Uitspraak




Rechtbank Den Haag
De zaak betreft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) over de jaren 1991 tot en met 1995, opgelegd naar aanleiding van niet opgegeven inkomsten op een buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (KB Lux).
Verweerder heeft de aanslagen gebaseerd op geschatte basisinkomens en -vermogens, waarbij correcties zijn toegepast vanwege de niet opgegeven rekening. Eiseres, erfgenaam van de rekeninghouder, betwist dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld en vordert daarnaast een immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.
De rechtbank stelt vast dat de geschatte basisinkomens en -vermogens redelijk zijn en dat de navorderingsaanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard. Wel is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een jaar, waarvoor verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 en vergoeding van het betaalde griffierecht.
De overschrijding wordt toegerekend aan verweerder, mede omdat de procedure is aangehouden in afwachting van proefprocedures inzake de KB Lux-problematiek. De rechtbank acht de totale redelijke termijn acht jaar en drie maanden, terwijl de feitelijke duur ruim negen jaar bedroeg.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen zijn niet te hoog vastgesteld; eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding redelijke termijn.



