Uitspraak
.
van 19 mei 2014, waarbij verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken met ingang van 10 oktober 2012, hem een onmiddellijke vertrekplicht heeft opgelegd en tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft uitgevaardigd, heeft verweerder gebaseerd op artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.86, tweede, derde, dan wel vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Verweerder is namelijk gebleken dat eiser in de periode tussen 1988 en oktober 2012 is veroordeeld wegens het plegen van een reeks misdrijven.
7.Bij het bestreden besluit heeft verweerder voornoemde brief van
13.Eiser heeft betoogd dat uit het arrest van het Hof van Justitie van
guiding principles, zoals verwoord in het arrest van 2 augustus 2001 inzake Boultif en het arrets van 18 oktober 2006 inzake Üner in de belangenafweging betrokken. Daarnaast heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit het arrest van het EHRM in de zaak Balogun tegen het Verenigd Koninkrijk van 10 april 2012 niet volgt dat artikel 8 van Pro het EVRM eraan in de weg staat dat ‘settled migrants’ kunnen worden uitgezet naar het land van herkomst, zij het dat daarvoor vereist is dat sprake is van ‘very serious reasons’. Daarbij zijn voor het EHRM in de eerste plaats de volgende factoren van belang: de aard en de ernst van het misdrijf, of de vreemdeling meerderjarig is en of sprake is van recidive. In de tweede plaats acht het EHRM volgens verweerder van betekenis hoe lang de vreemdeling in het gastland heeft verbleven en in hoeverre sprake is geweest van rechtmatig verblijf. In de derde plaats acht het EHRM volgens verweerder van betekenis hoeveel tijd er is verstreken sinds het strafbare feit en hoe de vreemdeling zich in die tijd heeft gedragen en ten slotte wordt gekeken naar de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden in het gastland en in het land van herkomst. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in aanmerking te nemen factoren zijn beoordeeld en heeft geconcludeerd dat gezien de aard en de ernst van de door eiser bij herhaling gepleegde misdrijven, die een ontwrichtend effect hebben op de Nederlandse samenleving, sprake is van ‘serious reasons’ als bedoeld in het arrest Balogun.
- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 15/15065 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 15/17314 niet-ontvankelijk.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2016.