Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3701

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
25/5808
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetArt. 5 ParticipatiewetArt. 35 ParticipatiewetZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor IPL-behandeling droge ogen conform Participatiewet

Eiser heeft op grond van de Participatiewet bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een IPL-behandeling ter behandeling van droge ogen. De aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en de kosten van deze behandeling niet worden vergoed door de zorgverzekering.

Eiser voerde aan dat de behandeling medisch noodzakelijk is, niet cosmetisch, en dat hij zich niet aanvullend kan verzekeren. Tevens stelde hij dat er sprake is van zeer dringende redenen vanwege ernstige klachten en een acute medische noodzaak. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing terecht is omdat de Zvw een bewuste keuze bevat over de vergoeding van deze kosten en dat de behandeling niet als noodzakelijke zorg binnen de Zvw wordt gezien.

De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak en een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin is bevestigd dat de Zvw in beginsel toereikend is als voorliggende voorziening. De verklaring van de huisarts en de verwijzing naar eerdere jurisprudentie leiden niet tot een ander oordeel. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een acute noodsituatie die zeer dringende bijstand rechtvaardigt.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter C.M. Delstra op 10 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de IPL-behandeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5808

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H.W. van der Lee),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) om bijzondere bijstand voor de kosten van een IPL-behandeling in verband met droge ogen. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 mei 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 5 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 22 mei 2025 een aanvraag bijzondere bijstand ingediend. Het gaat om de kosten van € 660,- voor een IPL-behandeling in verband met droge ogen. Deze kosten worden niet door de (basis) zorgverkering van eiser vergoed. Volgens eiser is een aanvullende verzekering waaronder deze kosten vallen niet beschikbaar.
4. Met het primaire besluit is de aanvraag voor de kosten van de IPL-behandeling afgewezen. Omdat de zorgverzekering deze kosten niet vergoedt, krijgt hij ook geen bijstand. Aan het primaire besluit zijn de artikelen 5, 15 en 35 van de Pw ten grondslag gelegd.
5. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) de voorliggende voorziening voor medische kosten vormt. Als een bepaalde behandeling of ingreep niet onder de dekking van de zorgverzekering valt, wordt deze niet als noodzakelijke medische voorziening aangemerkt. De aanvraag die eiser heeft gedaan voor de IPL-behandeling wordt niet door zijn zorgverzekeraar vergoed. Dit betekent dat deze kosten door de wetgever niet zijn aangemerkt als noodzakelijke kosten die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De verklaring van de huisarts van eiser van 19 juni 2025 waarin een medische grondslag wordt benoemd, doet hieraan niets af. Voor de beoordeling of een voorziening medisch noodzakelijk is in de zin van de Pw, is de aansluiting bij de dekking van de zorgverzekering doorslaggevend.
Het standpunt van eiser
6. Eiser voert aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser is het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Onder verwijzing naar de verklaring van zijn huisarts, voert eiser aan dat het gaat om een medisch noodzakelijke behandeling en niet om een ingreep vanwege cosmetische redenen. Eiser legt een declaratieoverzicht over van zijn zorgverzekeraar waaruit volgt dat de kosten niet worden vergoed. Eiser kan de kosten niet uit zijn uitkering betalen. Het is voor hem niet mogelijk om zich voor deze medisch noodzakelijke kosten aanvullend te verzekeren. Volgens eiser is wel degelijk sprake van noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden. Tot slot beroept eiser zich op een zeer dringende reden. Hij heeft ernstige klachten aan zijn ogen. Als er geen behandeling plaatsvindt zullen de klachten toenemen. Er is sprake van een (acute) medische noodzaak.
Het oordeel van de rechtbank
7. Eiser heeft zijn beroep op de Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen 2025 op de zitting ingetrokken. De rechtbank laat deze grond daarom onbesproken.
8. Eiser heeft op de zitting ter onderbouwing van zijn betoog dat verweerder de aanvraag niet mocht afwijzen op grond van een voorliggende voorziening in de Zvw, verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. [1]
9. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 15, eerste lid, van de Pw staat in de weg aan bijstandsverlening indien de kosten vallen binnen de reikwijdte van de voorliggende voorziening en in die voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over het ontbreken van de noodzaak van vergoeding van de volledige kosten. Deze bepaling staat niet aan bijstandsverlening in de weg indien de kosten buiten de reikwijdte van de voorliggende voorziening vallen. Dan is er namelijk geen voorliggende voorziening, zodat de eerste volzin niet van toepassing is. Deze bepaling staat ook niet aan bijstandsverlening in de weg indien er wel een voorliggende voorziening is en de medische noodzaak van de kosten daarin aanvaard is, maar die kosten vanwege louter budgettaire redenen buiten de vergoedingensfeer van de voorliggende voorziening vallen. In die situatie is de tweede volzin niet van toepassing. Dit is vaste rechtspraak. [2]
10. In de uitspraak van de Raad van 26 november 2024 [3] is uiteengezet hoe het zorgverzekeringsstelsel is vormgegeven en wat dit betekent voor artikel 15 van Pro de Pw. De Raad overweegt in die uitspraak dat als het gaat om medische zorg die niet behoort tot de zorg die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komt, er in beginsel van kan worden uitgegaan dat in de Zvw de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten, gelet op de vier pakketprincipes (van noodzakelijke zorg, werkzame zorg, doelmatige zorg en zorg die niet voor eigen rekening kan komen), niet noodzakelijk is. Deze vooronderstelling hangt samen met het uitgangspunt dat het stelsel van deze voorliggende voorziening niet moet worden doorkruist door bijstandverlening. Het is immers moeilijk voor te stellen dat ervoor wordt gekozen om op zichzelf noodzakelijke zorg niet in de Zvw op te nemen enkel en alleen vanwege budgettaire redenen. Omdat hiervan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat een keuze om medische zorg niet in het zorgpakket op te nemen, niet berust op louter budgettaire redenen. De bijstandverlenende instantie hoeft, indien het gaat om kosten voor medische zorg waarvoor de Zvw als voorliggende voorziening geldt, gelet op deze vooronderstelling in beginsel dus geen onderzoek te doen naar het antwoord op de vraag om welke redenen de medische zorg niet is opgenomen in het zorgpakket. Dit is in eerdere rechtspraak tot uitdrukking gebracht. Het ligt in een dergelijke situatie op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat de genoemde vooronderstelling in zijn geval niet opgaat.
11. De Zvw is dus in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de door eiser gemaakte kosten. Dit is ook zo als de gemaakte kosten - zoals in het geval van eiser - niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam maakt dat niet anders. In deze uitspraak is overwogen dat verweerder de afwijzing van de aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat niet is gebleken dat in de Zvw een bewuste beslissing over de noodzakelijkheid is genomen ten aanzien van het al dan niet vergoeden van medische kosten, specifiek wanneer iemand op bijstandsniveau leeft. Uit de in overwegging 10 genoemde uitspraak van de Raad blijkt juist dat aan de hand van de vierpakketprincipes de omvang van het zorgpakket voortdurend wordt getoetst. Hierin wordt ook meegenomen of het zorg betreft die niet voor eigen rekening mag komen. Bovendien is de uitspraak van de rechtbank Rotterdam gedaan voor de uitspraak van de Raad van 26 november 2024.
12. Verweerder kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. [4] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een acute noodsituatie. Verweerder heeft de verklaring van de huisarts van eiser daarvoor terecht onvoldoende geacht. Het beroep van eiser op zeer dringende redenen slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 17 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4230 en van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1937.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1064.