Eiseres was sinds oktober 2024 in dienst bij PostNL en werd op staande voet ontslagen. Zij vroeg in april 2025 een WW-uitkering aan. Verweerder besloot dat zij recht had op de uitkering, maar dat deze niet werd uitbetaald vanwege verwijtbare werkloosheid. Eiseres maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend.
Eiseres betwistte dat het primaire besluit op 1 mei 2025 in Mijn UWV was geplaatst en stelde dat het bezwaar daardoor mogelijk wel tijdig was. Verweerder toonde aan dat het besluit op de datum van het besluit zelf was geplaatst, wat niet werd betwist door eiseres. De rechtbank volgde verweerder en oordeelde dat de bezwaartermijn correct was gestart en het bezwaar te laat was.
De rechtbank wees het beroep af, maar veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres, omdat verweerder pas op de zitting duidelijkheid gaf over de datum van plaatsing van het besluit. De rechtbank wees ook op toekomstige verbeteringen in de communicatie door verweerder.