AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij terugvordering bijstandsuitkering na schending inlichtingenplicht
Eiser ontving een bijstandsuitkering die per 8 juli 2022 werd ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat hij zijn verblijf in het buitenland niet of niet volledig had gemeld. Verweerder vorderde terugbetaling van € 38.489,13 over de periode 8 juli 2022 tot en met 28 februari 2025. Eiser voerde aan dat het terugvorderingsbesluit niet voldeed aan het motiveringsvereiste en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende een belangenafweging had gemaakt, zoals vereist op grond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De bijzondere medische, psychische en sociale omstandigheden van eiser, alsmede zijn beperkte digitale vaardigheden en goede wil, waren onvoldoende meegewogen. Verweerder had ook niet adequaat gemotiveerd waarom niet (deels) van terugvordering was afgezien.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De rechtbank zag geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat de belangenafweging aan verweerder toekomt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek en verweerder moet een nieuwe belangenafweging maken in een nieuw besluit.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5893
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigden: mr. F.R.G. Keijzer en mr. T.A. van der Werf),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege een motiveringsgebrek. Verweerder moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen met in achtneming van deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het primaire besluit van 22 april 2025 staat vermeld dat de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 8 juli 2022 is ingetrokken omdat eiser verweerder niet of niet volledig heeft geïnformeerd. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld. Over de periode van 8 juli 2022 tot en met 28 februari 2025 heeft eiser € 38.489,13 te veel bijstandsuitkering ontvangen. Verweerder vordert dit bedrag terug. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het terugvorderingsbesluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en nadere gronden ingediend op 17 november 2025. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft hierna meer nadere gronden ingediend op 5 maart 2026.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Uit een besluit van 1 juli 2016 volgt dat eiser een bijstandsuitkering ontving voor levensonderhoud. De bijstandsuitkering van eiser is aangepast vanaf 20 juni 2016 gelet op het aantal kostendelers dat is gewijzigd.
4. Uit een rapport van bevindingen alleenstaande verblijf in het buitenland van 21 januari 2020 volgt dat verweerder een rechtmatigheidsonderzoek is gestart omdat eiser zijn vakantie in het buitenland niet heeft doorgegeven. Na onderzoek is geconcludeerd dat eiser niet de gevraagde bewijsstukken heeft verstrekt. Het recht op bijstand kan daardoor niet langer worden vastgesteld per 15 januari 2020. Eiser heeft zelf ook verzocht de uitkering in te trekken.
5. Met een besluit van 21 januari 2020 is de bijstandsuitkering per 15 januari 2020 ingetrokken. Verweerder kan het recht op bijstand niet langer vaststellen, omdat eiser daarvoor niet alle informatie heeft gegeven.
6. Met een besluit van 4 augustus 2021 is aan eiser vanaf 15 juli 2021 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande.
7. Uit een rapport van bevindingen alleenstaande en ondertekend op 31 maart 2025 (het rapport van bevindingen) blijkt het volgende. Op verzoek van de klantbegeleider van eiser is een onderzoek gestart, omdat hij niet reageerde op oproepen. Er is een administratief vooronderzoek en een dossieronderzoek verricht. Er zijn gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Op basis van het onderzoek ziet de medewerker van verweerder aanleiding om een huisbezoek af te leggen.
8. Op 17 februari 2025 is een bezoek afgelegd aan het adres van eiser. Op hoorbaar aanbellen is niet gereageerd. Met een brief van 17 februari 2025 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 21 februari 2025. Na dit gesprek heeft in de middag en met toestemming van eiser het huisbezoek plaatsgevonden.
9. Met een brief van 24 februari 2025 heeft verweerder eiser om aanvullende gegevens verzocht.
10. Met een brief van 3 maart 2025 is eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens aan te leveren tot uiterlijk 10 maart 2025. Verweerder heeft vermeld welke gegevens nodig zijn met betrekking tot de bankafschriften van de ING, de Iraanse bankafschriften, het doorlopend krediet en de gegevens uit Iran.
11. Met een besluit van 10 maart 2025 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser opgeschort. Eiser heeft geen volledige informatie overgelegd. Eiser moet de gegevens uiterlijk 24 maart 2025 aan verweerder overleggen.
12. Met een brief van 26 maart 2025 is eiser uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 28 maart 2025.
13. De uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van bevindingen en hierin is geconcludeerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat niet alle relevante informatie is verstrekt. Eiser heeft langer in het buitenland verbleven dan toegestaan. Er is geadviseerd om de bijstandsuitkering in te trekken.
14. Met een besluit van 3 april 2025 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder de uitkering van eiser vanaf 8 juli 2022 ingetrokken. Verweerder kan het recht op bijstand niet vaststellen omdat eiser daarvoor niet alle informatie heeft gegeven. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze informatie alsnog te geven. En eiser heeft langer dan toegestaan verbleven in het buitenland. Dit besluit is gebaseerd op schending van de medewerkingsplicht op grond van artikel 17, tweede lid, en artikel 54, derde lid, van de Pw. De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit.
15. In het primaire besluit staat vermeld dat de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 8 juli 2022 is ingetrokken omdat eiser verweerder niet of niet volledig heeft geïnformeerd. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser over de periode van 8 juli 2022 tot en met 28 februari 2025 € 38.489,13 te veel bijstand heeft ontvangen. Verweerder vordert dit bedrag van eiser terug. Volgens verweerder heeft eiser ondanks herhaaldelijk verzoek de benodigde informatie niet overgelegd. Daarnaast verbleef hij langer dan toegestaan in het buitenland.
16. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser hem niet binnen een termijn van een maand heeft geïnformeerd over zijn verblijf in het buitenland. Volgens de verklaring van 21 februari 2025 was eiser van 7 augustus 2022 tot en met 22 juli 2023 in Duitsland en van 27 augustus 2024 tot en met 20 februari 2025 in Iran. Eiser is in de gelegenheid gesteld om met concrete feiten te onderbouwen dat hij tussen deze twee periodes in Amsterdam verbleef. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De grondslag van de vordering is daarmee terecht vastgesteld op schending van de inlichtingenplicht over de periode van intrekking (8 juli 2022 tot en met 28 februari 2025).
Verweerder is daarmee wettelijk verplicht de te veel betaalde bijstand van eiser terug te vorderen. De bezwaargrond met betrekking tot zijn persoonlijke en gezinssituatie die eiser heeft aangevoerd om de terugvordering te verlagen of hiervan af te zien, slaagt niet, gezien voornoemde wettelijke verplichting. De bezwaargrond dat de hoogte van de terugvordering buitenproportioneel en deels te wijten zou zijn aan het trage handelen van het college, wordt niet gevolgd. Het college werd pas door eiser op de hoogte gebracht van zijn verblijf in het buitenland toen hij daar achteraf opgave van deed tijdens het gesprek op 21 februari 2025. Dit gesprek vond plaats naar aanleiding van een melding van 30 december 2024 van de klantbegeleider van eiser dat hij niet op herhaalde oproepen in het kader van zijn re-integratie was verschenen. Als eiser zijn verblijf in het buitenland eerder en uit eigen beweging had gemeld door middel van de daarvoor geldende procedure, was zijn uitkering op een eerder moment beëindigd. Tot slot wordt bij de invordering van de terugvordering rekening gehouden met de draagkracht uit inkomen en vermogen. Eiser wordt daarbij beschermd door de systematiek van de beslagvrije voet.
Het standpunt van eiser
17. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de ongeschreven en algemene rechtsbeginselen. In het bijzonder artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Zelfs indien sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, kan de terugvordering niet over de gehele periode in stand blijven. De schending kan immers slechts betrekking hebben op de periode waarin eiser daadwerkelijk in het buitenland verbleef. Deze periode beslaat niet de gehele terugvorderingsperiode, hetgeen door verweerder wordt miskend. Eiser voert verder aan dat verweerder op grond van dringende redenen moet afzien van terugvordering en wijst daarbij naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad). Op grond daarvan moeten alle relevante omstandigheden worden meegewogen, waaronder de medische, sociale en financiële gevolgen. In het geval van eiser is sprake van een combinatie van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden die maken dat terugvordering tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Eiser kampte in de betreffende periode met ernstige medische en psychische klachten. Hij had last van astma, nierstenen, en liep tijdens een verblijf in Iran zware verwondingen op na een hondenbeet, waarvoor hij moest worden geopereerd en langdurig moest herstellen. Hierdoor kon hij niet terugkeren naar Nederland. Zijn huisarts bevestigt dat hij fysiek en mentaal zwak is, snel ziek wordt, sterk onder stress lijdt en medicatie gebruikt tegen depressie, angst en paniek. Het overlijden van zijn moeder en de traumatische gebeurtenissen rondom de begrafenis hebben geleid tot ernstige psychische ontregeling, waaronder slapeloosheid, angst en emotionele instabiliteit. Daarnaast verkeert eiser in een kwetsbare financiële en sociale positie. De terugbetaling is feitelijk onmogelijk en zal zijn situatie verder laten escaleren. Eiser heeft altijd uit goeder trouw gehandeld. Verweerder heeft zelf geconstateerd dat eiser wel de wil had om aan de verzoeken te voldoen maar moeite had met digitale vaardigheden. Hij heeft volledig meegewerkt aan gesprekken en huisbezoeken en nooit bewust informatie achtergehouden.
Eiser wijst op het aandeel van verweerder in het ontstaan en laten oplopen van de terugvordering. [1] Er waren al jaren signalen dat mogelijk niet volledig aan de inlichtingenplicht werd voldaan, maar pas in 2025 is onderzoek verricht. Door dit late optreden heeft de gemeente het terugvorderingsbedrag laten oplopen tot bijna € 40.000,-.
Tot slot is geen maatwerk geboden terwijl duidelijk was dat eiser medische beperkingen had en niet digitaal vaardig was.
Het oordeel van de rechtbank
18. Verweerder is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw.
19. In de uitspraken van 10 december 2024 heeft de Raad een ruimere invulling gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw. [2] De Raad overweegt dat de wetgever de bijstandverlenende instantie een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven bij de beslissing of sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Bij de gebruikmaking daarvan moet de bijstandverlenende instantie een belangenafweging maken. Dat brengt, voor zover hier van belang, mee dat het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een evenwichtige belangenafweging. Tegenover het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel ontvangen is, staat het belang van de betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. In dat verband moet naar het oordeel van de Raad niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het bestuursorgaan is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen. Van belang is ook het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. [3]
20. De beroepsgrond dat een kenbare, evenwichtige belangenafweging ten aanzien van de terugvordering in het bestreden besluit ontbreekt, slaagt. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit geen belangenafweging is gemaakt in overeenstemming met de hiervoor genoemde rechtspraak van de Raad. Zo is onvoldoende in gegaan op de bijzondere omstandigheden tezamen en het aandeel van eiser in de ontstane situatie. Uit het rapport van bevindingen [4] kan bijvoorbeeld worden opgemaakt dat het niet goed gaat met eiser, maar dat hij wel aan het informatieverzoek probeert te voldoen. Dit gebrek is in het verweerschrift, waarin is verwezen naar de motivering van het bestreden besluit, niet hersteld. De door verweerder op zitting gegeven toelichting, vindt de rechtbank onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
21. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet (deels) van terugvordering is afgezien. Het beroep is om die reden gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het op de weg van verweerder ligt om de genoemde belangenafweging te maken en daarin mee te wegen of eiser een (vol) verwijt kan worden gemaakt van het schenden van de inlichtingenplicht.
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Eiser wijst op de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726