ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring van schadevordering SLOM-boeren tegen Staat wegens niet-stellen prejudiciële vragen door CBb
De zaak betreft SLOM-boeren die schadevergoeding vorderen van de Staat wegens het niet-stellen van prejudiciële vragen door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) in hun individuele bestuursrechtelijke procedures over melkquotumtoewijzing. De boeren stellen dat het CBb onrechtmatig heeft gehandeld door geen prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie, wat tot ongunstige uitspraken leidde en schade veroorzaakte.
De rechtbank analyseert de verjaring van de vorderingen op grond van artikel 3:310 BW Pro en stelt vast dat de verjaringstermijn is gaan lopen op de dag na de uitspraak van het CBb in de individuele zaken, welke tussen 1994 en 1997 vielen. Hoewel eisers pas in 2009 de Staat aansprakelijk stelden voor het niet-stellen van prejudiciële vragen, oordeelt de rechtbank dat dit te laat is en de vorderingen daardoor zijn verjaard.
Daarnaast concludeert de rechtbank dat de stuitingsbrieven van 1997, 2001 en 2004 geen ondubbelzinnige waarschuwing bevatten omtrent het specifieke verwijt van onrechtmatige rechtspraak door het CBb, maar betrekking hadden op ander verwijtbaar handelen van de Staat. Ook is onvoldoende onderbouwd dat elke eiser individueel schade heeft geleden door het niet-stellen van prejudiciële vragen.
De vordering van eiser sub 6 wordt afgewezen omdat hij geen beroep bij het CBb heeft ingesteld. De rechtbank veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten aan de Staat en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vorderingen van de SLOM-boeren wegens onrechtmatige rechtspraak door het CBb zijn verjaard en worden afgewezen.