Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5661

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
13-043455-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLWArt. 28 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in EAB-procedure wegens detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Franse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 2001. Na een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat er een reëel gevaar bestond voor schending van grondrechten door de detentieomstandigheden in de Franse gevangenis Fleury-Mérogis, werd de procedure aangehouden om aanvullende informatie te verkrijgen.

De Franse autoriteiten konden echter geen concrete garanties geven over de leefomstandigheden, met name over de plaatsing na de tijdelijke detentie in de arrival wing en de beschikbare persoonlijke leefruimte in de cel. Ondanks herhaalde verzoeken via het Internationaal Rechtshulp Centrum werden deze garanties niet verstrekt.

De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht primair om niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair om overlevering toe te staan. De officier van justitie wilde de procedure aanhouden voor aanvullende vragen, maar stelde subsidiair ook niet-ontvankelijkheid voor.

De rechtbank oordeelde dat binnen een redelijke termijn geen wijziging van omstandigheden was opgetreden die het reële gevaar voor onmenselijke behandeling kon wegnemen. Daarom werd geen gevolg gegeven aan het EAB, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en de overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en heft de overleveringsdetentie op wegens onvoldoende garanties over humane detentieomstandigheden in Frankrijk.

Uitspraak

22 RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-043455-26
Datum uitspraak: 28 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 januari 2025 door
the Deputy Prosecutorvan de
Bobigny Court of Justice, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Frankrijk),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 8 april 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB aangevangen, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De tussenuitspraak van 22 april 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in de detentie-instelling
Fleury-Mérogis. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW zal de rechtbank op de volgende zitting moeten nagaan of er binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 28 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. ten Tuijnte, en door een tolk in de Franse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraak van 22 april 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3) en de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in Frankrijk

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5 van de tussenuitspraak. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak aan de hand van de aanvullende informatie heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk tijdelijk, voor enkele dagen, in de “
arrival wing” van de detentie-instelling
Fleury-Mérogiszal worden geplaatst. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onduidelijk was op welke afdeling de opgeëiste persoon daarna zal worden geplaatst. Voorts konden de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties geven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken in een meerpersoonscel.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie op 18 mei 2026 aanvullende vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 19 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“As mentioned by my collegues in the precedent exchanges,we cannot provide the requested guaranteesbecause the flow of inmates entering and leaving depends on the execution of judicial decisions. The rule in France is that the capacity of the unit is determined by the circular of March 16, 1988, based on the floor area of the premises. Therefore, the area of the sanitary space is included in the total floor area of the premises, with the size of the sanitary facilities—subject to technical constraints—ranging between 1.4 and 1.8 m².”(Onderstreping door de rechtbank).
4.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair bepleit dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Franse autoriteiten hebben immers op 19 mei 2026 medegedeeld de gevraagde garanties niet te kunnen verstrekken. Het is niet aannemelijk dat er op korte termijn een wijziging van omstandigheden zal plaatsvinden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de overlevering toe te staan, omdat de opgeëiste persoon momenteel gedetineerd is op grond van de OLW. Volgens de Franse advocaat van de opgeëiste persoon bestaat een mogelijkheid dat hij in Frankrijk onder voorwaarden wordt vrijgelaten. Een aanhouding van de zaak om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zou daarom kunnen leiden tot een onnodig langere detentie in Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een aanvullende vraag te stellen. Recent is namelijk in andere overleveringszaken, waarbij de opgeëiste persoon na overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in
Fleury-Mérogis, gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in een eenpersoonscel kon worden geplaatst waarbij hij voldoende vierkante meters persoonlijke leefruimte tot zijn beschikking zal hebben. [4] De officier van justitie wenst te informeren of in de onderhavige zaak eveneens eenzelfde garantie kan worden verstrekt. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De informatie die de Franse autoriteiten hebben gegeven is onvoldoende om het door de rechtbank vastgestelde algemene reële gevaar op schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich binnen een redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie alsnog ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven onder 4.1. weergegeven informatie van de Franse autoriteiten daartoe geen aanknopingspunten biedt. Daarvoor is het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van 19 mei 2026 hebben de Franse autoriteiten géén antwoord gegeven op de vraag waar de opgeëiste persoon na zijn tijdelijke plaatsing in de “
arrival wing” van de detentie-instelling
Fleury-Mérogiszal worden geplaatst. Daarnaast hebben de Franse autoriteiten laten weten dat de gevraagde garanties niet kunnen worden verstrekt. De rechtbank concludeert dan ook dat zich binnen een redelijke termijn geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Het individuele gevaar is niet weggenomen.
De rechtbank wijst het primaire verzoek van de officier van justitie af. Het IRC heeft de Franse autoriteiten meermaals nadere vragen gesteld over de detentieomstandigheden. De Franse autoriteiten zijn daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om aanvullende informatie te verstrekken en hebben volstaan met de reeds verstrekte informatie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de redelijke termijn nog langer moet voortduren om de Franse autoriteiten de gelegenheid te geven nadere informatie over de detentie-omstandigheden van de opgeëiste persoon in de detentie-instelling van
Fleury-Mérogiste verstrekken.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen gevolg kan worden geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. De overleveringsdetentie wordt opgeheven.

6.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 22 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4158.
4.Rb. Amsterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3797 en Rb. Amsterdam 28 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4187.