ECLI:NL:RBAMS:2026:2751

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
13-001047-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren over eerlijk proces in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 maart 2026 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court of Lublin. De verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en belastingfraude, waarvoor een resterende gevangenisstraf van ruim twee jaar openstaat.

De verdediging voerde aan dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad, onder meer vanwege de betrokkenheid van een NEO-KRS aangestelde rechter in eerste aanleg en het ontbreken van aanwezigheid of gemachtigde raadsman bij de behandeling in hoger beroep. De rechtbank oordeelde echter dat de procedure in hoger beroep leidend is voor toetsing en dat de verdachte daar wel degelijk vertegenwoordigd was door advocaten die zijn belangen behartigden.

Verder stelde de rechtbank vast dat er geen concreet individueel gevaar bestond dat het grondrecht op een eerlijk proces was geschonden, ondanks structurele problemen in de Poolse rechtsorde. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro was daarom niet van toepassing. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en stond de overlevering toe.

De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte naar Polen toe ondanks bezwaren over het eerlijk proces.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-001047-26
Datum uitspraak: 17 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 december 2025 door
the Circuit Court of Lublin,Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht die waarneemt voor haar kantoorgenoot, mr. R. Zilver en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
the judgment of the Circuit Court of Lublin of July 8th 2022, reference IV K 135/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, drie maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
Uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 12 februari 2026 blijkt dat er tegen de veroordeling van 8 juli 2022 een hoger beroep procedure is geweest resulterend in de beslissing van 1 maart 2023 van
the Court of Appeal of Lublinmet kenmerk II AKa 368/22.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat (enkel) de beslissing van
the Court of Appeal of Lublinmet kenmerk II AKa 368/22 aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst. De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a of b, OLW. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet dat de opgeëiste persoon bij de behandeling van zijn zaak aanwezig was of dat de opgeëiste persoon een raadsman heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Verder blijkt niet dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was dat er een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op de zitting zou verschijnen. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van weigering, omdat onvoldoende duidelijk is of de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de beslissing in hoger beroep dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro en dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW van toepassing is. Uit het D-formulier blijkt immers dat een gemachtigde raadsman namens de opgeëiste persoon de verdediging heeft gevoerd. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem. Hij was bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg aanwezig, op de zitting in hoger beroep hebben zijn advocaten medegedeeld dat de opgeëiste persoon van de zitting in hoger beroep op de hoogte was en de oproepingen voor die zitting naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres zijn gestuurd.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij de aanvullende informatie van 17 februari 2026 een ingevuld onderdeel D) toegezonden die ziet op de procedure in hoger beroep. Daarin is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Onder punt 2 van onderdeel D) is nader toegelicht dat de opgeëiste persoon op de zitting van
1 maart 2023 is vertegenwoordigd door twee advocaten die hebben medegedeeld dat de opgeëiste persoon van de zittingsdatum op de hoogte was. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is derhalve niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

5.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 2, 3 en 4 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de problemen van de rechtstaat een concrete invloed hebben gehad, omdat hij is veroordeeld op basis van een – naar eigen zeggen – valse verklaring, die nota bene later is ingetrokken. De raadsvrouw heeft daarnaast nog aangevoerd dat een door de NEO-KRS aangestelde rechter betrokken is geweest bij het proces tegen de opgeëiste persoon in eerste aanleg, waardoor geen sprake is geweest van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Hierdoor heeft de opgeëiste person geen eerlijk proces gehad.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de problemen met de Poolse rechtstaat concrete invloed hebben gehad in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon. Het betrof een veroordeling voor eenvoudige smokkel waarbij geen sprake was van bijvoorbeeld politieke gevoeligheden.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de opgeëiste persoon aangevoerde elementen niet dat de structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak. Gesteld noch gebleken is dat een door de NEO-KRS aangestelde rechter betrokken is geweest bij de procedure in hoger beroep, waarin definitief ten gronde in de strafprocedure is beslist en waarin de opgeëiste persoon ook zijn bezwaren heeft kunnen aanvoeren tegen de door de NEO-KRS aangestelde rechter die, naar de opgeëiste persoon heeft gesteld, in eerste aanleg over de strafzaak heeft geoordeeld. Evenmin is onderbouwd dat de door de opgeëiste persoon gestelde fouten in zijn strafprocedure, voor zover daarvan al sprake zou zijn, het gevolg zijn geweest van de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde waarop het algemeen gevaar is gebaseerd. Daarom is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Lublin, Polen,voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (