Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU(COM (2015) 452 final). Verweerder heeft de door de EC gemaakte afweging, de gegeven motivering en het daartoe verrichte onderzoek tot de zijne gemaakt. Verweerder blijft evenwel zelf verantwoordelijk voor een eigen zelfstandig onderzoek naar de beoordeling of Macedonië een veilig land van herkomst is. Weliswaar heeft verweerder ter zitting gesteld dat zij de bronnen en de conclusies van de EC heeft getoetst, maar deze stelling is niet nader geconcretiseerd en onderbouwd en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop, en nu ook overigens niet is gebleken van een eigen, zelfstandig onderzoek van verweerder naar de juridische en feitelijke situatie, voldoet de aanwijzing van Macedonië als veilig van herkomst in zoverre niet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb.
Aangezien verweerder zijn beoordeling of Macedonië een veilig land van herkomst is aldus niet heeft gebaseerd op de door artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb voorgeschreven informatiebronnen, heeft de rechtbank in de genoemde uitspraak van 19 september 2016 aanleiding gezien de ministeriële regeling van 10 november 2015, met nummer 695431, onverbindend te verklaren voor zover Macedonië daarbij middels een wijziging van bijlage 13 van het VV is aangemerkt als veilig land van herkomst, nu de (totstandkoming van de) beoordeling in strijd is met het bepaalde in artikel 3.105ba van het Vb. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, ten bedrage van € 992,- (negenhonderdtweeennegentig euro), te betalen aan eiser.
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de kosten van het verzoek, ten bedrage van € 496,-