ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7927
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over vergoeding voor afstand doen van optierechten als vervreemding aanmerkelijk belang
Belanghebbende, werknemer binnen het concern van [bedrijf X], verkreeg optierechten op aandelen B die een aanmerkelijk belang vormden vanwege het bestaan van soortaandelen. Hij tekende een overeenkomst waarin hij afstand deed van zijn uitoefenrechten in ruil voor een vergoeding. De inspecteur kwalificeerde deze vergoeding als winst uit aanmerkelijk belang en legde een navorderingsaanslag op.
De rechtbank oordeelde dat de aandelen B niet dezelfde rechten hadden als aandelen A, mede vanwege het bestaan van een substantiële dividendreserve voor aandelen A en niet voor B, waardoor sprake was van soortaandelen. Hierdoor vormden de optierechten een aanmerkelijk belang. De rechtbank verwierp de stelling van belanghebbende dat ook nog niet uitgegeven aandelen mee moesten tellen bij de 5%-grens, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad.
Verder stelde de rechtbank vast dat de overeenkomst waarbij belanghebbende afstand deed van zijn optierechten gelijkstaat aan een vervreemding van het aanmerkelijk belang. De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen toezegging of standpuntbepaling door de inspecteur was aangetoond. Tot slot vond de rechtbank onvoldoende bewijs voor een lagere waardering van de vergoeding.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de navorderingsaanslag over de vergoeding voor afstand van optierechten als winst uit aanmerkelijk belang.