Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6346

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
13-106036-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks afzien van weigeringsgrond

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 juni 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Warschau. De verdachte werd gezocht voor de uitvoering van een resterende gevangenisstraf van zes maanden wegens diefstal. Hoewel de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het Poolse proces, zag de rechtbank aanleiding af te zien van de weigeringsgrond uit artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte op de hoogte was van de procedure en onzorgvuldig met zijn correspondentie was omgegaan.

De verdediging voerde aan dat de verdachte voldoende binding met Nederland had om de straf hier te laten uitvoeren, maar de rechtbank verwierp dit verweer wegens te late en onvoldoende onderbouwde indiening van stukken. Daarnaast constateerde de rechtbank dat er geen concreet individueel gevaar was dat het recht op een eerlijk proces in Polen zou zijn geschonden, ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen geldige weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering daarom kan worden toegestaan. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks mogelijke weigeringsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-106036-26
Datum uitspraak: 18 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2024 door
the Circuit Court in Warszawa - Praga in Warsaw,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [J.C.],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court Warszawa Praga-Południe in Warsawvan 18 november 2022 met kenmerk IV K 716/22.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en resteert nog in zijn geheel.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van de mogelijkheid dat een strafproces zou volgen. Uit het EAB blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon op 2 mei 2022 is verhoord als verdachte. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon het adres
[adres]opgegeven als correspondentieadres en een (schriftelijke) adresinstructie ontvangen. De oproep voor de zitting is volgens de aanvullende informatie van 5 mei 2026 naar dat adres verstuurd. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden. Van hem mocht zorgvuldigheid worden verwacht, omdat hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat er een procedure zou volgen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij voldoende binding heeft met Nederland en dat zijn straf daarom door Nederland kan worden overgenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Daarbij geldt dat een geordend en gemotiveerd gelijkstellingsverweer dat tien dagen voor de zitting is ingediend, in ieder geval tijdig is ingediend. Een gelijkstellingsverweer dat binnen tien dagen voor de zitting is ingediend, kán tijdig zijn afhankelijk van de omvang, overzichtelijkheid en onderbouwing. Een gelijkstellingsverweer dat weliswaar tien dagen voor de zitting, maar ongeordend en zonder leeswijzer, onderbouwing of toelichting is ingediend, kán door de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten. [4]
De rechtbank stelt vast dat de raadsman de stukken niet tijdig aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank heeft de stukken één dag voor de zitting ontvangen. Bovendien zijn de gelijkstellingsstukken niet voorzien van een duidelijke leeswijzer. De raadsman heeft ook geen conclusies verbonden aan de overgelegde stukken ten aanzien van de vraag of sprake is een verblijf van de opgeëiste persoon van vijf jaar en heeft geen standpunt ingenomen over de rechtmatigheid daarvan per jaar. De stukken worden dus buiten beschouwing gelaten. Het verweer wordt verworpen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Warszawa - Praga in Warsaw(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie Rechtbank Amsterdam, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5116.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (