ECLI:NL:RBDHA:2014:8241
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang op grond van Wmo
Verzoeker, een langdurig in Nederland verblijvende persoon zonder geldige verblijfstitel, vroeg om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Na eerdere afwijzing in 2013, werd zijn aanvraag in juni 2014 opnieuw afgewezen door verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus en het bestaan van een voorliggende voorziening, te weten opvang in een vrijheid beperkende locatie (VBL) te Ter Apel.
Verzoeker stelde dat hij tot de kwetsbare groep behoort en medische noodzaak heeft voor opvang, en dat de VBL geen passende opvang is vanwege detentiekarakter en eerdere traumatische ervaringen. Verweerder verwees naar het bestuursakkoord en stelde dat de verantwoordelijkheid voor opvang van ongedocumenteerden bij het Rijk ligt en dat de VBL als voorliggende voorziening geldt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker op grond van artikel 8 Wmo Pro in beginsel geen aanspraak heeft, maar dat vanwege zijn kwetsbare gezondheid en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder bepaalde omstandigheden toch aanspraak kan bestaan. De VBL werd niet als een wettelijk voorliggende voorziening aangemerkt, mede omdat het geen opvang in de zin van de Wmo betreft. Daarnaast was onduidelijk of opvang in de VBL daadwerkelijk beschikbaar was. Het bestreden besluit was onvoldoende gemotiveerd en daarmee strijdig met artikel 3:46 Awb Pro.
De voorzieningenrechter besloot daarom verzoeker per direct maatschappelijke opvang te verlenen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en maatschappelijke opvang wordt per direct verleend tot zes weken na bezwaarbeslissing.