ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2089
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en procedurele overschrijding redelijke termijn met immateriële schadevergoeding
De rechtbank Breda heeft het beroep van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €380.000, terwijl belanghebbende een lagere waarde van maximaal €374.000 betoogde. De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport en de gebruikte referentieobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de gehanteerde m2-prijs terecht hoger was dan door belanghebbende voorgesteld.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, wat aanleiding kon geven tot een immateriële schadevergoeding. De rechtbank constateerde dat sinds ontvangst van het bezwaarschrift ruim 2,5 jaar waren verstreken, wat het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn bevestigde. Daarom werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over de immateriële schadevergoeding en werd de Minister van Veiligheid en Justitie als partij betrokken.
De rechtbank wees ook het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel af, omdat de referentieobjecten niet identiek waren aan de woning. Verder werd geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat het niet verstrekken van een kopie van de kladmatrix hem had geschaad. De uitspraak werd gedaan door rechter W.A.P. van Roij en griffier T.A. Mandemakers op 16 oktober 2012.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard, maar het onderzoek naar immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is heropend.