ECLI:NL:RBBRE:2006:BF0120
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en toepassing invorderingsfaciliteit bij successierecht landgoed
De zaak betreft een geschil over de aanslag successierecht naar aanleiding van het overlijden van erflater en de verdeling van zijn nalatenschap. Belanghebbende, een van de erfgenamen, betwist de aanslag die aan hem is opgelegd en stelt dat de invorderingsfaciliteit van artikel 7 van Pro de Natuurschoonwet 1928 (NSW) ook op zijn verkrijging van toepassing is.
De rechtbank oordeelt allereerst dat het beroep tijdig en ontvankelijk is ingediend, ondanks verwarring over de nummering van de uitspraken op bezwaar. Vervolgens wordt geoordeeld dat de invorderingsfaciliteit van artikel 7 NSW Pro uitsluitend geldt voor verkrijgingen van onroerende zaken die als landgoed zijn aangemerkt en niet voor geldvorderingen die erfgenamen uit hoofde van erfrecht verkrijgen.
Belanghebbendes beroep op de bedoeling van de wetgever en eerdere jurisprudentie wordt verworpen omdat de wettekst duidelijk de reikwijdte van de faciliteit beperkt tot onroerende zaken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door drie rechters van de rechtbank Breda en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2006.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de invorderingsfaciliteit van artikel 7 NSW is niet van toepassing op zijn geldvordering uit erfrecht.