Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2016 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
- eiser en de echtgenote de aan eiser toegerekende giften verkeerd hebben berekend, omdat zij zijn uitgegaan van periodieke giften terwijl sprake was van reguliere giften;
- eiser en de echtgenote de aan eiser toegerekende banktegoeden/beleggingsrekeningen te laag hebben aangegeven, voor respectievelijk € 33.553 (2008), € 109.909 (2009), € 134.360 (2010) en € 121.130 (2011).
- verweerder het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;
- verweerder over de jaren 2007 tot en met 2009 mag navorderen;
- de woning [adres 2] te [woonplaats] ondernemings- of privévermogen is;
- de aan eiser toegekende dwangsom te laag is;
- eiser recht heeft op een vergoeding wegens immateriële schade;
- eiser recht heeft op een integrale kostenvergoeding.
“Motivering bezwaarschrift tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007, aanslagnummer [aanslagnummer] ten name van [eiser]”behelst, in zoverre duidelijk is dat daaruit blijkt dat dat bezwaarschrift ook is gericht tegen de aanslag IB/PVV 2010. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij de bewuste brief van 6 maart 2014 onvoldoende concreet vindt om daarin ook een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 te lezen. Nu in die brief nergens melding wordt gemaakt van die aanslag of overigens concreet daarnaar wordt verwezen, kan de brief van 6 maart 2014 naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2010.
€ 980
Vergoeding van immateriële schade
Beslissing
- verklaart het beroep gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente ongegrond;
- verklaart de overige beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar over de jaren 2007 tot en met 2009 en 2011, behoudens de bij die uitspraken op bezwaar toegekende proceskostenvergoeding;
- vernietigt de bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 opgelegde vergrijpboete en vermindert de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 opgelegde vergrijpboetes tot respectievelijk € 573 (2008) en € 1.879 (2009);
- gelast verweerder de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2009 en 2011 te verminderen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak hierover is beslist;
- gelast verweerder de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten van de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de dwangsombeschikking;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een dwangsom aan eiser van € 980 binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak;
- draagt verweerder op over de te betalen dwangsom rente te vergoeden overeenkomstig hetgeen hierover in overweging 42 is beslist;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde dwangsombeschikking;
- wijst het verzoek om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.857;
- draagt verweerder op het voor de procedures over de jaren 2007 tot en met 2009 en 2011 betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.