Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
.
.
Rechtbank Den Haag
Eiser diende in 2004 een asielaanvraag in, waarbij artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem werd tegengeworpen wegens betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen als officier bij KhAD/WAD. Na eerdere procedures en een besluit in 2008 waarbij wederom artikel 1(F) werd toegepast, diende eiser in 2009 een herhaalde asielaanvraag in die werd afgewezen in 2010. De rechtbank beoordeelde of er sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een inhoudelijke toetsing rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de consulbrief van 2008 geen nieuw feit was, maar de UNHCR-Note van 2008 en brief van 2009 wel nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden vormden die inhoudelijke beoordeling vereisten. De rechtbank volgde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar oordeel dat deze documenten geen concreet aanknopingspunt boden om te twijfelen aan het ambtsbericht van 2000 waarop verweerder zich baseert.
Eiser voerde aan dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 2010 een andere toetsing van artikel 1(F) vereist, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende onderzoek had verricht en dat het arrest geen aanleiding gaf tot prejudiciële vragen. Ten aanzien van artikel 3 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat ondanks het risico op behandeling zoals bedoeld in artikel 3, er geen sprake was van een duurzaam verbod op uitzetting omdat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij niet naar een ander land kon vertrekken of voldoende inspanningen had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag wordt definitief afgewezen.