Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4250

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
13/161059-23 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLWArt. 11 OLWArt. 15 kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen tegen een persoon met duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Verweren over dubbele strafbaarheid en verjaring werden verworpen. De rechtbank stelde vast dat het vierde feit (niet betalen van alimentatie) niet strafbaar is volgens Nederlands recht, maar zag geen reden om overlevering te weigeren.

De rechtbank onderzocht de detentieomstandigheden in het Poolse remand regime, waar voorlopige hechtenis plaatsvindt in kleine cellen met beperkte tijd buiten de cel. Hoewel een algemeen gevaar voor schending van grondrechten werd vastgesteld, kan dit niet automatisch leiden tot weigering van overlevering. De rechtbank vroeg nadere informatie over de concrete tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan doorbrengen, rekening houdend met zijn persoonlijke situatie.

De rechtbank concludeerde dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het algemene gevaar weg te nemen, mede omdat het sociale contact via bezoek voor de opgeëiste persoon niet realistisch is. Daarom werd het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in staat te stellen aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit over de detentieomstandigheden.

De rechtbank benadrukte dat de wettelijke beslistermijn voor overlevering was verstreken, maar dat dit de verplichting tot beslissing niet opheft. De zaak wordt voortgezet met nieuwe zittingen en oproepingen, inclusief een tolk Poolse taal. De uitspraak is gedaan door drie rechters en griffier op 19 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek en stelt nadere vragen over detentieomstandigheden in het Poolse remand regime.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/161059-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 3 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2020 door
the Regional Court in Jelenia Góra 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.J. Linck, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Bij tussenuitspraak van 7 september 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat partijen zich ter zitting kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: Hof van Justitie).
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – in gewijzigde samenstelling, maar met instemming van partijen – voortgezet op de zitting van 28 september 2023, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie, en de door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsvrouw, mr. S.J. Linck. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij de beslistermijn van 90 dagen, als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW niet kan verlengen. Deze termijn is immers met ingang van 30 september 2023 verlopen, terwijl de rechtbank in de zaak van EAB II nog geen prejudiciële vragen heeft gesteld maar daartoe slechts een voornemen heeft geuit.
De rechtbank heeft - met toestemming van partijen - het onderzoek op de zitting van 26 oktober 2023 als enkelvoudige kamer gesloten en heeft een tussenuitspraak gewezen.
De rechtbank heeft in die tussenuitspraak het onderzoek heropend omdat zij bij tussenuitspraak van 26 oktober 2023 prejudiciële vragen heeft voorgelegd aan het Hof van Justitie met betrekking tot EAB II (parketnummer 13/161114-23). [3] Ter voorkoming van problemen rond een – eventuele – feitelijke overlevering achtte de rechtbank het noodzakelijk beide EAB’s gelijktijdig af te doen.
De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [4] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding of gevangenneming. [5]
Op 15 januari 2026 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen en de (resterende) prejudiciële vraag beantwoord. [6]
De behandeling van het EAB is - met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon - op de zitting van 5 maart 2026 hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 26 oktober 2023. De behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
  • een
  • een
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de
opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten
zijn omschreven in het EAB. [7]

4.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Zoals de rechtbank in haar tussenuitspraak met betrekking tot EAB II van 26 oktober 2023 [8] heeft vastgesteld, heeft de opgeëiste persoon aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en daarmee duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft. Uit een ten aanzien van de opgeëiste persoon opgemaakt advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (
hierna: IND) volgt ook dat de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat hij zodanige economische, sociale en taalkundige banden met Nederland heeft dat de kansen op sociale re-integratie in Nederland beter zijn dan die in de uitvaardigende lidstaat.
Gelet hierop kan de opgeëiste persoon op grond van artikel 6, derde lid, OLW met een Nederlander worden gelijkgesteld. Hij heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [9] De overlevering kan daarom worden toegestaan als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gegarandeerd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Regional Prosecutor’s Office in Jelenia Góraheeft op 8 augustus 2023 de volgende garantie gegeven:
with reference to your letter dated August 07, 2023, 1 would like to kindly inform you that the Polish party guarantees that if the prosecuted [de opgeëiste persoon] is sentenced by a Court in Poland for the acts described in the European Arrest Warrant to an absolute prison sentence, [de opgeëiste persoon] will be able to serve this prison sentence imprisonment in the Netherlands, should he so wish.
Deze garantie is naar het oordeel van de rechtbank voldoende, zodat artikel 6 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten één tot en met drie aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 tot en met 3 waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het vierde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Het feit ziet op het niet betalen van alimentatie ten behoeve van het levensonderhoud van het kind van de opgeëiste persoon. Dit levert naar Nederlands recht geen strafbaar feit op, nu uit het EAB niet volgt dat door het niet betalen van alimentatie het kind in een hulpbehoevende situatie is gebracht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overweging onder 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021. [10]
Het voorgaande betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro van toepassing is.
De verdediging heeft primair bepleit, zo begrijpt de rechtbank, om niet af te zien van weigering. Reden daarvoor is dat de opgeëiste persoon een deel van dit feit in Nederland heeft gepleegd en er binding met de Nederlandse rechtsorde is. Subsidiair, zo begrijpt de rechtbank, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de beantwoording van de in deze zaak gestelde prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van Justitie, van de Minister van Justitie en Veiligheid een garantie moet worden gevraagd dat hij in een eventuele latere procedure in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) de erkenning van een Pools vonnis ook niet zal weigeren vanwege het gebrek aan dubbele strafbaarheid.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Minister van Justitie en Veiligheid gelet op het arrest van het Hof van Justitie rekening moet houden met de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de dubbele strafbaarheid, als een terugkeergarantie is verstrekt. De WETS is intussen gewijzigd, waaruit blijkt dat het oordeel van het Hof van Justitie zal worden gerespecteerd. Te meer nu de wetgever de wet al vóór het arrest van het Hof van Justitie heeft aangepast. Daarom verwacht de officier van justitie geen problemen bij de terugkeer van de opgeëiste persoon naar Nederland, na een eventuele veroordeling, op grond van de verstrekte terugkeergarantie.
De rechtbank ziet aanleiding om van weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft, nu de Poolse justitiële autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij de opgeëiste persoon willen vervolgen, het feit is begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen terwijl het minderjarige kind in Polen woonde. De enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Nederland verbleef toen hij in de betalingsverplichting tekort zou zijn geschoten, is niet voldoende om de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro toe te passen.
Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van de raadsman verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in de uitspraak ten aanzien van het tweede EAB [11] heeft overwogen over de aanleiding voor de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen en de beantwoording daarvan door het Hof van Justitie.
Naar het oordeel van de rechtbank is met het door het Hof van Justitie geschapen kader voldoende gewaarborgd dat de Minister van Justitie en Veiligheid, behoudens de door het Hof van Justitie geschetste uitzonderingssituatie, het oordeel van de rechtbank over de weigeringsgrond van dubbele strafbaarheid zal volgen. De eerdere onzekerheid op dit punt, die aanleiding was voor het stellen van de prejudiciële vragen, kan daarom thans geen aanleiding meer zijn om gebruik te maken van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om op dit punt nadere garanties te vragen van de Minister van Justitie en Veiligheid, zoals door de raadsman verzocht. De Minister van Justitie en Veiligheid is immers gehouden de wet kaderbesluitconform uit te leggen, zodat er vanuit kan worden gegaan dat hij zich zal houden aan de uitspraak van het Hof van Justitie.
Concluderend acht de rechtbank de weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro van toepassing, maar ziet zij aanleiding om van gebruik van de weigeringsgrond af te zien.

6.Artikel 9, eerste lid, onder f, OLW

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie
De raadsman heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, zijn verjaard. De feiten één en twee zien op een in artikel 3 onder Pro B of D van de Opiumwet (Ow) gegeven verbod. Ingevolge artikel 11, tweede lid, Ow worden deze feiten met een maximumstraf van ten hoogste twee jaren bedreigd. Op grond van artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) betekent dit dat de termijn waarbinnen kan worden vervolgd met zes jaren verstrijkt. Aangezien de feiten uit 2011 stammen, is de mogelijkheid om te vervolgen dus ruimschoots verjaard. Het derde feit ziet op de diefstal van elektriciteit. Dit is een gekwalificeerde diefstal als bedoeld in artikel 311 sub Pro 5 Sr en wordt bedreigd met een straf van ten hoogste zes jaren. Daarmee komt de verjaringstermijn krachtens artikel 70, eerste lid, sub 3, Sr op twaalf jaar. De mogelijkheid om de opgeëiste persoon te vervolgen is daarom in mei 2024 verjaard.
Wat betreft het vierde feit, dit is weliswaar naar Nederlands recht niet strafbaar, maar Nederland heeft wel rechtsmacht via de gelijkstelling. Als wordt uitgegaan van artikel 255 Sr Pro, dat een ernstiger strafbaar feit dan de Poolse verdenking zou opleveren, dan bedraagt de maximaal op te leggen straf twee jaar. Dat betekent dat de mogelijkheid om de opgeëiste persoon te vervolgen na zes jaar zou zijn verjaard. Daarom kan de overlevering worden geweigerd. De opgeëiste persoon is zich er van bewust dat dit tot gevolg zou hebben dat hij zijn vrije verkeersrechten binnen de Europese Unie (tijdelijk) opgeeft.
De officier van justitie heeft, zakelijk weergegeven, tot verwerping van het verweer geconcludeerd. Er is geen sprake van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW. Daarentegen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid wel een probleem indien de opgeëiste persoon in Polen voor het vierde feit wordt veroordeeld en hij op grond van de verstrekte terugkeergarantie zijn straf in Nederland wil gaan uitzitten. Voor de Minister is de verjaring van de termijn waarbinnen de straf ten uitvoer kan worden gelegd op grond van de WETS immers een dwingende weigeringsgrond. Dit kan in theorie problemen opleveren met betrekking tot het niet betalen van de alimentatie. Aangezien het echter een theoretische casus is, verzoekt de officier van justitie de overlevering toe te staan want er is geen sprake van verjaring als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW zich niet voordoet ten aanzien van de feiten één tot en met drie. Feit één heeft betrekking op een hoeveelheid van ruim 700 gram marihuana en dat wordt ingevolge artikel 11, vijfde lid, Ow aangemerkt als een ‘grote hoeveelheid’ waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren staat. Dat heeft tot gevolg dat, net als bij de diefstal van elektriciteit, sprake is van een verjaringstermijn van twaalf jaren. Nu met betrekking tot de feiten één en twee sprake is van ééndaadse samenloop, geldt op grond van artikel 56, eerste lid, Sv het hoogste strafmaximum en dat is zes jaar. Voorts is ten aanzien van de feiten één en twee enerzijds en drie anderzijds, sprake van meerdaadse samenloop, wat betekent dat ingevolge artikel 57, tweede lid, Sr het hoogste strafmaximum dat op één van de feiten is gesteld (zes jaar) met een derde wordt verhoogd en dus acht jaar bedraagt. Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 4, Sr bedraagt de verjaringstermijn daarom twintig jaar. Dat betekent dat het recht om de opgeëiste persoon te vervolgen naar Nederlands recht nog niet is verjaard, overigens daargelaten dat de verjaring op grond van artikel 72 Sr Pro is gestuit door daden van vervolging, namelijk het uitvaardigen van nationale aanhoudingsbevelen in 2012 en 2018, alsmede het uitvaardigen van het EAB in 2020.
Ten aanzien van het vierde feit is de rechtbank van oordeel dat het niet betalen van alimentatie naar Nederlands recht niet strafbaar is en dat er daarom naar Nederlands recht geen sprake kan zijn van verjaring van het recht om te vervolgen.
Wat betreft de verjaring van de termijn waarbinnen een eventueel in Polen opgelegde straf in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden en de gevolgen die dit heeft voor de erkenning van het Poolse vonnis, ziet de rechtbank met betrekking tot de feiten één tot en met drie hetzelfde (theoretische) probleem als door de officier van justitie is geschetst. Dat laat echter onverlet dat de verjaring van de termijn waarbinnen een eventueel in Polen opgelegde straf in Nederland ten uitvoer gelegd zou kunnen worden en de daaruit voortvloeiende weigering om het vonnis te erkennen en de opgelegde straf over te nemen, in de onderhavige procedure niet ter beoordeling van de rechtbank staat. Daar komt bij dat het een zuiver theoretisch probleem lijkt, aangezien het lastig voor te stellen is dat het WETS-certificaat pas wordt ingezonden nadat de tenuitvoerleggingstermijn van de in Polen opgelegde straf naar Nederlands recht reeds is verstreken.

7.Artikel 11 OLW Pro

7.1
Het recht op een eerlijk proces
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [12]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [13]
7.2
Detentieomstandigheden in Poolseremand regimes
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging, zal hij na overlevering aan Polen in voorlopige hechtenis verblijven, oftewel
in het zogenoemde
remand regimeworden geplaatst
.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen
terechtkomen. Het kernpunt is dat in het
remand regimeslechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 [14] en 6 juni 2024. [15]
De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het
remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het
remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.
Op 20 februari 2026 heeft de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Jelenia Góra naar aanleiding van vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) de volgende informatie verstrekt:
(…) De eventuele arrestatie van [de opgeëiste persoon] na zijn overbrenging [overlevering] naar Polen zal plaatsvinden in het Huis van Bewaring (…) te Jelenia Góra (…).
Volgens het Poolse Wetboek tenuitvoerlegging van vonnissen bedraagt de oppervlakte van een cel per gedetineerde minimaal 3 vierkante meter. (…)
Personen in voorlopige hechtenis hebben recht op een dagelijkse wandeling van 60 minuten. Daarnaast hebben gedetineerden, met toestemming van de bevoegde instantie, de mogelijkheid om bezoek te ontvangen (bezoek is 3 keer per week mogelijk, de duur van het bezoek is 60 minuten) en te telefoneren. In de afdelingen waar voorlopig gearresteerde personen verblijven, zijn ook gemeenschappelijke ruimtes [recreatiezalen]. De activiteiten vinden plaats volgens een schema. Er is ook de mogelijkheid om religieuze diensten bij te wonen. Als de weersomstandigheden het toelaten, worden er sport- en recreatieve activiteiten op buitenplaatsen georganiseerd.
Naast de bovengenoemde activiteiten, die bedoeld zijn om de vrije tijd van gedetineerden te vullen, verlaten zij hun cel om: medische onderzoeken of consulten te ondergaan, sociale en levensonderhoudskwesties te regelen, deel te nemen aan proceshandelingen.
Er moet ook worden opgemerkt dat gedetineerden tijdens hun voorlopige hechtenis permanent toegang hebben tot een opvoeder (PIW'er) en een psycholoog.
Op 4 maart 2026 heeft de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Jelenia Góra naar aanleiding van nadere vragen van het IRC het volgende verklaard:
(…) De persoonlijke ruimte van ten minste 3 m² per gedetineerde omvat geen sanitaire voorzieningen.
Het is niet mogelijk om concreet aan te geven hoeveel tijd een gedetineerde gemiddeld per dag buiten zijn cel doorbrengt. De mogelijkheden om de cel te verlaten, die ik in mijn vorige brief heb genoemd, staan gedetineerden toe, maar het gaat om resocialiserende maatregelen die individueel zijn afgestemd op de problemen van gedetineerden en die tot doel hebben hun tekortkomingen weg te werken, met als doel een goede resocialisatie. Verwijzing naar specifieke resocialisatieprogramma’s vindt plaats na een grondige diagnose van de gedetineerde, analyse van documenten en eventuele psychologische of psychiatrische consulten.
Op dit moment kunnen we, zonder enige informatie over de gedetineerde, verzekeren dat hij de mogelijkheid zal hebben om dagelijks te wandelen, maximaal 3 keer per week bezoek te ontvangen en 2 keer per week deel te nemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte [recreatiezalen], wat neerkomt op 1 uur, 42 minuten en 30 seconden per dag buiten zijn cel. Er moet ook worden opgemerkt dat gedetineerden tijdens de voorlopige hechtenis permanent toegang hebben tot een opvoeder en een psycholoog.
Het standpunt van de verdediging en van de officier van justitie
De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de verstrekte garantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. De aanvullende informatie is tegenstrijdig en een groot deel van de uren die de opgeëiste persoon buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen, zou bovendien in het kader van bezoeken zijn. De vraag is of een gedetineerde zelf kan invullen dat hij drie keer per week bezoek wil hebben. Dat moet worden aangevraagd en is dus niet zeker. Daarnaast woont de opgeëiste persoon al heel lang in Nederland en woont iedereen met wie hij binding heeft in Nederland. Hij kan dus niet drie keer per week bezoek krijgen. Er is al veelvuldig gecorrespondeerd en om aanvullende informatie gevraagd en daarom moet niet opnieuw worden aangehouden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit een redelijke termijn te gunnen. De raadsman heeft daarom verzocht om over twee weken uitspraak te doen omdat de zaak ook al erg lang loopt. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van het onderzoek en het stellen van een redelijke termijn.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat met de verstrekte garantie het algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank Amsterdam heeft het in haar uitspraken eerder genoeg gevonden als een opgeëiste persoon één uur en 33 minuten per dag buiten zijn cel kon doorbrengen of één uur en 40 minuten. Dat is minder dan wat de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak gemiddeld aan tijd buiten zijn cel zal krijgen. De aanvullende informatie is daarom voldoende om het aangenomen algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon weg te nemen. Artikel 11 OLW Pro staat dus niet aan overlevering in de weg. Subsidiair wordt verzocht om aanhouding van het onderzoek omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit op dit punt nog niet door de uitvoerende rechterlijke autoriteit is bevraagd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van de verstrekte informatie geen afgewogen oordeel kan vellen over de vraag of het aangenomen algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen, al dan niet ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen.
Uit de informatie blijkt dat aan de opgeëiste persoon na overlevering een persoonlijke celruimte van minimaal 3 m2, exclusief sanitair, ter beschikking staat. Hij zal dagelijks één uur kunnen wandelen, hij zal twee keer per week kunnen deel nemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte (waarvan de duur onbekend is) en hij zal maximaal drie keer per week een uur bezoek kunnen ontvangen. Verder zou de opgeëiste persoon nog om verscheidene andere, uiteenlopende, redenen zijn cel kunnen verlaten, maar naar de rechtbank begrijpt zijn deze activiteiten afhankelijk van een op de opgeëiste persoon toegesneden resocialisatieprogramma.. In totaal zou hij met de dagelijkse wandeling, maximaal driemaal per week bezoek en tweemaal per week verblijf in de gemeenschappelijke ruimte in ieder geval één uur, 42 minuten en 30 seconden buiten zijn cel kunnen doorbrengen.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 wordt
in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. [16]
Om vast te stellen dat het algemene reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen in die gevallen waarin niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, dient de rechtbank op basis van op de opgeëiste persoon toegespitste informatie een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse
remand regimete kunnen maken.
Op grond van de aanvullende informatie is het de rechtbank onvoldoende duidelijk aan welke activiteiten de opgeëiste persoon op dagelijkse of structurele basis kan meedoen en vooral hoe lang en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon dagelijks mee kan doen aan deze activiteiten, ervan uitgaande dat hij ervoor kiest om aan de activiteiten mee te doen. Uit de aanvullende informatie blijkt niet hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon gemiddeld, onder reguliere omstandigheden in de detentie-instelling toegang heeft tot activiteiten of open ruimtes. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het drie uren per week kunnen ontvangen van bezoek in het geval van de opgeëiste persoon, die al sinds 2011 in Nederland woont en hier zijn (sociale) leven heeft opgebouwd, geen realistische optie is. Alleen al om die reden kan de door de Poolse autoriteiten gestelde tijdspanne van één uur, 42 minuten en 30 seconden buiten de cel het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegnemen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van het kaderbesluit 2002/584/JBZ nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen, nu er nog niet eerder aanvullende vragen door de rechtbank als uitvoerende justitiële autoriteit zijn gesteld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het algemene gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het
remand regimein Polen terechtkomen eerst is vastgesteld
nadatde rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld.
Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en gelijktijdig schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Kunt u concrete informatie verschaffen waaruit de rechtbank kan afleiden hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon na overlevering in het Huis van Bewaring in Jelenia Góra onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, ervan uitgaande dat de opgeëiste persoon niet in staat zal zijn driemaal per week een uur per bezoek te ontvangen. Kunt u daarbij, voor zover van toepassing, aandacht besteden aan de volgende aspecten:
  • wat is de frequentie en duur waarmee activiteiten plaatsvinden en waarmee de opgeëiste persoon toegang heeft tot eventuele openbare ruimtes buiten de cel?
  • is de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels is deze deelname afhankelijk?
  • welke eventuele andere voorzieningen of maatregelen kunnen worden genomen waardoor het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen?

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Deze prejudiciële verwijzing is bij het Hof van Justitie geregistreerd als zaak C-641/23 (
4.Zie artikel 22 OLW Pro.
5.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
6.ECLI:EU:C:2026:3.
7.Zie onderdeel e) van het EAB.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
10.Rb. Amsterdam 15 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.
11.Rb. Amsterdam 19 maart 2026, parketnummer 13/161114-23.
12.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
13.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar Hof van Justitie EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
14.Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
15.Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.
16.Rb. Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.