ECLI:NL:RBBRE:2011:BT6770
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende kreeg in april 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2000, gebaseerd op gegevens die de FIOD-ECD reeds in 2006 had verzameld en vastgelegd in een proces-verbaal. De inspecteur ontving dit proces-verbaal pas in januari 2010, waardoor de navordering pas na meer dan drie jaar werd opgelegd.
Belanghebbende stelde dat deze vertraging onrechtmatig was en dat de navordering daarom niet tijdig was. De inspecteur voerde aan dat de vertraging niet aan hem te wijten was, maar aan de FIOD-ECD, die onderdeel is van de Belastingdienst maar zelfstandig opereert. De rechtbank oordeelde echter dat de FIOD-ECD wel degelijk tot de belastingautoriteiten behoort en dat het verzuim om het proces-verbaal tijdig door te sturen voor rekening van de inspecteur komt.
De rechtbank stelde vast dat het tijdsverloop langer was dan noodzakelijk voor het verkrijgen van benodigde informatie en het voorbereiden van de aanslag. Dit was in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010 en het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 11 juni 2009.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2000 wordt vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn door de belastingautoriteiten.