ECLI:NL:RBAMS:2026:328

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
AMS 24/527, AMS 24/538, AMS 24/3088, AMS 24/3250, AMS 24/3412, AMS 24/3795, AMS 24/3886, AMS 24/3914, AMS 24/4104, AMS 24/4106 en AMS 24/7137
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verzoeken om nadeelcompensatie wegens geluidsoverlast van luchthaven Schiphol

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeken om nadeelcompensatie zijn beoordeeld wegens overschrijding van de grenswaarden voor geluid van luchthaven Schiphol over de jaren 2018 en 2019. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door de minister van Infrastructuur en Waterstaat gehanteerde berekeningsmethode voor de maximale verwachtingswaarde in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat artikel 2, derde lid, van de beleidsregel nadeelcompensatie overschrijding grenswaarden geluid luchthaven Schiphol deels buiten toepassing moet worden gelaten. De beroepen van de eisers zijn gegrond verklaard, wat betekent dat de bestreden besluiten van de minister zijn vernietigd. De rechtbank heeft de minister opgedragen om binnen 12 weken nieuwe besluiten te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De eisers hebben recht op vergoeding van hun griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de uitspraak niet automatisch betekent dat de eisers recht hebben op nadeelcompensatie, maar dat de minister nieuwe besluiten moet nemen op basis van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/527, AMS 24/538, AMS 24/3088, AMS 24/3250, AMS 24/3412, AMS 24/3795, AMS 24/3886, AMS 24/3914, AMS 24/4104, AMS 24/4106 en AMS 24/7137

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaken tussen

1. [eiser 1]uit [woonplaats] , eiser 1 (AMS 24/527),
2. [eiser 2], uit [woonplaats] , eiser 2 (AMS 24/538),
3. [eiser 3]uit [woonplaats] , eiser 3 (AMS 24/3088),
4. [eiser 4]uit [woonplaats] , eiser 4 (AMS 24/3250)
(gemachtigde: mr. A. van Schaik),
5. [eiser 5]uit [woonplaats] , eiser 5 (AMS 24/3412),
6. [eiser 6]uit [woonplaats] , eiser 6 (AMS 24/3795),
7. [eiser 7]uit [woonplaats] , eiser 7 (AMS 24/3886),
8. [eiser 8]uit [woonplaats] , eiser 8 (AMS 24/3914),
9. [eiser 9]uit [woonplaats] , eiser 9 (AMS 24/4104),
10. [eiser 10]uit [woonplaats] , eiseres 10 (AMS 24/4106)
(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
11. [eiser 11]uit [woonplaats] , eiser 11 (AMS 24/7137)
(gemachtigde: mr. Ö. Ekinci),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder

(gemachtigden: mr. T.W. Franssen, mr. M.J.W. Timmer en mr. J.J. Schaeffer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om nadeelcompensatie wegens overschrijding van de grenswaarden geluid van luchthaven Schiphol over de jaren 2018 en 2019.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door de minister gehanteerde berekeningsmethode om tot de maximale verwachtingswaarde te komen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Artikel 2, derde lid, van de beleidsregel nadeelcompensatie overschrijding grenswaarden geluid luchthaven Schiphol moet daarom deels buiten toepassing worden gelaten. De beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank onder 4 eerst in op de feiten en omstandigheden die tot de bestreden besluiten hebben geleid en onder 5 staat het overgangsrecht en het juridisch kader. Vervolgens gaat de rechtbank onder 6 tot en met 11 in op de exceptieve toetsing van de beleidsregel nadeelcompensatie overschrijding grenswaarden geluid luchthaven Schiphol. Onder 12 tot en met 16 beoordeelt de rechtbank de overige beroepsgronden van eisers. Aan het eind, onder 17, staat de beslissing van de rechtbank en welke gevolgen die heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben allen afzonderlijk een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij de minister wegens overschrijding van de grenswaarden geluid van luchthaven Schiphol. In afzonderlijke besluiten heeft de minister:
  • het verzoek van [eiser 1] deels toegewezen en een bedrag toegekend van € 2.671,68, exclusief wettelijke rente;
  • de verzoeken van [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] en [eiser 10] afgewezen; en
  • het verzoek van [eiser 11] buiten behandeling gesteld.
2.1.
Met afzonderlijke bestreden besluiten op de bezwaren van eisers heeft de minister:
- het bezwaar van [eiser 1] ongegrond verklaard en het toegekende bedrag van € 2.671,68 in stand gelaten;
  • de bezwaren van [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] en [eiser 10] ongegrond verklaard en de afwijzing van de verzoeken in stand gelaten; en
  • het bezwaar van [eiser 11] gegrond verklaard, het verzoek van [eiser 11] alsnog gedeeltelijk toegewezen en een bedrag toegekend van € 135,66, exclusief wettelijke rente.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk [1] op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] en [eiser 10] , de gemachtigde van [eiser 4] , mr. P. Meeles als waarnemer van de gemachtigden van [eiser 11] en [eiser 10] , B. Reimer namens de minister, de gemachtigden van de minister en [naam 1] en [naam 2] van To70 B.V., het consultancybureau dat de minister bij de besluitvorming heeft geadviseerd (hierna: To70). De rechtbank ziet aanleiding de zaken te voegen en één uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de verzoeken van eisers om nadeelcompensatie. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn en dat de bestreden besluiten moeten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
4. Rondom luchthaven Schiphol gelden grenswaarden voor geluidbelasting. De regels hierover zijn vastgelegd in de Wet luchtvaart en uitgewerkt in het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol 2008 (hierna: LVB). Het LVB geeft de grenswaarden voor geluid. Daartoe is een stelsel van handhavingspunten opgenomen. Voor ieder van de 60 handhavingspunten (35 handhavingspunten voor het etmaal en 25 voor de nacht) is in het LVB de locatie en de bijbehorende grenswaarde voor geluid vastgelegd. Deze grenswaarden bepalen de gemiddelde hoeveelheid geluid die in één gebruiksjaar op dat handhavingspunt mag worden geproduceerd, uitgedrukt in dB(A) Lden voor het gehele etmaal en dB(a) Lnight voor de nacht (tussen 23:00 en 7:00 uur). In geval van omstandigheden zoals groot baanonderhoud, kan de minister via een tijdelijke ministeriële regeling vrijstelling van de regels in het LVB verlenen en andere grenswaarden voor de geluidbelasting op de handhavingspunten vaststellen. Dit was aan de orde in de gebruiksjaren 2018 en 2019 [2] , in verband met groot onderhoud van respectievelijk de Polderbaan, de Buitenveldertbaan, de Zwanenburglaan en de Kaagbaan.
4.1.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) is verantwoordelijk voor de handhaving als er een overschrijding van de geldende geluidgrenswaarden wordt geconstateerd. Als grenswaarden worden overschreden omdat wordt gevlogen volgens de regels van strikt preferentieel baangebruik, dan worden deze overschrijdingen door de ILT gedoogd. Strikt preferentieel baangebruik houdt in dat de start- en landingsbanen op een andere manier worden ingezet dan met het LVB is beoogd, om zo de geluidhinder in de hele Schipholregio gemiddeld genomen te beperken. Dit had wel tot gevolg dat op sommige plekken de geluidhinder toenam, waardoor in verschillende gebruiksjaren op sommige handhavingspunten grenswaarden zijn overschreden. Het afzien van handhaven bij strikt preferentieel baangebruik wordt ‘anticiperend handhaven’ genoemd, omdat daarmee wordt geanticipeerd op de inwerkingtreding van een gewijzigd LVB waarmee niet op de grenswaarden, maar op het strikt preferentieel baangebruik zou worden gehandhaafd. Op basis van het anticiperend handhaven kunnen dus grenswaarden onder bepaalde omstandigheden worden overschreden.
4.2.
Negen omwonenden van luchthaven Schiphol, waaronder [eiser 1] en [eiser 2] , hebben in 2020 aangegeven dat zij schade hebben geleden door het anticiperend handhaven. Het gaat om overschrijdingen van de geluidsgrenswaarden bij één of meer handhavingspunten bij de Aalsmeerbaan. Zij hebben een verzoek gedaan om nadeelcompensatie op grond van de beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.
4.3.
Naar aanleiding van deze aanvragen heeft de minister de onafhankelijke adviescommissie Te Rijdt verzocht advies uit te brengen over de (toen voorliggende) negen verzoeken. De commissie Te Rijdt heeft, na het uitbrengen van conceptadviezen, met betrekking tot vijf verzoekers – waaronder [eiser 1] – geadviseerd dat zij recht hebben op nadeelcompensatie en met betrekking tot de overige vier verzoekers – waaronder [eiser 2] – dat zij daar geen recht op hebben. De adviezen van de commissie zijn, afgezien van de verschillende uitkomsten, inhoudelijk grotendeels gelijk. Naar aanleiding van vragen van de minister heeft de commissie Te Rijdt aanvullende notities uitgebracht, namelijk op 29 april 2022 de notities ‘Effect handhaving’ en ‘Aandachtsgebied schadevergoedingen Schiphol’ en op 14 juli 2022 een notitie ‘Bepalingsmethode effect overschrijdingen wettelijke grenswaarden bij woningen’.
4.4.
Vervolgens heeft de minister, omdat hij vanwege het anticiperend handhaven in de toekomst meer verzoeken om nadeelcompensatie verwachtte, de beleidsregel nadeelcompensatie overschrijding grenswaarden geluid luchthaven Schiphol (hierna: de beleidsregel) vastgesteld. In de beleidsregel, die specifiek op overschrijdingen in de gebruiksjaren 2018 en 2019 ziet, heeft de minister deels het advies van de commissie Te Rijdt overgenomen. Een aanvraag voor een vergoeding op grond van de beleidsregel kon worden ingediend in de periode 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2023.
4.5.
Op grond van de beleidsregel wordt de vergoeding voor een woning per relevant gebruiksjaar vastgesteld aan de hand van formules. Per woning moet worden vastgesteld óf en in hoeverre een overschrijding van de grenswaarde op een handhavingspunt ook leidt tot gederfd woongenot. Van gederfd woongenot is sprake als ter plaatse van de woning de geluidbelasting hoger was dan de geluidbelasting waar de eigenaar ter plaatse rekening mee moest houden. Dit wordt berekend door de maximale verwachtingswaarde (de maximale geluidbelasting ter plaatse van de woning als de grenswaarde wel gehandhaafd zou zijn) te vergelijken met de feitelijke geluidbelasting (de geluidbelasting ter plaatse van een woning die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, berekend op basis van het feitelijke vlieggedrag). Deze feitelijke geluidbelasting wordt – net als de feitelijke geluidbelasting op de handhavingspunten – na afloop van een gebruiksjaar berekend aan de hand van het daadwerkelijke gebruik van de luchthaven en de weersomstandigheden. De maximale verwachtingswaarde wordt vastgesteld op basis van de grenswaarde van het handhavingspunt in het betreffende gebruiksjaar en de maximale verschilwaarde tussen de feitelijke geluidbelasting op het handhavingspunt en de feitelijke geluidbelasting ter plaatse van de woning over de jaren 2004 tot en met 2019.
4.6.
Eisers [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] en [eiser 11] hebben op grond van de beleidsregel een verzoek om nadeelcompensatie ingediend wegens overschrijdingen van de grenswaarden geluid luchthaven Schiphol over de gebruiksjaren 2018 en 2019.
4.7.
De minister heeft vervolgens de hierboven onder ‘procesverloop’ genoemde besluiten genomen.
Overgangsrecht en juridisch kader
5. Op 1 januari 2024 is titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en daarmee het deel van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns) dat betrekking heeft op nadeelcompensatie. Uit het in artikel IV van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op deze zaken van toepassing blijft. In dit geval zijn dat de beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 en de beleidsregel.
5.1.
De overige wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaken, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Bespreking van de beroepsgronden
Exceptieve toetsing van de beleidsregel
6. Artikel 2, derde lid, van de beleidsregel bepaalt onder meer dat de vergoeding voor een woning per relevant gebruiksjaar wordt vastgesteld aan de hand van de formule: ‘Schade = WOZ-waarde x schadepercentage x (geluidbelasting – maximale verwachtingswaarde, in dB).
6.1.
Eisers voeren – kort gezegd – aan dat de gehanteerde rekenmethode onrechtvaardig is en oneerlijk uitpakt. Zij voeren gronden aan tegen het gebruik van de WOZ-waarde in de berekening van de schade en tegen de berekening van de maximale verwachtingswaarde.
6.2.
De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eisers zo dat zij een beroep doen op de exceptieve toetsing van de beleidsregel. Omdat de beleidsregel geen grondslag heeft in een wettelijk voorschrift, is sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid. [3] Buitenwettelijk begunstigend beleid kan worden getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank doet dat overeenkomstig het toetsingskader zoals uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 [4] en de uitspraak van de grote kamer van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025 [5] . Dit betekent dat de rechtbank de beleidsregel toetst op rechtmatigheid. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur vormen daarbij een belangrijk richtsnoer.
6.3.
De rechtbank gaat hieronder eerst in op het gebruik van de WOZ-waarde bij het berekenen van de schade. De rechtbank zal daarna ingaan op de gronden die zien op de berekening van de maximale verwachtingswaarde.
Gebruik van de WOZ-waarde
7. [eiser 10] voert aan dat het gebruik van de WOZ-waarde als uitgangspunt voor het berekenen van de schade in artikel 2, derde lid, van de beleidsregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en daarom buiten toepassing moet worden gelaten.
7.1.
[eiser 2] voert aan dat de door hem ervaren overlast ten onrechte wordt geobjectiveerd door deze te koppelen aan de WOZ-waarde van de woning.
7.2.
De rechtbank overweegt dat om in aanmerking te kunnen komen voor een vergoeding op grond van de beleidsregel, sprake moet zijn van gederfd woongenot. Geluidsoverlast kan zorgen voor gederfd woongenot. Het koppelen van gederfd woongenot aan de waarde van de woning, waarmee het gederfd woongenot dus als het ware wordt ‘geobjectiveerd’, wordt in de rechtspraak geaccepteerd. Gederfd woongenot wordt namelijk gezien als vermogensschade en niet als immateriële schade. [6] De minister heeft ervoor gekozen de waarde van de woning af te leiden uit de WOZ-waarde. In de toelichting op de beleidsregel staat hierover het volgende:
“(…) Door de overschrijding van de grenswaarden ondervinden hoofdbewoners een dusdanige mate van geluidbelasting waar deze redelijkerwijs geen rekening mee zullen hebben gehouden. Dit betekent dat een deel van de financiële woonlasten (bijvoorbeeld hypotheekrente, eigenwoningforfait en huur) ‘hun doel missen’: het woongenot dat tegenover de kosten zou moeten staan, wordt niet volledig genoten. Dit is een vorm van vermogensschade, die over de band van nadeelcompensatie voor vergoeding in aanmerking komt voor zover deze schade uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico, die financiële woonlasten draagt, onevenredig zwaar treft. (…)
Zoals hierboven toegelicht, is gederfd woongenot een vorm van vermogensschade die samenhangt met woonlasten die hun doel hebben gemist. De omvang van het gederfd woongenot moet daarom worden gerelateerd aan de waarde van een woning: hoe hoger de waarde, hoe hoger (in absolute zin) de schade door gederfd woongenot.
Het is in dit verband niet reëel of uitvoerbaar geacht om alle woningen van (potentiële) aanvragers te taxeren, nog daargelaten dat het onmogelijk is om in het heden betrouwbaar de precieze waarde van een woning in bijvoorbeeld het relevante jaar 2018 te taxeren. Daarom wordt de vergoeding berekend over de meest betrouwbare analoog voor de marktwaarde van een woning in het relevante jaar: de WOZ-waarde van een woning per peildatum 1 januari van het jaar ná het relevante jaar.
Omdat de begroting van schade door gederfd woongenot toch al in zekere mate abstract is, acht de minister het aanvaardbaar dat de WOZ-waarde niet in alle gevallen de exacte marktwaarde van een woning (in het verleden) zal reflecteren. Daarbij tekent hij allereerst aan dat de keuze voor de WOZ-waarde per het jaar ná het relevante gebruiksjaar, in beginsel in het voordeel van de aanvrager is. Daarnaast leidt de aansluiting bij de WOZ-waarde tot uniformiteit, voorspelbaarheid en een gelijke behandeling van alle aanvragers. De WOZ-waarde van een woning wordt immers steeds op dezelfde wijze, conform de regels van de Wet Wet waardering onroerende zaken, bepaald. Bovendien meent de minister dat individuele taxaties ook niet zonder meer betrouwbaarder zijn dan een WOZ-taxatie: ook een individuele taxatie blijft een benadering van de marktwaarde. Ter voorkoming van oneigenlijke verschillen tussen aanvragers die wel of niet over een taxatie beschikken, heeft de minister daarom de keuze gemaakt om de schade vanwege het gederfde woongenot steeds te relateren aan de WOZ-waarde.”
De rechtbank vindt deze motivering van de keuze van de minister om de WOZ-waarde te gebruiken in de berekening van de schade navolgbaar. De beleidsregel heeft een groot toepassingsgebied, waarbinnen een groot aantal woningen zijn gelegen. De WOZ-waarde wordt voor al die woningen op overeenkomstige wijze vastgesteld, zodat van ongelijke behandeling in gelijke gevallen geen sprake is. Er is naar het oordeel van de rechtbank daarom ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Tussenconclusie
7.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het hanteren van de WOZ-waarde niet onrechtmatig is. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om dit deel van de beleidsregel buiten toepassing te laten. De beroepsgrond slaagt niet.
De maximale verwachtingswaarde
8. [eiser 4] voert aan dat zijn woning op grond van de kaart bij de beleidsregel binnen het toepassingsgebied ligt en dat er daarom bij zijn woning wel sprake is van een overschrijding. De rechtbank stelt vast dat blijkens verweerders toelichting niet (meer) in geding is dat eisers woning zich in het toepassingsgebied van de beleidsregel bevindt. Wel is in geding of sprake is van overschrijding van de verwachtingswaarde.
9. Volgens [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] en [eiser 11] is de berekeningsmethode om tot de maximale verwachtingswaarde te komen in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
9.1.
[eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] en [eiser 9] voeren aan dat de uitkomsten van de beleidsregel zeer onrechtvaardig uitpakken en tot willekeur leiden.
9.2.
[eiser 10] voert aan dat het oneerlijk is dat rekening wordt gehouden met het maximale verschil tussen de grenswaarde op het handhavingspunt en de geluidbelasting op de woning. Volgens [eiser 10] had de minister de verwachtingswaarde moeten extrapoleren uit de grenswaarde. Door niet de grenswaarde, maar de feitelijke geluidbelasting te extrapoleren, ontstaat een onjuist beeld van de verwachtingswaarde. Verder is het onjuist om terug te kijken tot aan het jaar 2004 en ook alle tussenliggende jaren mee te nemen bij de bepaling van de maximale verwachtingswaarde. Het gaat slechts om de vraag of de verwachtingswaarde in een bepaald gebruiksjaar is overschreden. [eiser 10] verzoekt de rechtbank daarom de beleidsregel op deze punten buiten toepassing te verklaren wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
9.3.
[eiser 11] voert aan dat de verwachtingswaarde niet inzichtelijk is gemaakt en op willekeurige wijze lijkt te zijn vastgesteld. Volgens [eiser 11] is de beleidsregel daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
9.4.
De commissie Te Rijdt stelt in de notitie ‘bepalingsmethode effect overschrijdingen wettelijke grenswaarden bij woningen’ van 14 juli 2022 vast dat voor de bepaling van de verschilwaarden bij de woning – dat wil zeggen het verschil tussen de grenswaarde op het handhavingspunt en de verwachtingswaarde ter plaatse van de woning als de grenswaarde wel gehandhaafd zou zijn – drie methodes mogelijk zijn:
Simpele extrapolatie van overschrijdingen op handhavingspunten naar nabij gelegen woningen op basis van een eenvoudig model;
Vergelijking van realisatieniveaus bij woningen met geluidniveaus op basis van het grenswaardescenario voor dat jaar;
Vergelijking van realisatieniveaus met de beschermde werking van nabijgelegen handhavingspunten.
9.5.
De minister heeft er in de beleidsregel voor gekozen om met methode drie de verschilwaarde (en daarmee dus ook de verwachtingswaarde) vast te stellen.
9.6.
Als de grenswaarde voor geluidbelasting bij een handhavingspunt is overschreden, wordt op grond van artikel 2, derde lid, van de beleidsregel berekend welke geluidbelasting voor woningen in de buurt van het handhavingspunt maximaal verwacht mocht worden (de maximale verwachtingswaarde) op basis van de relevante grenswaarde voor het betreffende handhavingspunt en het maximale verschil tussen de (berekende) feitelijke geluidbelasting op het voor die woning relevante handhavingspunt en de (berekende) feitelijke geluidbelasting op de woninglocatie over de jaren 2004 tot en met 2019. De maximale verwachtingswaarde is van doorslaggevend belang om te bepalen of sprake is van een maatschappelijk gezien onacceptabele extra overschrijding van de geluidbelasting door het vliegverkeer en daarmee van gederfd woongenot ter zake waarvan de bewoner aanspraak kan maken op nadeelcompensatie. De minister heeft To70 gevraagd per woning de maximale verwachtingswaarde en de overschrijding daarvan te berekenen.
9.7.
Uit de toelichting bij de rapporten van To70 en het verhandelde op zitting, blijkt dat voor de berekening het volgende stappenplan wordt gebruikt. Eerst wordt per relevant gebruiksjaar bezien wat de voor dat jaar geldende grenswaarde is op het maatgevende handhavingspunt (stap 1). Vervolgens wordt bepaald wat de verschillen zijn tussen de gerealiseerde geluidbelasting op het handhavingspunt en de gerealiseerde geluidbelasting ter plaatse van de woning over de jaren 2004 tot en met 2019 (stap 2). Daarna wordt de maximale verwachtingswaarde geluidbelasting voor de woning in het relevante gebruiksjaar bepaald door de grenswaarde op het handhavingspunt in het relevante gebruiksjaar en de grootste verschilwaarde (positief of negatief) over de jaren 2004 tot en met 2019 (stap 3) bij elkaar op te tellen. Tot slot is berekend welke geluidbelasting in werkelijkheid in het relevante gebruiksjaar is opgetreden ter plaatse van de woning en of die de maximale verwachtingswaarde heeft overschreden (stap 4).
9.8.
De minister stelt zich in beroep op het standpunt dat het zorgvuldig is om bij het vaststellen van de maximale verwachtingswaarde naar de daadwerkelijke geluidbelasting ter plaatse van de woning over meerdere jaren te kijken. Daarmee is sprake van een goed onderbouwde en realistische verwachtingswaarde. Ter zitting heeft de minister nog toegelicht dat uit vaste rechtspraak volgt dat de verwachtingswaarde moet worden bepaald op basis van een reële prognose van maximaal gebruik. Volgens de minister blijkt uit het feit dat de geluidbelasting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden dat het om reëel gebruik gaat. De grootste verschilwaarde is representatief voor het reële maximale gebruik. Verder heeft de minister toegelicht dat in de berekeningen wordt uitgegaan van 2004 als eerste jaar, omdat met ingang van dat jaar gebruik wordt gemaakt van het huidige vijfbanenstelsel op Schiphol.
9.9.
De rechtbank stelt voorop dat de minister er met deze methode voor heeft gekozen om af te wijken van het advies van de commissie Te Rijdt. Over methode drie zegt de commissie Te Rijdt namelijk het volgende:
“Deze methode neemt de effectieve beschermende werking van de handhavingspunten als uitgangspunt. Er bestaat geen vaste relatie tussen het niveau bij het handhavingspunt en het niveau bij de woning, aangezien deze relatie een met de afstand toenemende onzekerheid vertoont. Slechts het maximumgeluidsniveau ter plaatse van het handhavingspunt ligt vast. Naarmate de afstand tot het handhavingspunt toeneemt, neemt de correlatie en daarmee de beschermende werking af. Het beschermingsniveau bij de woning zou kunnen worden gevonden door over de jaren 2014 – 2019 de verschilwaarden te berekenen tussen de waarde in het handhavingspunt en de waarde bij de woning, en bijvoorbeeld de op één na hoogste waarde te nemen (dit om uitzonderlijke situaties uit te sluiten). (…)
Methode 2 en methode 3 nemen voor de bepaling van het referentieniveau beide het complexe vlieggedrag mee, echter met het verschil dat methode 2 het vlieggedrag neemt zoals dat ten grondslag ligt aan de grenswaarden waarbij er een vaste relatie bestaat tussen de grenswaarde in het handhavingspunt en het bijbehorende niveau bij de woning. (…) In methode 3 is zo’n vaste relatie niet aanwezig omdat meerdere vliegpatronen mogelijk zijn die alle aan de grenswaarde voldoen, maar die in het gebied binnen en buiten de handhavingspunten tot sterke variaties in niveaus aanleiding geven. (…) De geluidbelasting van de woning wordt in beide gevallen bepaald met het daadwerkelijk in dat jaar plaatsgevonden vlieggedrag. (…) Als gevolg van de fluctuaties in vlieggedrag zal het geluidsniveau bij de woningen variëren. Door die variatie kan het gebeuren dat het niveau bij de woning, ook bij een geluidsniveau in het handhavingspunt onder de grenswaarde, hoger is dan het grenswaardescenario. Andersom hoeft een overschrijding van de grenswaarde niet te betekenen dat bij alle nabijgelegen woningen het niveau van het grenswaardescenario overschreden wordt. (…). Bij methode 3 wordt een met de afstand toenemende marge gehanteerd boven het grenswaardescenario voordat een overschrijding geduid wordt. Daardoor verzwakt in geval van methode 3 de effectieve bescherming van een grenswaarde voor het gebied bij toename van de afstand. Men zou kunnen stellen dat methode 3 de voorkeur heeft omdat methode 3 uitgaat van het enige formele vereiste, namelijk dat het vlieggedrag aan de grenswaarden in de handhavingspunten voldoet. Echter bij een benadering op basis van methode 3 zou alle onzekerheid ten laste komen van de bewoners. Alle omstandigheden in aanmerking genomen – waaronder het gegeven dat in het algemeen belang niet wordt gehandhaafd, maar waardoor een (relatief) kleine groep omwonenden met toename van de geluidbelasting kan worden geconfronteerd – is dat naar de mening van de commissie niet wenselijk. (…).”
9.10.
Het staat de minister vrij om die keuze te maken, mits hij deze voldoende motiveert. De rechtbank is van oordeel dat de minister dat niet heeft gedaan. Met name kan de rechtbank het standpunt van de minister niet volgen dat, door het grootste verschil tussen de gerealiseerde geluidbelasting op het handhavingspunt en de gerealiseerde geluidbelasting op de woninglocatie in de jaren 2004 tot en met 2019 bij de berekening te betrekken, een reële prognose van het maximale gebruik wordt berekend. Onder het maximale gebruik moet namelijk worden verstaan, het gebruik dat volgens de geldende wet- en regelgeving maximaal is toegestaan. Dat wil zeggen, gebruik van de luchthaven waarmee de grenswaarden op de handhavingspunten niet worden overschreden. Niet is gebleken dat in de rekenmethode van de minister rekening wordt gehouden met eventuele overschrijdingen van de grenswaarden op de handhavingspunten in de jaren 2004 tot en met 2019. In de berekening van To70, die de minister ter onderbouwing van de besluiten heeft overgelegd, wordt de grenswaarde niet weergegeven en is ook niet zichtbaar of die is overschreden. Het verschil tussen de gerealiseerde geluidbelasting op het handhavingspunt en de gerealiseerde geluidbelasting ter plaatse van de woning, kan dus beïnvloed zijn door een overschrijding van de relevante grenswaarde. Weliswaar stelt de minister in een aantal verweerschriften dat rekening wordt gehouden met “het grootste verschil (…) zónder overschrijding van de grenswaarden op dat handhavingspunt”, maar dit wordt niet ondersteund door de stukken in de dossiers, de (toelichting op de) beleidsregel of de toelichting van To70 op de zitting. In tegendeel, nu ook de jaren 2018 en 2019 – waarvoor de beleidsregel wegens overschrijding van de grenswaarden juist in het leven is geroepen – zijn meegenomen in de berekening, lijkt het juist waarschijnlijk dat van overschrijdingen van de grenswaarden wel sprake is geweest. Daarmee is de minister voorbijgegaan aan de beschermende functie van de grenswaarden, die ook is bedoeld voor bewoners van een woning die niet op een handhavingspunt is gelegen, en is de methode als zodanig, zonder een correctie voor die situaties waar een overschrijding van de grenswaarde aan de orde is geweest, niet geschikt om een reële verwachtingswaarde bij maximaal toegestaan gebruik vast te stellen en is de toepassing daarvan niet evenredig. Dit geldt te meer nu, zoals de commissie Te Rijdt vaststelt, bij het hanteren van deze methode alle onzekerheid met betrekking tot het verschil tussen de grenswaarde en de gerealiseerde geluidbelasting ten laste van de omwonenden komt terwijl dit niet alleen afhankelijk is van de afstand tot het handhavingspunt, maar ook van de daadwerkelijke vliegbewegingen (aantal, richting, moment, etc.) en de weersomstandigheden. Bovendien is de minister ook afgeweken van het advies van de commissie Te Rijdt om bij toepassing van deze methode uit te gaan van de op één na hoogste verschilwaarde om uitzonderlijke situaties uit te sluiten.
Tussenconclusie
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gebruikte rekenmethode voor het vaststellen van de maximale verwachtingswaarde in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit deel van artikel 2, derde lid, van de beleidsregel buiten toepassing te laten. Omdat de beleidsregel ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten van eisers [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] en [eiser 11] , zal de rechtbank de beroepen van deze eisers gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:2, 3:4, tweede lid en 3:46, eerste lid, van de Awb.
De beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] ten aanzien van de verwachtingswaarde
11. Voor [eiser 1] en [eiser 2] geldt dat zij hun verzoek om nadeelcompensatie hebben ingediend voorafgaand aan de totstandkoming en inwerkingtreding van de beleidsregel. De beleidsregel ligt daarom, in tegenstelling tot de besluiten ten aanzien van de andere eisers, niet ten grondslag aan de bestreden besluiten van [eiser 1] en [eiser 2] . Wel heeft de minister de rekenmethode uit de beleidsregel op dezelfde wijze toegepast bij de voorbereiding van de bestreden besluiten ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] . Omdat de rechtbank de rekenmethode voor het vaststellen van de maximale verwachtingswaarde onrechtmatig acht, zal de rechtbank de bestreden besluiten ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] eveneens gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:2, 3:4, tweede lid en 3:46, eerste lid, van de Awb.
11.1.
De beroepsgrond van [eiser 1] dat de minister bij de berekening van de maximale verwachtingswaarde ten onrechte niet is uitgegaan van een vast percentage, kan daarom onbesproken blijven.
Overige beroepsgronden
12. Met het oog op een zo finaal mogelijke afdoening van het geschil, zal de rechtbank hierna ook ingaan op de andere beroepsgronden van eisers die zien op andere onderdelen van de besluitvorming, niet zijnde de (berekening van) de maximale verwachtingswaarde.
Voorlichting
13. [eiser 3] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] en [eiser 9] voeren aan dat de minister onrechtmatig en onrechtvaardig heeft gehandeld, door niet alle inwoners van de gemeente Aalsmeer schriftelijk in te lichten over de nadeelcompensatie en de voorlichtingsbijeenkomst. Volgens eisers is er daardoor sprake van willekeur.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat deze eisers allen een verzoek om nadeelcompensatie hebben ingediend. Al zou de minister niet iedereen hebben ingelicht over de nadeelcompensatie, dan zijn zij daarmee dus niet in hun belangen geschaad. Eisers kunnen in hun beroepszaken alleen voor hun eigen belangen opkomen en niet voor die van andere inwoners. Overigens heeft de minister op de zitting toegelicht dat er juist veel aandacht is geweest voor communicatie over de beleidsregel en de mogelijkheid om een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen. Zo zijn de adressen die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor de nadeelcompensatie aangeschreven, hebben de landelijke dagbladen er aandacht aan besteed en heeft de NOS er een item over uitgezonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister gebruik moeten maken van fysieke meetpunten?
14. Eisers [eiser 3] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] en [eiser 9] voeren aan dat de minister gebruik had moeten maken van fysieke handhavingspunten. Eisers verwijzen naar de begin 2024 geijkte en door TNO gecertificeerde geluidsmeetpunten, die volgens hen wel een betrouwbaar beeld geven. Verder wijzen eisers op de Atlas Leefomgeving.
14.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geluidsmetingen vanaf een fysiek punt niet betrouwbaarder zijn dan berekende geluidbelasting. In tegendeel, fysieke metingen zijn vatbaar voor omgevingsgeluid en weersinvloeden. Berekeningen isoleren daarentegen de geluidbelasting die alleen vanwege vliegbewegingen in een jaar is opgetreden.
14.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister gebruik heeft mogen maken van berekeningen en daarbij heeft kunnen aansluiten bij de berekening van de geluidbelasting op grond van het LVB. Overigens hebben eisers ook geen tegenrapportage overgelegd waaruit blijkt dat het berekenen van de gerealiseerde geluidbelasting in plaats van fysieke metingen daarvan een onjuist beeld geeft van de daadwerkelijke geluidbelasting als gevolg van het vliegverkeer. De Atlas Leefomgeving is niet bruikbaar, alleen al omdat het niet per gebruiksjaar gegevens bevat over de exacte geluidbelasting op ieder handhavingspunt. De beroepsgrond slaagt niet.
Toegepaste handhavingspunten
15. Voor het berekenen van het gederfd woongenot in de zaak van [eiser 2] , heeft de minister gebruik gemaakt van handhavingspunt 29. [eiser 2] voert aan dat de minister bij de berekening van de schade van een ander handhavingspunt had moeten uitgaan. Volgens [eiser 2] had hij meer last van de vliegtuigen die overvlogen over handhavingspunt 25, dan handhavingspunt 29. Niet het handhavingspunt is de bron van het geluid, maar de vliegtuig(stromen). [eiser 2] had bovendien meer last van geluidshinder van stijgend verkeer dan van dalend verkeer.
15.1.
Voor het berekenen van het gederfd woongenot in de zaak van [eiser 10] , heeft de minister gebruik gemaakt van handhavingspunt 24. Ook [eiser 10] voert aan dat de minister ten onrechte niet is nagegaan of ter hoogte van handhavingspunt 25 ook een overschrijding van de verwachtingswaarde ter hoogte van haar woning heeft plaatsgevonden.
15.2.
De minister heeft tijdens de beroepsprocedure aanvullende notities laten opstellen door To70. Uit deze notities volgt dat per adres beoordeeld is welk handhavingspunt het meest representatief is voor de geluidbelasting ter hoogte van de woning. Bij woningen die dicht bij een handhavingspunt zijn gelegen zal er doorgaans een sterke relatie zijn tussen de geluidbelasting ter hoogte van die woning en de geluidbelasting ter hoogte van het betreffende handhavingspunt. Voor woningen op grotere afstand van een handhavingspunt, kan de geluidbelasting ter hoogte van die woningen in toenemende mate mede beïnvloed worden door andere verkeersstromen, dan (uitsluitend) de verkeersstromen die relevant zijn voor het dichtstbijzijnde handhavingspunt. Eén en ander hangt af van onder andere de ligging van de woningen en de handhavingspunten ten opzichte van de verschillende verkeersstromen van en naar Schiphol, de intensiteiten van het verkeer, de samenstelling van het verkeer, etc. Deze factoren worden meegewogen om per woning tot het meest representatieve handhavingspunt te komen. Uit de notities volgt verder dat voor de geluidbelasting ter hoogte van beide woningen drie verkeersstromen relevant zijn. Het gaat om het vertrekkend verkeer van de Aalsmeerbaan dat afbuigt naar het oosten, het vertrekkend verkeer van de Aalsmeerbaan dat uitvliegt naar het zuiden en het landend vliegverkeer op de Aalsmeerbaan. De totale geluidbelasting ter hoogte van de woningen is daarom een optelsom van de geluidbelasting veroorzaakt door de verschillende verkeersstromen.
15.3.
Verder volgt uit de notitie van To70 van 2 oktober 2025 in de zaak van [eiser 10] dat in het handhavingspunt 24 dezelfde drie verkeersstromen als bij de woning bijdragen aan de totale geluidbelasting. In dit handhavingspunt levert vertrekkend verkeer de grootste bijdrage aan de totale geluidbelasting en is er een kleine bijdrage van het landend verkeer relevant voor de totale geluidbelasting. De geluidbelasting van het handhavingspunt 24 is voor de woning van [eiser 10] daarom het meest representatief. Handhavingspunt 25 is niet representatief voor de woning, omdat de geluidbelasting daar uitsluitend wordt bepaald door het vertrekkend verkeer van de Aalsmeerbaan dat afbuigt naar het oosten.
15.4.
Uit de notitie van To70 van 23 september 2025 in de zaak van [eiser 2] volgt dat in het handhavingspunt 29 dezelfde drie verkeersstromen als bij de woning bijdragen aan de totale geluidbelasting. In dit handhavingspunt levert vertrekkend verkeer de grootste bijdrage (80 tot 90%) aan de totale geluidbelasting, maar ook landend verkeer draagt nog relevant bij. De geluidbelasting van het handhavingspunt 29 is voor de woning van [eiser 2] daarom het meest representatief. Handhavingspunt 25 is niet representatief voor de woning, omdat de geluidbelasting daar uitsluitend wordt bepaald door het vertrekkend verkeer van de Aalsmeerbaan dat afbuigt naar het oosten.
15.5.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de gekozen handhavingspunten het meest representatief zijn voor de geluidsbelasting ter hoogte van de woningen van [eiser 10] en [eiser 2] . [eiser 10] en [eiser 2] hebben geen tegenrapport overgelegd. In wat [eiser 10] en [eiser 2] hebben aangevoerd ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de minister bij de berekening van de schade (ook) van handhavingspunt 25 had moeten uitgaan. De beroepsgronden slagen niet.
Vonnis rechtbank Den Haag van 20 maart 2024
16. Voor zover eisers nog wijzen op het civiele vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2024 [7] , waarin het anticiperend handhaven als onrechtmatig is beoordeeld, overweegt de rechtbank dat het al dan niet handhavend optreden in deze zaken niet ter beoordeling voorligt. Aan dat vonnis kunnen reeds daarom geen consequenties worden verbonden voor de beoordeling van de verzoeken van eisers om nadeelcompensatie.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op de overwegingen 8 tot en met 10 zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Ter informatie voor eisers merkt de rechtbank op dat dit oordeel niet zonder meer betekent dat eisers ook recht hebben op (meer) nadeelcompensatie. Wel betekent dit dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor 12 weken.
17.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden.
17.2.
[eiser 10] , [eiser 4] en [eiser 11] krijgen daarnaast ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigden van eisers hebben een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan voor ieder afzonderlijk € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister aan ieder van de eisers het door hen betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van [eiser 10] , [eiser 4] en [eiser 11] tot een bedrag van ieder afzonderlijk € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4

Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Beleidsregel nadeelcompensatie overschrijding grenswaarden geluid luchthaven Schiphol

Artikel 1. (Begripsbepalingen)

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
  • grenswaarde: grenswaarde geluidbelasting bij een handhavingspunt als bedoeld in de artikel 4.2.1, derde en vierde lid, of 4.2.2, derde en vierde lid, van het Luchthavenverkeersbesluit Schiphol in een relevant gebruiksjaar;
  • (…)
  • relevant gebruiksjaar:vanwege overschrijding van een grenswaarde voor vergoeding in aanmerking komend gebruiksjaar. Dat zijn de gebruiksjaren 2018 en 2019, die respectievelijk lopen van 1 november 2017 tot en met 31 oktober 2018 en 1 november 2018 tot en met 31 oktober 2019;
  • (…)
  • verwachtingswaarde:de geluidbelasting die redelijkerwijs op een woonlocatie verwacht had mogen worden op basis van de grenswaarde voor enig gebruiksjaar;
  • (…)
  • WOZ-waarde: vastgestelde WOZ-waarde van de woning op de peildatum van 1 januari van het jaar direct volgend op het relevante gebruiksjaar, zoals blijkt uit de database van het WOZ-waardeloket.

Artikel 2. (Verstrekking en hoogte vergoeding)

De minister kent een hoofdbewoner op aanvraag een vergoeding toe voor schade die in de vorm van gederfd woongenot als vermogensschade is geleden door een overschrijding van een grenswaarde in een relevant gebruiksjaar waartegen door de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport niet op grond van artikel 8.22 van de Wet luchtvaart handhavend is opgetreden, en dit niet handhavend optreden het gevolg was van het toepassen van de regels voor strikt preferentieel baangebruik, bedoeld in de ontwerpwijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (Kamerstukken II 2020-2021, 29 665, nr. 399 en Externe link:www.platformparticipatie.nl/luchthavenverkeerbesluit), die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
Voor vergoeding van schade komt in aanmerking de hoofdbewoner die in een relevant gebruiksjaar gedurende het hele jaar of een gedeelte daarvan een woning bewoonde bij een handhavingspunt waar de grenswaarde is overschreden, zoals blijkt uit de kaarten in bijlage 1 en bijlage 2.
De vergoeding voor een woning, niet zijnde een bedrijfswoning of een woonschip, wordt per relevant gebruiksjaar vastgesteld aan de hand van de formules:
Schade = WOZ-waarde x schadepercentage x (geluidbelasting – maximale verwachtingswaarde, in dB)
Vergoeding = schade – normale maatschappelijke risico
(…)

Voetnoten

1.Ook de zaak AMS 24/3804 is gelijktijdig behandeld. In die zaak heeft de rechtbank separaat uitspraak gedaan.
2.Een gebruiksjaar loopt van 1 november tot en met 31 oktober van het volgende jaar.
3.Het overgangsrecht is immers van toepassing, zie rechtsoverweging 5.
5.ECLI:NL:CRVB:2025:700, rechtsoverweging 4.9.2. e.v.
6.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278 en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717, bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534.