ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2443
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- I. Obbink-Reijngoud
- M.A. Dirks
- J.A. Booij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van navorderingsaanslagen en boetes in KB Lux-zaak zonder overschrijding redelijke termijn
Eiser kreeg navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting opgelegd over de jaren 1993 tot en met 2005 vanwege niet opgegeven banktegoeden bij de Kredietbank Luxembourg (KB Lux). Verhogingen en vergrijpboetes van 100% werden opgelegd, later gematigd door verweerder tot 60% van de verschuldigde belasting, mede vanwege undue delay. Eiser betwistte de hoogte van deze boetes en stelde dat het bezwaar tegen de aanslag 2002 tijdig was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen de aanslag 2002 niet-ontvankelijk was wegens te late indiening, ondanks een stelling van eiser dat een eerder bezwaarschrift was ingediend. De rechtbank vond de matiging van de boetes passend en niet te hoog, mede gezien de gedragslijn van de Belastingdienst in het Rekeningenproject en het feit dat eiser pas in de bezwaarfase volledige openheid van zaken gaf.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het geschil niet was overschreden. De lange duur van de procedure werd toegerekend aan de complexiteit van de zaak, de aanhouding in afwachting van proefprocedures en het inkeerverzoek van de overleden echtgenote. Een immateriële schadevergoeding werd daarom niet toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de uitspraak op bezwaar voor de aanslag 2002 gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De beroepen betreffende de jaren 2003 tot en met 2005 werden niet-ontvankelijk verklaard en de overige beroepen ongegrond. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €944.
Uitkomst: Bezwaar tegen aanslag 2002 niet-ontvankelijk verklaard, boetes passend na matiging, geen overschrijding redelijke termijn.