ECLI:NL:RBAMS:2026:2632

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/204714-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 OLWArt. 11 OLWArt. 23 OLWArt. 533 SvArt. 530 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onterechte vrijheidsbeneming in overleveringsprocedure

Verzoeker werd in Nederland gedetineerd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Frankrijk. De overleveringsprocedure eindigde met een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde vanwege een reëel gevaar op onmenselijke behandeling in Frankrijk.

De rechtbank oordeelde dat deze beslissing gelijkgesteld kan worden aan een weigering van overlevering zoals bedoeld in artikel 67 van Pro de Overleveringswet, waardoor verzoeker recht heeft op schadevergoeding voor de onterechte vrijheidsbeneming en vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank wees een bedrag van €13.840 toe, bestaande uit vergoeding voor 130 dagen vrijheidsbeneming en forfaitaire advocaatkosten. De rechtbank verwierp het argument dat de Franse toezegging tot verrekening van detentie de vergoeding uitsluit, omdat het onzeker is of verzoeker daadwerkelijk in Frankrijk zal worden vastgehouden.

Tegen deze beschikking staat hoger beroep open. De uitspraak is gedaan door de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam op 10 maart 2026.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een schadevergoeding van €13.840 wegens onterechte vrijheidsbeneming in de overleveringsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/204714-25
RK nummers: 25-031342 en 25-031346
BESCHIKKING
op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van Pro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Suriname),
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. M.P.M. Balemans, [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 4 december 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 13 november 2025 tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring van de officier van justitie. Het verzoek strekt mede tot toekenning van vergoeding ten laste van de Staat voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft op 24 februari 2026 de raadsman van verzoeker, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. A. Keulers, in openbare raadkamer gehoord.
Verzoeker is niet verschenen.
De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- bij vonnis van 7 oktober 2021 van de 13de Strafkamer van de correctionele rechtbank te Bobigny, Frankrijk, met zaaknummer 20245000002, is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar;
- op 16 december 2021 heeft de Procureur van de Republiek te Bobigny, Frankrijk, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Frankrijk, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf;
- op 6 juli 2025 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW, gelet op voormeld EAB;
- op vordering van de officier van justitie van 17 juli 2025 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 26 augustus, 10 september, 15 oktober en 13 november 2025, waarbij deze rechtbank op 24 september [1] en 23 oktober 2025 [2] tussenuitspraak heeft gewezen;
- bij uitspraak van deze rechtbank van 13 november 2025 [3] is met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. Daarbij is de overleveringsdetentie opgeheven.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van:
- € 13.060,-
€ 13.060,-voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
 2 2 dagen politiebureau: 2 x € 130,- = € 260,-
 128 128 dagen Huis van Bewaring 128 x € 100,- = € 12.800,-
- het forfaitaire bedrag voor advocaatkosten voor de kosten gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken, subsidiair een zodanig bedrag als door de rechtbank redelijk en billijk wordt geacht.
De raadsman heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht en aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding op grond van artikel 67 OLW Pro toekomt, omdat in zijn overleveringszaak geen gevolg is gegeven aan het EAB in verband met de detentieomstandigheden in Franrijk. Volgens hem volgt uit de jurisprudentie dat deze beslissing in dit verband kan worden gelijkgesteld met een weigering van de overlevering als bedoeld in artikel 67 OLW Pro. De aanvullende informatie van de Franse autoriteiten van 19 december 2025 dat de ondergane overleveringsdetentie in mindering zal worden gebracht op de opgelegde straf maakt dit niet anders, omdat niet vast staat dat verzoeker zal komen vast te zitten. Het gaat immers om een mogelijke, maar onzekere gebeurtenis in de toekomst. De eventuele toezegging van Frankrijk is daarom onvoldoende om op grond daarvan een effectieve verrekening van de reeds ondergane overleveringsdetentie aan te nemen.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.Toetsingskader

Artikel 67 OLW Pro correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet Pro. Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018. [4] In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling – waarmee geen oordeel over het onrechtmatig of verwijtbaar handelen van de Nederlandse Staat is gegeven – vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW Pro in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikkingen bij beschikkingen van 9 juli 2019 bevestigd. [5]
Uit beschikkingen van de IRK volgt verder dat niet alleen bij een weigering schade kan worden vergoed, maar ook bij een rauwelijkse afwijzing door de officier van justitie op grond van artikel 23, eerste lid (oud), OLW of bij een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. [6]
In de overleveringszaak van verzoeker is bij uitspraak van 13 november 2025 met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg aan het EAB gegeven omdat er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar van onmenselijke of veranderende behandeling bestond, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De Franse autoriteiten hebben niet binnen een redelijke termijn gegevens verstrekt op basis waarvan de rechtbank dat reële gevaar voor de opgeëiste persoon kon uitsluiten.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de door de opgeëiste persoon op grond van het EAB ondergane overleveringsdetentie – achteraf bezien – als onterecht ondergaan dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitspraak in deze zaak daarom worden gelijkgesteld aan een beslissing als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW, strekkende tot weigering van de overlevering. [7]
Het gegeven dat de ondergane vrijheidsbeneming gecompenseerd zal worden indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd en (in Frankrijk) zijn straf zal ondergaan, maakt dit niet anders. De rechtbank constateert dat (nog) geen sprake is van een nieuwe procedure, waardoor het vooralsnog niet zeker is óf de opgeëiste persoon op een later moment zal worden overgeleverd en in Frankrijk in detentie zal verblijven. Het gaat dus om onzekere gebeurtenissen in de toekomst, waarmee de rechtbank geen rekening kan houden.
De rechtbank is bovendien van oordeel dat de ondergane vrijheidsbeneming 129 dagen in het huis van bewaring heeft betroffen in plaats van 128 dagen, zoals de raadsman heeft verzocht. De vergoeding voor deze dag zal in meerdering worden gebracht op het verzochte totaalbedrag.

7.Beslissing

De rechtbank
WIJST TOEde verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
  • € 13.160, -vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en
  • € 680, -voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt.
Deze beslissing is gegeven op 10 maart 2026 en in het openbaar uitgesproken door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 13.840,- (dertienduizendachthonderdveertig euro) op
IBAN/rekeningnummer
[nummer] bij de ING Bank,
ten name van
Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Balemans,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] (verzoeker).
Aldus gedaan op 10 maart 2026
door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter.