ECLI:NL:RBAMS:2026:3071

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
81-337977-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WEDArt. 19 WEDArt. 20 WEDArt. 25 WEDArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beklag tegen beslag op gegevensdragers in Wwft-onderzoek

De klaagster wordt verdacht van het opzettelijk overtreden van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) over de periode van oktober 2016 tot heden. Het Openbaar Ministerie (OM) startte een onderzoek en kondigde in april 2025 de dagvaarding aan. De FIOD vorderde in december 2025 op grond van de Wet op de economische delicten (WED) de uitlevering en inbeslagneming van gegevensdragers met cliëntendossiers van 29 specifieke klanten.

De klaagster diende een beklag in tegen het beslag, stellende dat het onrechtmatig was wegens schending van proportionaliteit, subsidiariteit en beginselen van behoorlijke procesorde, en dat het OM zich onterecht uitbreidde buiten de periode 2016-2021. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en niet vooruitloopt op de strafzaak. De proportionaliteit en subsidiariteit betreffen het voortduren van het beslag, niet de beslaglegging zelf.

De rechtbank stelde vast dat het beslag rechtmatig was gelegd, dat de vordering toegespitst was op 29 klanten en dat de klaagster verplicht is gegevens te bewaren. Het OM had de klaagster ruim gelegenheid gegeven tot medewerking. Het persbericht van het OM beperkte de vervolging niet tot 2016-2021. Het belang van strafvordering, waaronder het aan de dag brengen van de waarheid, vordert het voortduren van het beslag. Het beklag werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op gegevensdragers is ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 81-337977-21 ([naam])
raadkamernummer : 25-032656
datum beslissing : 24 maart 2026
Beslissing van de meervoudige economische raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster] ,
[adres 1] ,
vestigingsplaats kiezend op het kantoor van mr. D.R. Doorenbos,
[adres 2] ,
hierna te noemen: klaagster of [klaagster] .

1.Feiten en procesgang

1.1.
De klaagster wordt blijkens de concept-tenlastelegging van 18 december 2025 verdacht van (het gewoonte maken van) opzettelijke overtreding van artikel 3, eerste lid en artikel 16 van Pro de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) ‘in de periode van 1 oktober 2016 tot en met heden’.
1.2.
Op 9 april 2025 heeft het Openbaar Ministerie op zijn website het volgende nieuwsbericht gepubliceerd:
‘Het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten [klaagster] te dagvaarden. De bank heeft volgens het OM structureel de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) overtreden. Jarenlang schoot de bank tekort in het doen van klantonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties. De aanleiding van het onderzoek was een melding van De Nederlandsche Bank (DNB). Het onderzoek richtte zich op de periode van oktober 2016 tot eind 2021 en bevindt zich in de afrondende fase. Het overtreden van deze wet kan grote maatschappelijke en economische gevolgen hebben. Witwassen en financiering van terrorisme is namelijk een bedreiging voor de integriteit van het financiële stelsel en voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. Het OM en de verdediging zullen met de rechtbank zittingsdata gaan inplannen.’ [1]
1.3.
De Belastingdienst/FIOD heeft bij vordering van 8 december 2025 (AMB-038-01) op grond van de artikelen 18 en 19 van de Wet op de economische delicten (WED) van de [klaagster] – kort gezegd – de uitlevering ter inbeslagneming van en/of inzage in gegevens gevorderd. In de vordering staat onder meer het volgende. [klaagster] heeft gedurende het strafrechtelijk onderzoek naar de vermoede overtreding van de Wwft aangegeven mee te werken. Op 3 november 2025 is schriftelijk verzocht tot verstrekking van gespecifieerde gegevens en bescheiden. Tussen 3 november 2025 en 5 december 2025 is meermalen om informatie verzocht. Ondanks meerdere rappels is op 1 december 2025 slechts een beperkt deel van de gevraagde informatie verstrekt. Op 5 december 2025 heeft tussen Openbaar Ministerie, FIOD en de verdediging van de [klaagster] het laatste gesprek over het informatieverzoek van 3 november 2025 plaatsgevonden. Gelet op het belang van de opsporing of de Wwft in concrete gevallen wordt nageleefd, is een selectie van klanten gemaakt. In het belang van het onderzoek naar [klaagster] wordt het gehele compliancedossier (cliëntenonderzoek) van 29 bij naam genoemde klanten over de periode oktober 2016 tot en met heden gevorderd. De FIOD weet uit onder andere informatie van DNB en auditrapporten dat deze informatie er is en in welke systemen deze informatie wordt opgeslagen.
1.4.
De Belastingdienst/FIOD heeft ook verzocht om bewijsstukken in de compliancedossiers ten aanzien van entiteiten die aan die 29 klanten zijn gelieerd te verstrekken, die [klaagster] op grond van de Wwft verplicht is te bewaren (AMB-038-A).
1.5.
Bij vordering van 9 december 2025 heeft de Belastingdienst/FIOD ook de uitlevering ter inbeslagneming van ‘alle algemene vastleggingen’ (managementinformatie, notulen, rapporten, vergaderstukken etc.) over de periode oktober 2016 tot en met 13 februari 2023 gevorderd (AMB-039-01).
1.6.
Op 9 december 2025 heeft de FIOD ten kantore van de [klaagster] in Utrecht de hiervoor onder 1.3. genoemde vordering overgelegd. [klaagster] is hier terstond uitvoering aan gaan geven, bij monde van haar raadsvrouw mr. M. Bakker ‘onder protest van gehoudenheid’.
1.7.
Op 9, 12 en 15 december 2025 heeft de FIOD in totaal zeven gegevensdragers (USB-sticks en draagbare SSD’s) van [klaagster] ontvangen en in beslag genomen.
1.8.
Het klaagschrift is op 17 december 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
1.9.
Het Openbaar Ministerie heeft bij schrijven van 23 februari 2026 zijn standpunt ten aanzien van het klaagschrift schriftelijk kenbaar gemaakt.
1.10.
De raadslieden van de klaagster hebben op 6 maart 2026, desgevraagd, een samenvatting van het klaagschrift aan de rechtbank doen toekomen.
1.11.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
1.12.
De rechtbank heeft namens de klaagster haar General Counsel mr. F. Comiche, de raadslieden van de klaagster mr. D.R. Doorenbos, mr. J. Winkels en mr. S.L. Honig, en de officieren van justitie mr. M. Lambregts en mr. S. Leeman in raadkamer gehoord.

2.Beklag

2.1.
Het klaagschrift strekt ertoe dat het beslag op de data wordt opgeheven en dat wordt bevolen dat de in beslag genomen data, inclusief alle daarvan gemaakte kopieën, zowel in fysieke alsook in digitale vorm aan de klaagster worden teruggegeven en/of wordt bevolen dat de data en alle reeds gemaakte kopieën en andersoortige verwerkingen van deze data worden vernietigd. Het klaagschrift is mede gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de op vordering verstrekte en in beslag genomen data.
2.2.
Namens de klaagster is (kort samengevat) aangevoerd dat inbeslagneming niet rechtmatig heeft plaatsgevonden omdat zij in strijd is met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit c.q. het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.
2.3.
Het Openbaar Ministerie heeft in juni 2024 zijn jarenlange onderzoek (vanaf 2021) materieel afgerond en het dossier verstrekt. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens getracht de zaak buitengerechtelijk af te doen en toen dat niet lukte in april 2025 de dagvaarding van [klaagster] aangekondigd, vergezeld van een nieuwsbericht; een publieke schuldigverklaring over een concreet afgebakende periode.
2.4.
De inbeslagneming druist in tegen het opgewekte vertrouwen dat de vervolging zich zou gaan richten op de periode 2016 tot en met 2021, leidt tot een onnodige uitbreiding van het onderzoek zonder zicht op enige toegevoegde waarde en tot een zeer bezwarende verlenging van de termijn gedurende welke [klaagster] moet wachten op berechting en tegelijkertijd ernstig wordt belemmerd in de uitoefening van haar verdedigingsrechten. Genoeg is genoeg, de maat is vol en er zijn grenzen. Het Openbaar Ministerie heeft in december 2025 de grenzen van behoorlijkheid (ver) overschreden en zal in rechte moeten worden teruggefloten, aldus de klaagster.
2.5.
Een strafvorderlijk belang is geenszins aannemelijk te achten, bij gebreke van enige aanwijsbare verdenking in latere jaren. Dit mede omdat het Openbaar Ministerie zelf reeds in april 2025 zo ver was dat het zijn conclusies had bereikt, een dagvaarding ter zitting aankondigde en nog in oktober 2025 heeft aangedrongen op de planning van die zitting.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

3.1.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond is omdat van de in het klaagschrift gestelde onrechtmatige inbeslagneming geen sprake is. Het Openbaar Ministerie heeft (samengevat) het volgende aangevoerd.
3.2.
De klacht dat niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan omdat, kort gezegd, niet op de minst bezwarende wijze zou zijn opgetreden, mist voldoende feitelijke en juridische grondslag.
3.3.
De meest bezwarende wijze waarop opgetreden had kunnen worden, is een bedrijfsdoorzoeking bij [klaagster] zonder de vooraankondiging die meestal bij bedrijfsdoorzoekingen om evidente reden achterwege blijft. In plaats van zo’n onverhoedse inval, heeft het opsporingsteam [klaagster] in vergaande mate in de gelegenheid gesteld zich telkens voor te bereiden op de inbeslagneming van vooraf opgegeven en door haar zelf uit haar administratie verzamelde informatie.
3.4.
Het betreft vrijwel steeds bewijsstukken die [klaagster] op grond van hoofdstuk 5 Wwft verplicht op een zodanig toegankelijke wijze dient te bewaren dat zij in staat is onverwijld en volledig te reageren op vragen van toezichthouders. In de ervaring van het opsporingsteam is het voor [klaagster] echter moeilijk om onverwijld en volledig aan informatieverzoeken te voldoen. Waarschijnlijk hangt dat onlosmakelijk samen met de aard van de verdenking en het feit dat [klaagster] volgens DNB sinds 2006 kampt met aanhoudende tekortkomingen ten aanzien van het aantoonbaar naleven van de Wwft.
3.5.
In het opsporingsonderzoek is lange tijd lankmoedig met die tekortkomingen omgegaan door [klaagster] extra tijd en gelegenheid te gunnen om de verzochte informatie te verzamelen. Op 9 december 2025 zijn inzage in en uitlevering van gegevens gevorderd omdat dat redelijkerwijs nodig was voor de vervulling van de in de artikelen 18, 19 en 20 WED bedoelde taak en omwille van de voortgang van het opsporingsonderzoek. Dat daaraan ‘terstond’ moest worden voldaan, is redelijk vanwege het in de vorderingen geschetste verloop in combinatie met de verplichting gegevens op een toegankelijke wijze te bewaren zodat ‘onverwijld en volledig’ gereageerd kan worden op vragen (artikelen 33 en 34 Wwft).
3.6.
Op 9 december 2025 rond 08.30 uur meldden een paar rechercheurs en de officieren van justitie zich onaangekondigd bij de balie van het hoofdkantoor van [klaagster] in Utrecht. Zij waren voor de buitenwereld niet herkenbaar als opsporingsambtenaren. De aldaar aanwezige hoofdbeveiliger werd verzocht contact te zoeken met de op dat moment aanwezige hoogstgeplaatste leidinggevende. Hierop werd tevergeefs ruim een kwartier gewacht, voordat het pand werd betreden. Nadat groepsdirectielid [persoon] de situatie was uitgelegd, deelde zij mee dat [klaagster] zou meewerken aan de WED-vorderingen.
3.7.
Nadat [klaagster] bij monde van groepsdirectielid [persoon] haar medewerking aan de WED-vorderingen had toegezegd, kwamen vanuit het pal naast [klaagster] gelegen FIOD-kantoor stapsgewijs opsporingsambtenaren over. Hun namen werden vooraf doorgegeven aan de hoofdbeveiliger en bij binnenkomst waren zij voor de buitenwereld niet als opsporingsambtenaren herkenbaar. Zij vormden samen met [klaagster] -medewerkers verschillende groepen, die gezamenlijk per informatiesysteem de door het opsporingsteam gezochte informatie verzamelden – een tijdens de doorzoeking in 2023 reeds beproefd recept. Op 10 en 11 december 2025 herhaalde deze exercitie zich in een steeds kleinere samenstelling.
3.8.
Dit aldus vormgegeven strafvorderlijk optreden was wettig en vond plaats onder het toeziend oog van een (waarnemend) rechter-commissaris die niet zijn in artikel 170 Sv Pro genoemde toezichthoudende bevoegdheden inzette. De op grond van de artikelen 18, 19 en 20 WED ingezette bevoegdheden kennen bovendien niet de voorwaarde dat de inzet ervan begrijpelijk is voor een verdachte, dat de vragen die de verdachte daarover heeft naar diens tevredenheid zijn beantwoord of dat de inzet niet strijdig is met de verwachtingen van een verdachte, zoals in klaagschrift lijkt te worden verondersteld.
3.9.
Dat er gedurende de lopende onderzoeksperiode geen concrete verdenking is ontstaan dat de klaagster een strafbaar feit heeft begaan, zoals de verdediging stelt, is onjuist gelet op het proces-verbaal van verdenking (VD-001-03). Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie op 13 december 2022 aan de verdediging schreef dat het onderzoek zich in eerste instantie zou richten op de periode tot najaar 2022, dat het vermoeden evenwel is dat de overtredingen tot heden voortduren en dat nog niet viel te zeggen in hoeverre dat ‘heden’ zou opschuiven. Daarom kan [klaagster] aan het persbericht niet het rechtens te respecteren vertrouwen ontlenen dat de opsporings- of vervolgingsmogelijkheden op enigerlei wijze zijn beperkt.
3.10.
De klacht dat sprake is van een fishing expedition en strijd met het nemo-teneturbeginsel, mist eveneens voldoende feitelijke en juridische grondslag.
3.11.
[klaagster] heeft ruim 9 miljoen klanten. De vordering van 8 december 2025 (AMB-038-01) is toegespitst op 29 klanten die het opsporingsteam heeft geselecteerd op basis van de op dat moment ter beschikking staande informatie. Voor die klantrelaties moet de bank op grond van hoofdstuk 5 Wwft verplicht gegevens bewaren.
3.12.
Die 29 klanten zijn in de vordering aangeduid met een klant-, KvK- of bankrekeningnummer en dus niet zonder enige specificatie of zonder enige restrictie.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter die over het beklag moet oordelen niet kan worden verlangd dat hij ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak treedt. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van zo’n procedure veelal het dossier, zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de strafzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter op het in de strafzaak te geven oordeel vooruitloopt. [2]
4.2.
De rechtbank moet in geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro of – zoals hier het geval is – artikel 18, eerste lid, WED gelegd beslag in de eerste plaats beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. [3]
4.3.
Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro of artikel 18, eerste lid WED de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het onder meer gaan om het aan de dag brengen van de waarheid. [4]
4.4.
Als het strafvorderlijk belang vordert dat het beslag op een voorwerp blijft voortduren, wordt het voorwerp niet teruggegeven. Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, wordt het voorwerp aan de beslagene teruggegeven, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
4.5.
Uit hetgeen onder 4.1 vooropgesteld is, volgt dat het onderzoek in raadkamer zich wel kan uitstrekken tot vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag zelf – waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen – maar niet tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen. [5]
4.6.
Of een beslag al dan niet rechtmatig is gelegd, is afhankelijk van de naleving van de formaliteiten waaraan moet worden voldaan, zoals het opmaken van een kennisgeving van inbeslagneming en het afgeven van bewijzen van ontvangst (artikel 94 lid 3 Sv Pro) of de wijze waarop beslag dient te worden gelegd op bijzondere voorwerpen zoals vorderingen, waardepapieren, onroerende registergoederen, aandelen en effecten op naam, schepen en vliegtuigen (artikel 94b Sv).
4.7.
Als in een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv de teruggave van een in beslag genomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelf onrechtmatig moet worden geacht, moet de rechtbank onderzoeken of zij de feitelijke grondslag van dat beklag voldoende aannemelijk acht en of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift moet leiden. De rechtbank mag in zo’n geval de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de klager leggen. [6]
4.8.
In het klaagschrift wordt – kort gezegd – geklaagd over de inbeslagneming van gegevensdragers met data, over het gebruik van de in beslag genomen data, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt. De strekking van de klacht is dat de inbeslagneming in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en een fishing expedition zou zijn.
4.9.
Met de al dan niet rechtmatigheid van de inbeslagneming zelf, als hiervoor onder 4.5 en 4.6 bedoeld, hebben de vragen naar de proportionaliteit en subsidiariteit van de inbeslagneming niet van doen. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen aan de orde komen bij de vraag of voortzetting van het beslag daarmee in overeenstemming is.
4.10.
Als zou worden vastgesteld dat sprake is van de gestelde onrechtmatigheden, gaat het om (onherstelbare) vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv tegen de klaagster. Als de rechtbank het klaagschrift om die reden gegrond zou verklaren en zou bevelen dat de in beslag genomen gegevensdragers met data aan de klaagster moeten worden teruggegeven en dat geen kennisgenomen mag worden van de data, zou dat gelijkstaan aan bewijsuitsluiting. En dat zou betekenen dat de rechtbank vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel, zonder dat de voor toepassing van dit rechtsgevolg in een strafzaak vereiste belangenafweging kan worden gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op onrechtmatigheid van de inbeslagneming op de daartoe aangevoerde gronden niet kan leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift. Voor een beoordeling van die verweren is in de beklagprocedure geen plaats. [7]
4.11.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de klachten betreffende de inbeslagneming bovendien ongegrond zijn. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.12.
Namens de klaagster is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie met zijn persbericht van 9 april 2025 de verwachting en ook het vertrouwen heeft gewekt dat [klaagster] niet zou worden vervolgd c.q. gedagvaard voor vermeende Wwft-overtredingen buiten de expliciet benoemde periode.
4.13.
De beginselen van een goede procesorde – waaronder het vertrouwensbeginsel – brengen mee dat als het Openbaar Ministerie (aan hem toe te rekenen) uitlatingen heeft gedaan (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) over een ingestelde of voortgezette vervolging die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, het Openbaar Ministerie aan die uitlatingen kan worden gehouden. [8]
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat [klaagster] aan het persbericht van het Openbaar Ministerie van 9 april 2025 niet een gerechtvaardigd vermoeden kan ontlenen dat het opsporingsonderzoek zich zou beperken tot de periode van 2016 tot en met 2021. Het persbericht houdt geen toezegging in dat de vervolging beperkt zou blijven tot de genoemde periode.
4.15.
Namens de klaagster is aangevoerd dat het optreden van FIOD en Openbaar Ministerie jegens klaagster op 9, 10 en 11 december 2025 niet aan de eis van proportionaliteit voldeed, zowel ten aanzien van de inbeslagneming zelf maar ook voor de wijze waarop de FIOD en het Openbaar Ministerie te werk zijn gegaan. Het valt niet in te zien waarom voor de FIOD en het Openbaar Ministerie een noodzaak zou kunnen bestaan om data in beslag te nemen die dateren van na 2021. Alsof de FIOD en het Openbaar Miniserie niet al ruim vier jaar bezig zijn met hun onderzoek, alsof zij in de voorbije jaren niet al scheepsladingen vol data hebben opgevraagd en gekregen, alsof zij niet allang hun standpunten hebben bepaald en hebben kunnen bepalen. Over een periode van ruim zes jaar worden alsnog praktisch alle denkbare informatiebronnen opgesomd waarin naar het idee van FIOD en OM mogelijk iets te vinden zou kunnen zijn dat bruikbaar zou kunnen zijn voor het onderzoek, aldus (steeds) de klaagster.
4.16.
In de (bijlage bij de) vorderingen tot uitlevering staat dat de Belastingdienst/FIOD op 3 november 2025 bij [klaagster] heeft aangekondigd te zullen gaan verzoeken om 29 specifiek gemaakte klantendossiers en specifiek gemaakte aanvullende informatie binnen twee weken uit te leveren en hierbij ondersteunding van de FIOD heeft aangeboden. Nadien heeft hierover meermalen contact plaatsgevonden tussen de FIOD en Openbaar Ministerie en [klaagster] en de verdediging. In het ‘verloop informatieverzoek’ staat dat er op 5 december 2025 telefonisch overleg heeft plaatsgevonden tussen het Openbaar Ministerie, FIOD en verdediging waarna onduidelijk is gebleven of de gevraagde informatie zou worden verstrekt. [klaagster] is verplicht om aan de opsporingsambtenaren van de FIOD binnen de door hen gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. De rechtbank is gelet op het talmen van [klaagster] van oordeel dat de vorderingen tot uitlevering en de daaropvolgende inbeslagneming en de wijze waarop zoals door het Openbaar Ministerie geschetst niet in strijd zijn met de proportionaliteit en subsidiariteit.
4.17.
In het verlengde van het voorgaande geldt dat ook geen sprake is van een zogeheten fishing expedition. De vordering van 8 december 2025 (AMB-038-01) heeft betrekking op 29 met name genoemde klanten van [klaagster] die in de vordering zijn aangeduid met een klant-, KvK- of bankrekeningnummer. [klaagster] is op grond van hoofdstuk 5 Wwft verplicht gegevens bewaren. De FIOD/Belastingdienst is bekend met de informatie over deze klanten.
4.18.
De rechtbank beantwoordt ten slotte de vraag die als eerste aan de orde zou moeten komen, of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, bevestigend. De inbeslagneming van de (gegevensdragers met) data heeft plaatsgevonden in het belang van de opsporing en is redelijkerwijs nodig voor de vervulling van de taak die de Belastingdienst/FIOD heeft. De officieren van justitie hebben ter zitting te kennen gegeven dat het strafrechtelijk onderzoek naar [klaagster] nog niet is afgerond. Dat betekent dat het belang van strafvordering – waaronder het aan de dag brengen van de waarheid valt – zich verzet tegen teruggave.
4.19.
Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de economische raadkamer,
mr. B. Vogel, voorzitter,
mr. C.P.E. Meewisse en mr. J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia en mr. K.P.M. Smeets, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Tegen deze beslissing staat voor de klaagster beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,
binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing.

Voetnoten

1.https://www.om.nl/actueel/nieuws/2025/04/09/om-gaat- [klaagster] -dagvaarden
2.Hoge Raad 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:286,
3.Artikel 18, eerste lid, WED luidt: ‘De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.’ De WED gaat van de hoofdregel uit, dat op de opsporing, vervolging en berechting van economische delicten het algemene strafprocesrecht van toepassing is, tenzij de WED anders bepaalt. Artikel 25 WED Pro houdt in dat voor zover daarvan niet in deze wet of de in artikel 1 en Pro artikel 1a genoemde wetten en besluiten is afgeweken, gelden ten aanzien van de opsporing van economische delicten de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Vgl. Rechtbank Rotterdam 22 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3871: ‘Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag op grond van artikel 18 WED Pro geldt het toetsingskader van artikel 94 Sv Pro.’
4.Hoge Raad 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
5.Hoge Raad 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004,
6.Hoge Raad 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735,
7.Vgl. Rechtbank Noord-Holland 19 juli 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10091.
8.Hoge Raad 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002 en Hoge Raad 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1509, NJ 2024/332.