ECLI:NL:RBAMS:2026:2753

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
13-275593-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens onvoldoende bewijs uitoefening verdedigingsrechten

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht op de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 1984. Na meerdere zittingen en een tussenuitspraak waarin aanvullende informatie werd gevraagd over de uitoefening van verdedigingsrechten, met name in hoger beroep, ontving de rechtbank niet alle benodigde antwoorden.

De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon weliswaar correct geïnformeerd was over zittingen en adreswijzigingen, maar dat onduidelijk bleef of hij daadwerkelijk zijn verdedigingsrechten had kunnen uitoefenen in de hoger beroepsprocedure. De vragen over de aanwezigheid bij de behandeling en de kennisgeving van oproepingen bleven onbeantwoord.

Gezien het verstrijken van de beslistermijn en het ontbreken van volledige informatie, oordeelde de rechtbank dat de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro van toepassing is. De rechtbank zag geen reden om hiervan af te wijken en besloot de overlevering te weigeren. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens onvoldoende vaststelling dat de verdedigingsrechten in hoger beroep zijn gewaarborgd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-275593-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 3 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2021 door de
Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 10 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 20 januari 2026 om de certificaten zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, de vonnissen en de antwoorden met betrekking tot artikel 12 OLW Pro af te wachten.
De zitting van 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 3 februari 2026
Bij deze tussenuitspraak [3] heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en een afschrift van de originele vonnissen in het kader van een mogelijke strafovername door Nederland, als bedoeld in artikel 6a OLW, aan het dossier toe te voegen en tevens om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank onder 4 in het kader van artikel 12 OLW Pro geformuleerde vragen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De zitting van 3 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.P.M. Balemans en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 3 februari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB en de (dubbele) strafbaarheid van het feit. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 3 februari 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
In de tussenuitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank de volgende vragen geformuleerd:
Met betrekking tot het arrest met kenmerk IX Ka 809/19
Kunt u sectie D van het EAB invullen ten aanzien van het proces in hoger beroep dat tot het arrest heeft geleid?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces in hoger beroep en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden:
a.
was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces in hoger beroep dat tot de veroordeling heeft geleid? Zo ja, hoe?
b.
heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten?
c.
zo ja, op welk moment in de procedure is dat geweest? En is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten moest doorgeven?
d.
is hij er expliciet op gewezen dat deze zogenoemde ‘adresinstructie’ gold voor de gehele procedure, dus ook voor de hoger beroepsprocedure?
e.
is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden?
f.
Wie heeft/hebben het hoger beroep ingesteld?
Met betrekking tot het vonnis van 10 december 2019 (II K 584/19) en het vonnis van onbekende datum met kenmerk II K 382/19)
I – ten aanzien van de veroordeling met kenmerk II K 382/19: wat is de datum van het vonnis?
II – ten aanzien van beide procedures II K 382/19 en II K 584/19:
Kunt u sectie D van het EAB invullen ten aanzien van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, zowel ten aanzien van eerste aanleg als ten aanzien van het hoger beroep (indien daar sprake van is geweest)?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij dit proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden:
a.
was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid? Zo ja, hoe?
b.
heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten?
c.
zo ja, op welk moment in de procedure is dat geweest? En is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse justitiële autoriteiten moest doorgeven?
d.
is hij er expliciet op gewezen dat deze zogenoemde ‘adresinstructie’ gold voor de gehele procedure, dus ook voor een eventueel hoger beroep?
e.
is de oproeping/zijn de oproepingen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden?
f.
Is er hoger beroep ingesteld? Zo ja, door wie? Kunt u voornoemde vragen eveneens voor die procedure beantwoorden?
Na de tussenuitspraak is door de Poolse autoriteiten de volgende aanvullende informatie verstrekt:
Bij bericht van 19 januari 2026 in de zaak met dossiernummer II K 382/19:
“op de vraag in punt 2)
De veroordeelde [de opgeëiste persoon] heeft de Poolse autoriteiten tijdens de procedure zijn adres meegedeeld en de dagvaardingen van de rechtbank werden naar het door hem opgegeven adres voor betekening verzonden.
- Zoals blijkt uit het dossier van [de opgeëiste persoon] , werd een aanklacht ingediend bij de rechtbank. De rechtbank stelde de datum van de zitting vast op 16 december 2019. Op dat moment zat [de opgeëiste persoon] in een andere zaak in de gevangenis, dus werd de kennisgeving van de datum van de zitting naar het adres van de gevangenis gestuurd waar hij verbleef, namelijk de onderzoeksgevangenis in Krakau, ul. Montelupich, waar hij deze op 13 november 2019 persoonlijk in ontvangst nam.
[de opgeëiste persoon] verscheen niet op de zitting op 16 december 2019, hoewel hij correct was geïnformeerd, het bewijs van ontvangst van de kennisgeving in het dossier aanwezig was en hij niet had verzocht om naar de zitting te worden gebracht. Op die dag werd het vonnis met referentienummer II K 382/19 uitgesproken, op grond waarvan hij werd veroordeeld voor: een strafbaar feit uit artikel 180a van het Wetboek van Strafrecht
tot een boete van 100 dagtarieven van elk 10 PLN, en een strafbaar feit uit artikel 263 § 2 van het Wetboek van Strafrecht, met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, tot een boete van 250 dagboetes van elk 10 PLN, waarvoor hem een totale boete van 300 dagboetes van elk 10 PLN werd opgelegd.
Vervolgens werd bij beschikking van de Rechtbank in Sucha Beskidzka van 23 april 2021, met dossiernummer II Ko 150/21, een vervangende straf van 150 dagen gevangenisstraf opgelegd in plaats van de boete die in bovengenoemde zaak II K 382/19 was opgelegd.
De veroordeelde werd naar behoren in kennis gesteld van de datum van de zitting op het door hem opgegeven adres na zijn vrijlating uit de gevangenis, namelijk ul. Traugutta 9/15 Krakau, maar hij verscheen niet op de zitting.
Op de vraag in punt 3)
[de opgeëiste persoon] werd tijdens de procedure geïnformeerd over zijn rechten en plichten met betrekking tot het doorgeven van adreswijzigingen en de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. Hij ontving deze instructie op 27 september 2019 tijdens een verhoor in het kader van de voorbereidende procedure, wat hij met zijn eigen handtekening bevestigde.”
Bij doorgestuurd emailbericht van 26 januari 2026:
“Please find enclosed a response from the Court in Warszawa in that case, together with an attachment.
I thought that they can provide me also an English version but unfortunately I did not get it.
Let me to translate briefly their letter of 30.01.2026.
“Concerning case: VIII Kop 167/21 convicted [de opgeëiste persoon] , born [geboortedag] 1984
District Court Warszawa-Srodmiescie X Criminal Dept Executive Section, as a response to your e- mail of 19.01.2026 (received at the court on 23.01.2026) informs that this particular court is not the proper one which should fulfill the attachment D to the EAW, and the court already informed about that the Dutch party.
At the same time, let us to inform you that, in the copy of the files X K 482/17 (appellate proceeding Ref. No. IX Ka 809/19) which are still at the court, there is an information that above mentioned attachment was fulfilled by the Circuit Court in Warszawa – according to the copy of the decision of 29.09.2021 which is included, together with a copy of the EAW Ref. No. VIII Kop 167/21.
Moreover the court informs that the case files X K 482/17 at the moment are in the possession of the Circuit Court in Cracow, because of the ongoing judicial proceeding concerning a summary judgement of the convicted [de opgeëiste persoon] . According to the information stated in the electronic office system convicted person [de opgeëiste persoon] was effectively informed and confirmed receipt of the summons about the specific date
of the court’s seating regarding the consideration of the application according to the Article 338a of the Polish Code of Criminal Procedure. He was present during this court’s seating and he provided to the court his address. Together with the summons he also received a written information that: “The accused is obliged to inform the proper authority about any at all change of the address or his stay for more then 7 days, as
well as about his incarceration in different case, as well as about any at all change of hid personal data which may allow to contact him, according to the article 213 par1 ///of the Code of Criminal Procedure – PR/// about which he is aware of and which are important to the proper authority. The accused person is obliged to come to every call from the proper authority leading this proceedings. About the above mentioned the accused person is going to be informed during the first interrogation ( Article 75 para 1). ///of the Code of Criminal Procedure – PR/// (…)”
De bijlage bij deze e-mail bevat een 8 pagina’s document in de Poolse taal (zonder vertaling).
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De hierover gestelde vragen zijn nog altijd onvolledig beantwoord. Zelfs op de derde zitting in deze zaak en nadat meerdere keren vragen zijn gesteld, ontbreekt nog altijd de benodigde informatie. Zo is bijvoorbeeld nog steeds onduidelijk of opgeëiste persoon in hoger beroep aanwezig is geweest bij de behandeling van zijn zaak waarbij hem een voorwaardelijke straf is opgelegd. Ook op de vragen met betrekking tot de zaak met kenmerk II K 584/19 zijn geen antwoorden gekomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vraag of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW Pro heeft kunnen uitoefenen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat op niet alle door de rechtbank bij tussenuitspraak van 3 februari 2026 geformuleerde vragen antwoord is gekomen. In het bijzonder beschikt de rechtbank niet over de benodigde informatie om de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro te kunnen toetsen met betrekking tot de hoger beroepsprocedure met kenmerk IX 809/19 en met betrekking tot de procedure van het “triggerende feit” (dat heeft geleid tot de omzetting van de in eerste instantie voorwaardelijke opgelegde straf) met kenmerk II K 584/19.
De beslistermijn biedt geen ruimte meer voor het nogmaals stellen van aanvullende vragen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en zal de overlevering weigeren.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division,Polen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.