Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5531

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25/1408 en 25/1405
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZArt. 8:72 derde lid aanhef en onder b AwbArt. 1 onder b Besluit proceskosten bestuursrechtWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmArtikel 79 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en vergoeding proceskosten WOZ-taxaties met indexering uurtarief

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam had de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op respectievelijk €613.000 en €598.000 voor de belastingjaren 2023 en 2024. Na bezwaar werden deze waarden verlaagd naar €375.000 en €373.000. In beroep was alleen de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar nog in geschil.

Eiser betwistte het gehanteerde uurtarief van €53 exclusief btw voor de taxatierapporten, omdat dit sinds 2018 niet was geïndexeerd. De rechtbank oordeelde dat het uurtarief ambtshalve moest worden vastgesteld en verhoogde dit naar €58 exclusief btw, rekening houdend met een redelijke stijging en de aard van de werkzaamheden.

Verder werd geoordeeld dat de correctiefactor van 0,25 uit artikel 30a van de Wet WOZ onterecht was toegepast op de proceskostenvergoeding over 2023 vanwege overgangsrecht, maar terecht over 2024. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding in bezwaar voor 2023 vast op €666 en voor 2024 op €161,75. Ook werden kadasterkosten en kosten voor taxatierapporten vergoed, wat leidde tot een totaal van €1.399,99 aan proceskosten in bezwaar.

Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in beroep van €145,94 en het griffierecht van €53. De beroepen werden gegrond verklaard en de bestreden uitspraken vernietigd voor zover zij de proceskosten betroffen.

Uitkomst: De rechtbank stelt het uurtarief voor WOZ-taxaties vast op €58 exclusief btw en wijzigt de proceskostenvergoeding in bezwaar voor de belastingjaren 2023 en 2024.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/1408 en 25/1405

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaken tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde])
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de aanslag van 31 december 2023 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 613.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing voor 2023 bekendgemaakt.
De heffingsambtenaar heeft in de aanslag van 31 juli 2024 de WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 598.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing voor 2024 bekendgemaakt.
Eiser heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. In de uitspraken op bezwaar van
12 februari 2025 (de bestreden uitspraak I) en 19 februari 2025 (de bestreden uitspraak II) heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gewijzigd vastgesteld op € 375.000,- voor het belastingjaar 2023 en € 373.000,- voor het belastingjaar 2024.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraken I en II beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2025. Namens de gemachtigde van eiser was [de persoon] aanwezig. De heffingsambtenaar was aanwezig in de persoon van mr. H. Oderkerk.
Op 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaken doorverwezen ter behandeling door de meervoudige kamer.
Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Namens de gemachtigde van eiser was wederom [de persoon] aanwezig. De heffingsambtenaar was aanwezig in de persoon van mr. P.E.H.A. Ingenhou.

De aanleiding voor deze procedure

1. Partijen zijn het eens over de vaststelling in bezwaar van de WOZ-waarde van de woning op € 375.000,- voor het belastingjaar 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) en op € 373.000,- voor het belastingjaar 2024 (waardepeildatum 1 januari 2023).
2. In beroep is enkel nog in geschil de hoogte van (verschillende elementen van) de proceskostenvergoeding in bezwaar.

Het oordeel van de rechtbank

3. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in de bestreden uitspraak I ten onrechte twee in plaats van vier uur heeft vergoed voor de inpandige taxatie van de woning en in de bestreden uitspraak II ten onrechte helemaal geen uren heeft vergoed voor de inpandige taxatie van de woning. Verder voert eiser aan dat de heffingsambtenaar in beide zaken ten onrechte geen kadasterkosten (€ 5,40 per zaak) heeft vergoed, terwijl daarom in de ingediende bezwaarschriften uitdrukkelijk is verzocht. Eiser betwist daarnaast het gehanteerde uurtarief voor taxateurs omdat dit tarief sinds 2018 niet is geïndexeerd. Tenslotte stelt eiser dat de correctiefactor van 0,25 uit artikel 30a van de Wet WOZ onterecht is toegepast op de proceskostenvergoeding in bezwaar in beide zaken.
4. De heffingsambtenaar is het eens met eiser dat hij in beide zaken voor de inpandige taxatie van de woning recht heeft op een vergoeding van vier (in plaats van twee) uur, maar dan wel vermenigvuldigd met een (niet geïndexeerd) uurtarief van € 53,- excl. btw. Volgens hem heeft eiser ook recht op vergoeding van de kadasterkosten.
5. Nu de heffingsambtenaar eiser in beroep op deze punten tegemoetkomt, is het beroep gegrond. De rechtbank komt later in deze uitspraak terug op de gevolgen die zij hieraan verbindt.
Het uurtarief
6. Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar terecht een uurtarief van € 53,- excl. btw heeft gehanteerd voor de vergoeding voor het taxatierapport.
7. Eiser betwist de geldigheid van dit uurtarief. Hij vindt het bedrag te laag, omdat dit tarief sinds de vaststelling in de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (hierna: de Richtlijn) in 2018 niet meer is geïndexeerd. Dat is discriminatoir voor taxateurs in vergelijking met andere deskundigen die het genot hebben van artikel 6 van Pro het Besluit register deskundige in strafzaken (hierna: BTS). Immers, het maximumbedrag van artikel 6 BTS Pro is sinds 2018 wel jaarlijks geïndexeerd. Bij arrest van 13 juni 2025 is de Hoge Raad bovendien teruggekomen op het feit dat de Richtlijn moet worden opgevat als recht in de zin van artikel 79 RO Pro. [1] Eiser vindt dat het uurtarief voor taxatiewerkzaamheden in 2024 ten minste € 70,09 excl. btw en € 84,81 incl. btw moet bedragen.
8. Volgens de heffingsambtenaar moet het uurtarief niet worden geïndexeerd. Daarvoor verwijst hij naar een uitspraak van 23 mei 2024 van het Gerechtshof Amsterdam. [2]
9. De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in rechtsoverweging 4.1.6 van het arrest van 13 juni 2025 het volgende geoordeeld over het te hanteren tarief bij woningtaxaties: “
Dit neemt niet weg dat het wenselijk is dat de gerechten in feitelijke instantie op dit punt uniformiteit nastreven (zie hiervoor in 4.1.3). Toepassing van de Richtlijn is daarvoor een aanvaardbaar en geëigend middel. De gerechten in feitelijke instantie zijn echter niet op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging gehouden om in overeenstemming met de Richtlijn te beslissen, aangezien deze niet is vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters in die zin te binden. Zij zijn daarom, indien zij de Richtlijn niet toepassen of wanneer zij daarvan afwijken, evenmin gehouden te motiveren waarom zij dat doen.” Naar aanleiding van dit arrest is de Richtlijn per 22 december 2025 ingetrokken, zonder vaststelling van een overgangsregeling. [3]
10. Uit vaste jurisprudentie over artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat de deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking komen als inschakeling van een deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat een redelijk uurtarief afhangt van de aard van de werkzaamheden en dat ten hoogste het maximumtarief uit het BTS geldt. [4] Nu de € 53,- excl. btw gebaseerd is op de vergoeding die in de richtlijn wordt gegeven en de richtlijn inmiddels niet meer van kracht is, kan alleen al daarom niet zonder meer van een uurtarief van € 53,- excl. btw worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom ambtshalve aan de hand van de redelijkheidstoets vaststellen welk tarief moet worden gehanteerd.
11. De rechtbank stelt het uurtarief in deze zaak vast op € 58,- excl. btw en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank acht een (beperkte) verhoging ten opzichte van het tarief uit de Richtlijn (van 2018: € 53,- excl. btw) redelijk en passend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de Richtlijn van 2013 nog een uurtarief van € 50,- excl. btw werd gehanteerd, zodat tussen 2013 en 2018 sprake was van een stijging van circa 6%. Als deze stijging wordt geëxtrapoleerd naar de periode nadien, leidt dit tot een tarief in de orde van € 58,- excl. btw per uur. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de tarieven in het BTS jaarlijks worden geïndexeerd, wat bevestigt dat een zekere tariefstijging gerechtvaardigd is, zonder dat deze indexatie of het opgenomen maximumtarief zonder meer maatgevend is voor de onderhavige werkzaamheden. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel de aard van de werkzaamheden. [5] Het gaat om werkzaamheden verricht door een vastgoeddeskundige in het kader van een woningtaxatie met inpandige opname. Deze zijn niet van wetenschappelijke, maar wel van bijzondere aard, waarbij de mate daarvan wordt bepaald door de aard en complexiteit van de getaxeerde onroerende zaak. Nu dit echter niet dusdanig complex is, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te sluiten bij het maximumtarief van het BTS. Bij de vaststelling van het tarief is ook rekening gehouden met het feit dat geen factuur in het dossier aanwezig is en geen sprake is van automatisch opgemaakte computer-gegenereerde taxatierapporten. [6]
12. Omdat in beide zaken al door de heffingsambtenaar is toegezegd om vier uren per taxatierapport te vergoeden, komt de rechtbank niet toe aan een redelijkheidstoets van het aantal uren. De rechtbank merkt wel op dat een tijdsbesteding van vier uur voor de betreffende woningtaxaties met inpandige opname haar aan de ruime kant voorkomt.
13. Voor zover eiser een beroep doet op het discriminatieverbod verwijst de rechtbank naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2024 [7] . Van een discriminerend onderscheid is geen sprake, gelet op de in rechtsoverweging 5.7 van die uitspraak weergegeven gronden.
Proceskostenvergoeding bezwaar
14. De heffingsambtenaar heeft de vergoeding voor de proceskosten in bezwaar in beide zaken vastgesteld op € 161,75 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647, een wegingsfactor 1 en correctiefactor 0,25).
15. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding in bezwaar over belastingjaar 2023 is volgens eiser de correctiefactor van 0,25 onterecht toegepast omdat de aanslag waartegen het bezwaar is gericht, dateert van vóór de invoering van artikel 30a van de Wet WOZ op 1 januari 2024. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding in bezwaar over belastingjaar 2024 meent eiser dat sprake is van een bijzonder geval overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, [8] waardoor toepassing van de correctiefactor van 0,25 achterwege dient te blijven. Eiser voert aan dat zijn gemachtigde namelijk geen gebruik maakt van gestandaardiseerde tekstblokken. De heffingsambtenaar is het met eiser eens dat voor het belastingjaar 2023 ten onrechte de correctiefactor van 0,25 is toegepast. Voor het belastingjaar 2024 is die correctiefactor volgens de heffingsambtenaar wel terecht toegepast.
16. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding in bezwaar over belastingjaar 2023 oordeelt de rechtbank dat artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ op grond van het overgangsrecht (art. IV Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, hierna: WHpkv) niet van toepassing is, omdat het bezwaar niet gericht was tegen een na 1 januari 2024 bekendgemaakte beschikking. De aanslag dateert namelijk van 31 december 2023. De rechtbank zal daarom de vergoeding voor de proceskosten voor de bezwaarfase over belastingjaar 2023 opnieuw vaststellen op € 666,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1).
17. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding in bezwaar over belastingjaar 2024 overweegt de rechtbank dat het bezwaar wel gericht was tegen een na 1 januari 2024 bekendgemaakte beschikking. De aanslag dateert namelijk van 31 juli 2024. De rechtbank zal daarom beoordelen of er sprake is van een bijzonder geval. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen waarin aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 april 2025 verder geoordeeld dat niet doorslaggevend is wat in de specifieke procedure is verricht, maar hoe de gemachtigde in algemene zin zijn inkomsten verwerft. Voor het derde kenmerk (‘vergaande overdekking’) is een vergelijking vereist tussen het totaal aan ontvangen proceskostenvergoedingen en de daaraan toerekenbare kosten van het kantoor of de gemachtigde. [9] Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de correctiefactor. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser zijn beroep op het arrest van de Hoge Raad in deze zaak niet concreet toegelicht, bijvoorbeeld door inzicht te geven in zijn achterliggende bedrijfsmodel. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 30a tweede lid, van de Wet WOZ. Dat de gemachtigde van eiser geen gestandaardiseerde werkwijze heeft, doet daar niets aan af, nu dat slechts een aanwijzing kan zijn voor het voeren van procedures op een zodanige wijze dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Dit betekent dat de heffingsambtenaar ter bepaling van de proceskostenvergoeding in bezwaar over belastingjaar 2024 terecht toepassing heeft gegeven aan de in artikel 30a tweede lid, van de Wet WOZ vermelde correctiefactor van 0,25.

Conclusie en gevolgen

19. De beroepen zijn gegrond omdat de heffingsambtenaar de proceskostenvergoeding in bezwaar op verschillende punten onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de vergoeding van de kosten van het bezwaar. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. [10]
20. De rechtbank stelt, onder verwijzing naar overweging 16 de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar voor het belastingjaar 2023 vast op € 666,-. De heffingsambtenaar moet dit bedrag, zo nodig verminderd met het in dit kader al betaalde bedrag, aan eiser vergoeden. De door de heffingsambtenaar vastgestelde proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar voor het belastingjaar 2024 van € 161,75 blijft ongewijzigd (zie overweging 17 en 18 hiervoor). Voor zover de heffingsambtenaar dit bedrag nog niet aan eiser heeft betaald, moet hij dat nog doen.
21. Daarnaast komen ook de kosten in bezwaar voor het opmaken van de taxatierapporten in beide belastingjaren voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank gaat uit van 4 uur per taxatie tegen een uurtarief van € 58,- exclusief btw, wat leidt tot € 232,- per zaak, te vermeerderen met 21% btw tot € 280,72 per belastingjaar.
22. Ook de kadasterkosten van € 5,40 per belastingjaar komen voor vergoeding in aanmerking.
23. Gelet op het voorgaande bedragen de proceskosten in bezwaar voor belastingjaar 2023 € 952,12 en voor belastingjaar 2024 € 447,87. De proceskosten in bezwaar komen daarmee op een totaalbedrag van € 1.399,99.
24. De rechtbank ziet verder aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 145,94 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het twee keer verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor 0,25 en correctiefactor 0,25). De rechtbank stelt de wegingsfactor vast op 0,25, omdat uitsluitend de vergoeding van proceskosten in geschil is. De correctiefactor op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wordt toegepast overeenkomstig overweging 17 en 18.
Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraken I en II voor zover deze betrekking hebben op de vergoeding van de proceskosten in bezwaar;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraken I en II;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 1.399,99, zo nodig te verminderen met de al betaalde proceskosten in bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 145,94;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, mr. J.C.S. van Limburg Stirum en mr. L.A.L. Wiersinga, leden, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier.
griffier
voorzitter
Uitgesproken op 19 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2025:661, r.o. 4.1.5.
2.Hof Amsterdam 23 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1645.
3.Staatscourant 2025, nr. 44501.
4.HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919.
5.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259, met verwijzing naar HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919.
6.Vgl. Rb. Noord-Holland 3 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2304 en Rb. Zeeland West-Brabant 3 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1589.
7.Hof Amsterdam 23 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1645.
10.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.