Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand wegens vrijheidsbeneming in het kader van een Europese aanhoudingsbevelprocedure. De procedure eindigde met een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, omdat verzoeker vermoedelijk niet meer in Nederland verbleef.
De rechtbank oordeelt dat een niet-ontvankelijkverklaring niet zonder meer gelijkstaat aan een weigering van overlevering, tenzij vaststaat dat overlevering nooit mogelijk was. In deze zaak was de overleveringsdetentie geschorst onder de voorwaarde dat verzoeker in België verbleef, en er waren geen aanwijzingen dat hij in Nederland was.
De rechtbank concludeert dat de overleveringsprocedure inhoudelijk tot overlevering had kunnen leiden en dat de vrijheidsbeneming daarom niet onrechtmatig was. De verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten worden daarom afgewezen.
Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.