat het feit ook onder Nederlandse wetgeving strafbaar is. Hoewel de opgelegde straf in Roemenië twee jaar en zes maanden bedraagt, overstijgt deze het Nederlandse maximum van zes maanden voor het betreffende feit. Daarom werd de straf verlaagd tot zes maanden gevangenisstraf.

De opgeëiste persoon is ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijvend en dreigt zijn verblijfsrecht niet te verliezen door de straf, waardoor hij gelijkgesteld wordt met een Nederlander. Ondanks dat de tenuitvoerleggingstermijn van de straf volgens Nederlands recht recentelijk is verjaard, ziet de rechtbank af van weigering op die grond vanwege het belang van het voorkomen van straffeloosheid en de sociale re-integratie van de opgeëiste persoon.

De rechtbank weigert de overlevering aan Roemenië en beveelt gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland, waarbij de opgeëiste persoon in detentie blijft tot aan de uitvoering van de straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De overlevering wordt geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf wordt onder verlaging tot zes maanden gevangenisstraf in Nederland overgenomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/019243-25
Datum uitspraak: 24 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 4 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2018 door de
Suceava Tribunal,Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Roemenië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2026 in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van 4 januari 2017 van
the Tribunal Suceava in file no. 5886/86/2015,onherroepelijk geworden door het arrest van 11 december 2017 van
the Appeal Court Suceava in file no. 5886/86/2015.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie van 29 december 2025 op 13 januari 2026 aanvullende informatie verstrekt waarin onder meer het volgende staat vermeld:
"(…) [de opgeëiste persoon] was present in person both at theSuceava Court and at the Suceava Court of Appeal for the judgment of the criminal trial that was the subject of file no. 5886/86/20 15, being assisted/represented by a chosen defence attorney. (...) [de opgeëiste persoon] was present at the Suceava Court of Appeal at the trial dates of 01.03.2017, respectively, 03.04.2017 for the hearing of the appeal declared against the criminal sentence no. 2 of 04.01.2017 pronounced by the Suceava Court in file no. 5886/86/2015, being assisted by his chosen defence attorney. At the other trial dates, the defendant was absent but was represented throughout the criminal trial by his defence attorney. (…)"
4.2
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ten aanzien van artikel 12 OLW Pro geen standpunt ingenomen.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat uit de aanvullende informatie van 13 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon zowel bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep aanwezig is geweest.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van 11 december 2017 van
the Appeal Court Suceavamet kenmerk 5886/86/2015 toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 13 januari 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon niet bij alle zittingen van de procedure in hoger beroep aanwezig is geweest. Daarmee was de opgeëiste persoon wel op de hoogte van het proces. Ook heeft een door hem gekozen advocaat daadwerkelijk tijdens het proces zijn verdediging gevoerd. Uit de omschreven gang van zaken, waaruit onder meer blijkt dat de opgeëiste personen op meerdere zittingen in hoger beroep aanwezig was samen met zijn gekozen advocaat, leidt de rechtbank af dat de advocaat door de opgeëiste persoon was gemachtigd, mede in aanmerking nemend dat de verdediging ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro geen verweer heeft gevoerd.
De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing.

5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

5.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid nu het strafbare feit gekwalificeerd kan worden onder artikel 189, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) dan wel onder artikel 188 Sr Pro. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro, aangezien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland op grond van artikel 6a OLW in het belang van de resocialisatie van de opgeëiste persoon is. De opgeëiste persoon wil bovendien gebruik kunnen maken van zijn vrije verkeersrechten, hetgeen bemoeilijkt zou worden door een weigering van het EAB op grond van artikel 7 OLW Pro.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet dubbel strafbaar is. Uit de omschrijving van het feit in het EAB blijkt niet dat daadwerkelijk sprake is geweest van begunstiging zoals bedoeld in artikel 189 Sr Pro. De officier van justitie heeft in dat verband verwezen naar een uitspraak waarin de Hoge Raad een veroordeling van een persoon, die bij de politie ten gunste van een medeverdachte een verklaring had afgelegd, heeft vernietigd. [5] Bovendien heeft de opgeëiste persoon geen valse aangifte gedaan, maar enkel een verklaring afgelegd. Het feit valt daarom ook niet onder artikel 188 Wetboek Pro van Strafrecht. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro in verband met het belang van resocialisatie van de opgeëiste persoon in Nederland.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert. [6] Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. Nagegaan moet worden of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. [7] De rechtbank beoordeelt de dubbele strafbaarheid dus aan de hand van de feitelijke omschrijving in het EAB. De vraag of daadwerkelijk sprake is geweest van belemmering van een strafrechtelijk onderzoek en dus of het in Nederland was gekomen tot een veroordeling ligt bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid niet voor. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest van de Hoge Raad waarnaar de officier van justitie heeft verwezen niet gelijk zijn aan de feitomschrijving in het EAB. In die zaak ging het namelijk om een persoon die een valse verklaring had afgelegd ten gunste van een medeverdachte die reeds was aangehouden en dus al ter beschikking stond van de justitiële autoriteiten.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
het opzettelijk verbergen van of behulpzaam zijn aan iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie.
6. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
6.1
Standpunt van de partijen
Zowel de raadsman als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander nu aan de twee vereisten voor gelijkstelling is voldaan. Daarnaast kan de straf door Nederland worden overgenomen, omdat door de uitvaardigende justitiële autoriteit op 6 februari 2026 het daarvoor vereiste certificaat en het veroordelende vonnis zijn verstrekt.
6.2
Oordeel van de rechtbank
6.2.1
Gelijkstelling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met partijen van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 2 februari 2026 volgt dat het strafrechtelijke feit waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld er niet toe leidt dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest . De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.2.2
Samenhang met de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerleggingstermijn van het Roemeense vonnis inmiddels naar Nederlands recht is verjaard. De officier van justitie heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.
De rechtbank overweegt als volgt. Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.
Er is sprake van een zekere samenhang tussen de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW omdat, vanwege de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, is voldaan aan het rechtsmachtvereiste. Dat vereiste is een voorwaarde voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Verder is verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf een factor die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW moet worden getoetst bij de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen in verband met hetgeen is opgenomen in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande beoordelen of verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf aan de orde is alvorens te beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.2.3
Verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn
De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij vonnis van 4 januari 2017 met kenmerk 5886/86/2015 van
the Tribunal Suceava, welke straf na de beslissing van
the Appeal Court Suceavavan 11 december 2017 voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, naar Nederlands recht is verjaard op 12 december 2025. [8] De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht zeer recent is verjaard en dat binnen de Europese justitiële samenwerking zwaar gewicht toekomt aan het voorkomen van straffeloosheid. Daarnaast is het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden. Om deze reden heeft de opgeëiste persoon ook zelf de rechtbank verzocht om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van verjaring. Weigering van de overlevering op grond van verjaring betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de bij het vonnis opgelegde straf niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van die straf naar het recht van Roemenië niet is verjaard, moet er rekening mee worden gehouden dat de opgeëiste persoon – wanneer hij zich buiten Nederland begeeft – vanuit een andere lidstaat kan worden overgeleverd aan Roemenië. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Roemenië zou de met tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen. [9]
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.2.4
Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
Op de onder 6.2.3 genoemde gronden ziet de rechtbank ook af van de weigeringsgrond van artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder g) Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Ook de overige in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de in Roemenië opgelegde vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert, zoals onder 5.3 reeds is vastgesteld, op:
het opzettelijk verbergen van of behulpzaam zijn aan iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie.
De rechtbank constateert dat de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf (twee jaar en zes maanden) wegens het behulpzaam zijn aan een verdachte van enig misdrijf in het ontkomen aan de nasporing van de justitie of politie, het voor dat feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum (zes maanden gevangenisstraf) overstijgt. Om die reden vindt overeenkomstig artikel 6a, derde lid, OLW verlaging van de opgelegde vrijheidsstraf tot aan het Nederlandse strafmaximum plaats. Dit betekent dat de opgelegde vrijheidsstraf van twee jaar en zes maanden wordt verlaagd naar zes maanden gevangenisstraf.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, onder verlaging van de straf, kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [10] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd op 6 februari 2026 toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de tot het Nederlandse strafmaximum verlaagde vrijheidsstraf door Nederland.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 189 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Suceava Tribunal,Roemenië.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf, verlaagd tot het in Nederland geldende strafmaximum van 6 maanden gevangenisstraf, in Nederland.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
6.Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
7.HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578.
8.Gelet op de artikelen 70 en 189 van het Wetboek van Strafrecht juncto 6:1:22 en 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering.
9.Rb Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8620.
10.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (